leesvaardigheid

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
leesvaardigheid by Mind Map: leesvaardigheid

1. argumentatie

1.1. drogredenen

1.1.1. 1 argumentatieschema’s zijn verkeerd gebruikt.

1.1.2. 2 discussieregels zijn overschreden.

1.1.2.1. Vertekenen van standpunt

1.1.2.2. Persoonlijke aanval

1.1.2.3. Ontduiken bewijslast, incl. Cirkelredenering en Emoties van publiek bespelen

1.2. schema's

1.2.1. standpunt

1.2.2. argumenten met onderbouwing

1.2.2.1. schema's

1.2.2.1.1. 1. Oorzaak en gevolg (causaliteit)

1.2.2.1.2. 2. Kenmerk of eigenschap

1.2.2.1.3. 3. Voor- en nadelen (incl. overdrijven en vals dilemma)

1.2.2.1.4. 4. Vergelijking

1.2.2.1.5. 5. Algemene uitspraak en voorbeelden (incl. overhaaste generalisatie)

1.2.2.1.6. 6. Autoriteit

1.2.3. weerlegging van tegenargumenten

1.3. soorten argumenten

1.3.1. Argumenten op basis van:

1.3.2. 1 Controleerbare feiten

1.3.3. 2 Voorbeeld – Kijk maar naar ...

1.3.4. 3 Vergelijking (analogie) - ... ook

1.3.5. 4 Ervaring (empirisch argument) - beter , want dan

1.3.6. 5 Gezag of autoriteit – zegt Cruijff / de Bijbel

1.3.7. 6 Gevolg - ..., want anders ...(het gevolg)

1.3.8. 7 Nut of gewenste gevolgen - ..., want dat is gunstig voor ... (gewenst gevolg)

1.3.9. 8 Gevoel, intuïtie of emotie (emotioneel argument) - , want ik verveelde me.

1.3.10. 9 Algemene normen en waarden - ... , want het milieu is toch belangrijk?

1.3.11. 10 Geloof (persoonlijke overtuiging, moreel argument) - ... mag, want dat past in onze maatschappij.

1.3.12. 11 Veronderstelling – waarschijnlijk weer, want dat was de afgelopen jaren steeds het geval.

1.3.13. 12 Vermoeden (op basis van een veronderstelling, maar subjectiever – ..., want ik denk dat dan

2. vragen

2.1. 'Vertaal' in eigen woorden

2.2. Herken de soort vraag

2.3. Maak een foutenanalyse van een gemaakt examen.

2.4. Kies een examen a.d.h.v. jouw analyse (zie ex.bundel)

3. oriënterend en globaal lezen

3.1. Lees de titel.

3.1.1. 1 motiverend (cryptisch maar dekt de lading)

3.1.2. 2 informerend (onderwerp, hoofdgedachte, vraag etc.)

3.2. Herken inleiding - middenstuk - slot.

3.3. Stel vast: onderwerp, leespubliek, schrijfdoel, tekstsoort. Voorspel de hoofdgedachte.

3.3.1. uiteenzetting

3.3.1.1. Schrijfdoel: informeren, uitleg geven, bijv. de uitkomst van een onderzoek

3.3.2. beschouwing

3.3.2.1. Doel: informeren over kwestie; overzicht van argumenten

3.3.2.2. De hoofdgedachte is een mededelende zin (geen vraag!).

3.3.3. betoog

3.3.3.1. Doel: overtuigen, soms ook overhalen/activeren

3.3.3.2. De hoofdgedachte is een stelling.

3.3.4. mengvorm

3.3.4.1. Stel het schrijfdoel vast, blz. 38.

4. werkvormen

4.1. drie-stappen-interview

4.1.1. oriënterend lezen

4.2. in volgorde leggen

4.2.1. hele tekst

4.2.2. middenstuk

4.3. kernzinnen onderstrepen, signaalwoorden omcirkelen

4.4. geschikte onderwerpen voor CE zoeken in kranten, tijdschriften

4.5. genummerde hoofden

4.5.1. zelfstandig, controleren met gelijke nummers, in groepje jouw deel vertellen, één product (gedeelde verantw.)

