Qualitative Research Design, An Interactive Approach (Maxwell, 2005)

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Qualitative Research Design, An Interactive Approach (Maxwell, 2005) by Mind Map: Qualitative Research Design, An Interactive Approach (Maxwell, 2005)

1. 01. A Model for Qualitative Research Design

1.1. "Because design always exists, it is important to make it explicit, to get it out in the open where its strenghts, limitations, and consequences can be clearly understood".

1.2. "In contrast, the model in this book is a model of as well as for research"

1.3. Kwantitatief onderzoek

1.3.1. in essentie lineair van opbouw

1.3.2. een volgorde van stappen

1.3.3. van probleem naar oplossing of theorie

1.3.4. deze sequentie kan herhaald worden (iteratie)

1.4. Kwalitatief onderzoek

1.4.1. de lineaire opbouw is niet van toepassing

1.4.2. ieder onderdeel in het ontwerp moet op elk moment in het onderzoek heroverwogen kunnen worden of aangepast kunnen worden

1.4.3. model is beinvloedbaar voor nieuwe ontwikkelingen of wijzigingen in andere onderdelen van het model

1.4.3.1. Een interactief model

1.4.3.1.1. Ontwerp

1.4.3.1.2. Omgeving

1.5. "memos"

1.5.1. al het schrijfwerk in relatie van je onderzoek, naast het eigenlijke veldwerk schrijven

1.5.1.1. 1. Serieuze reflectie, analyse en zelf krtisch

1.5.1.2. 2. Organiseer je memo's

1.5.2. "Not writing memos is the research equivalent of having Alzheimer's disease; you may not remember your important insights when you need them"

1.5.3. "When you write, don't put a tuxedo on your brain" (Metzger, 1993)

2. 05. Methods. What Will You Actually Do?

2.1. Ontwerp kwalitatief onderzoek

2.1.1. Ontwerp je onderzoeksinstrumenten van te voren ipv tijdens het onderzoek

2.1.1.1. Gestructureerde benadering

2.1.1.1.1. Bevordert het maken van vergelijkingen

2.1.1.1.2. Goed voor onderzoeksvragen die gaan over verschillen tussen variabelen

2.1.1.2. Ongestructureerde benadering

2.1.1.2.1. Bevordert focus op specifieke onderwerpen

2.1.1.2.2. Gericht op maatwerk, aangepast aan specifieke condities

2.1.1.3. "Thus, the decision is not primarily whether or to what extent you prestructure your study, but in what ways you do this, and why" (p.81)

2.1.2. Vier onderdelen

2.1.2.1. 1. De onderzoeksrelatie die je ontwikkeld met de mensen die je onderzoekt

2.1.2.1.1. "Reflexiviteit" = het gegeven dat de onderzoeker deel is van de sociale omgeving van de persoon die hij of zij onderzoekt

2.1.2.1.2. "What you need are relationships that allow you to ethically gain the information that can answer your research questions"

2.1.2.2. 2. Selectie van personen en locaties

2.1.2.2.1. "Sampling" = beslissingen over waar je het onderzoek uitvoert en welke personen je daarbij betrekt.

2.1.2.3. 3. Dataverzameling

2.1.2.3.1. 1. de relatie tussen onderzoeksvragen en dataverzamelingsmethoden

2.1.2.3.2. 2. Triangulatie = dataverzamelen door het gebruik maken van meerdere bronnen en methoden

2.1.2.4. 4. Datanalayse

2.1.2.4.1. Start gelijk na eerste methodiek dataverzameling, continu proces

2.1.2.4.2. Strategie kwalitatieve analyse

3. 04. Research Questions. What Do You Want To Understand

3.1. Onderzoeksvragen

3.1.1. het hart van het onderzoeksontwerp

3.1.1.1. linkt alle componenten

3.1.1.2. onderzoeksvragen hebben invloed en worden beinvloed door elk onderdeel van de onderzoeksvraag

3.1.2. vaak het resultaat van goed geformuleerde vragen en een interactief ontwerpproces

3.1.3. "Type III error"

3.1.3.1. door vast te houden aan je onderzoeksvragen voor dat je een goed beeld hebt van je theoretisch en conceptueel kader en de methodologie en de invloed hiervan op je onderzoeksvraag, loop je het risico de verkeerde vraag te beantwoorden.