4.6. in tweetallen: domino of draaikaartjes voor functiewoorden

5. opbouw van de tekst

5.1. inleiding

5.1.1. 1 aandacht trekken

5.1.1.1. Manieren: actualiteit, anekdote, voorbeeld, belang vd lezer etc.

5.1.2. 2 onderwerp introduceren

5.1.2.1. aanleiding, samenvatting vooraf

5.1.3. 3 opstap naar middenstuk

5.1.3.1. vraag/vragen, stelling

5.2. slot

5.2.1. - middenstuk afronden - conclusie/ hoofdgedachte - uitsmijter

5.2.1.1. Manieren: belangrijkste argumenten herhalen, afweging, samenvatting, oproep, toekomstverwachting; - terugkomen op inleiding

5.2.1.1.1. oproep aan lezer: activeren / overhalen oproep aan ... overheid: meestal betoog

6. middenstuk

6.1. tekststructuren, blz. 27

6.1.1. argumentatie

6.1.2. aspecten

6.1.3. probleem/oplossing

6.1.4. verklaring

6.1.5. verleden/heden/toekomst

6.1.6. voor- en nadelen

6.1.7. vraag/antwoord

6.2. Deelonderwerpen

6.2.1. Oefen met de kopjesvraag

6.2.1.1. Let op synoniemen en pas op voor aankondigende/herhalende zinnen

6.2.1.2. Vraag je af of deze alinea al/nog hoort bij volgende/vorige kopje

6.2.2. Bedenk zelf een kopje

6.2.3. Voeg zelf een signaalwoord toe om het tekstverband te beoordelen.

6.3. Alineaverbanden, blz. 34

6.3.1. 1 aankondigende zin

6.3.2. 2 herhalende zin (verwijswoorden, synoniem of herhaling)

6.3.3. 3 signaalwoorden (expliciet of impliciet)

6.4. Kernzinnen

6.4.1. Let op de voorkeursplaats: eerste, tweede of laatste zin.

7. antwoorden

7.1. formuleren

7.1.1. Maak een antwoordaanloop

7.1.2. Geef een volledig antwoord. AUB: antwoord, uitleg en bijvoorbeeld

7.1.3. Gebruik woorden uit de tekst.

7.1.4. Controleer of dit het antwoord op de vraag is.

7.1.5. Controleer op spelling en grammatica

8. betrouwbaarheid

8.1. auteur

8.1.1. belanghebbend

8.1.1.1. correcte argumentatie?

8.1.2. specialist

8.2. publicatieplaats

8.3. informatiebronnen

8.3.1. specialisten

8.3.1.1. deskundig

8.3.1.2. onpartijdig

8.3.2. onderzoek

8.3.2.1. actueel

8.4. informatie

8.4.1. volledig, niet eenzijdig

8.4.1.1. belanghebbenden

8.4.2. juiste informatie

8.4.3. actuele informatie

9. kennis van de wereld

9.1. Woordenschat

9.1.1. Pas woordraadstrategieën toe.

9.2. Teksten gaan over algemene waarden en normen

9.2.1. Onderwerpen als: inclusie, eigen verantwoordelijkheid, delen van kennis/goederen

9.3. ook over spelende kwesties, zoals klimaatverandering, migratie, machtsverhouding, werkverdeling

9.3.1. op de hoogte van actualiteit

9.4. of over wetenschappelijke kennis

9.4.1. vaak over taal

9.4.1.1. als communicatiemiddel

9.4.1.1.1. bijv. creativiteit van straattaal

9.4.1.2. lezen

9.4.1.2.1. over nieuwe vormen zoals sociale media

9.4.1.3. spreken

9.4.1.3.1. onderwerpen als debatteren, populisme, vrijheid van meningsuiting

10. samenvatten

10.1. Een samenvatting is tekstvervangend

10.1.1. Vat een alinea samen,

10.1.1.1. Noteer de kernzin en evt. de uitleg.

10.1.2. of een paar alinea's, een deelonderwerp,

10.1.2.1. Zet de kernzinnen achterelkaar; argumentatie

10.1.3. of een tekst

10.1.3.1. Schrijf de hoofdgedachte op en de kernzinnen; de volledige argumentatie: stelling, (tegen)argumenten en weerlegging (evt. onderbouwing)

10.2. Noteer het aantal woorden.

10.3. Let op formulering

10.3.1. Controleer op spelling en grammatica

10.3.2. Schrijf een leesbare tekst: verwijswoorden, evt. signaalwoorden

11. tijd

11.1. Neem de tijd op als je oefent.

11.2. Bekijk het examen, het aantal vragen/punten en verdeel je tijd.