3.2. Functies van onderzoeksvragen

3.2.1. functie in een proposal

3.2.1.1. specifiek uitleggen wat je wil leren of wil begrijpen door het doen van het onderzoek

3.2.2. functie in onderzoeksontwerp

3.2.2.1. focus

3.2.2.1.1. goede afbakening belangrijk

3.2.2.1.2. potentiële problemen

3.2.2.2. steun tijdens uitvoering

3.3. Type onderzoeksvragen

3.3.1. verwarring

3.3.1.1. intellectuele vs. praktische zaken: wat wil je begrijpen vs. wat wil je bereiken

3.3.1.1.1. je moet je onderzoeksvraag zo stellen dat ze je leiden naar de informatie en het begrijpen daarvan om je te helpen bij het bereiken van je praktische doelen

3.3.1.2. onderzoeksvragen vs. interviewvragen

3.3.1.2.1. onderzoeksvragen identificeren de zaken die je wilt begrijpen

3.3.1.2.2. interviewvragen genereren de data die je nodig hebt om de onderzoeksvragen te begrijpen

3.3.2. onderzoekshypothesen in kwalitatief onderzoeksontwerp

3.3.2.1. hypothese = uitspreken van een voorlopig antwoord op je onderzoeksvraag, wat jij denkt dat daar aan de hand is.

3.3.2.1.1. propositie is beter woord

3.3.2.2. in kwant. onderzoek wordt de hypothese voorafgaand de dataverzameling gesteld

3.3.2.3. in kwal. onderzoek prima om hypothese na afloop of tijdens onderzoek te formuleren

3.3.2.3.1. wel testen en controleren op validiteit

3.3.2.3.2. risico op 'blind maken': dat je niet meer helemaal ziet wat er aan de hand is.

3.3.3. generieke vragen en specifieke vragen

3.3.3.1. generieke vragen gekoppeld aan 'sampling' benadering

3.3.3.1.1. de data moet representatief zijn voor de onderzoeksbevolking waar het sample uit is genomen.

3.3.3.2. specifieke vragen gekoppeld aan een 'casus' benadering

3.3.3.2.1. selectie specifieke case erg belangrijk

3.3.4. instrumentele vragen en realistische vragen

3.3.4.1. instrumentalisten

3.3.4.1.1. formuleren hun vragen gericht op observeerbare en meetbare data

3.3.4.2. realisten

3.3.4.2.1. niet geobserveerde data (gevoelens, waarden en normen, intenties, vorig gedrag, effecten van, etc.) zijn echt en hun data is het bewijs, om vervolgens kritisch te gebruiken om ideeen te ontwikkelen en te testen over het bestaan en de werking van deze fenomenen.

3.3.4.3. "My own preference is to use realist questions, and to address as systematically and rigorously as possible the validity threats that this approach involves" (p.73)

3.3.4.3.1. 1. de omvang van de validiiteitsproblemen hangen af van het onderwerp, doelen en methodiek van onderzoek en moeten worden geassessed in de context van het specifieke onderzoek.

3.3.4.3.2. 2. er zijn vaak effectieve manieren om validiteitsproblemen op te lossen in kwal. onderzoek

3.3.4.3.3. 3.Standpunt: onobserveerbare fenomenen zijn net zo echt as observeerbare fenomenen en net zo legitiem als onderwerp voor een wetenschapelijk onderzoek.

3.3.5. variantievragen en procesmatige vragen

3.3.5.1. variantievragen

3.3.5.1.1. verschllen en correlatie

3.3.5.1.2. past beter bij kwant. onderzoek

3.3.5.2. procesmatige vragen

3.3.5.2.1. hoe gebeuren zaken?

3.3.5.2.2. 3 typen vragen

3.4. Onderzoeksvragen ontwikkelen

3.4.1. Een oefening in 6 stappen (p.76-78)

4. 07. Research Proposals. Presenting and Justifying a Qualitative Study

4.1. proposal

4.1.1. uitleggen van de flexibiliteit die je onderzoek nodig heeft

4.1.2. indicatie van hoe je te werk gaat bij het maken van ontwerpbeslissingen

4.1.3. de vaardigheid om een samenhangend en kansrijk onderzoek te ontwerpen

4.1.4. je bent bewust van de kernzaken in je onderzoek en weet hoe je daar mee moet omgaan

4.1.5. hoeft geen compleet uitgewerkt ontwerp te zijn

4.1.6. een proposal is een argument voor je onderzoek

4.1.6.1. de logica achter het onderzoek verklaren

4.1.6.2. samenhang tussen verschillende onderdelen

4.1.6.2.1. waarom doe je wat je doet?

4.1.6.3. samenhangend voor de lezer

4.2. doel van proposal

4.2.1. "The purpose of a proposal is to explain and justify your proposed study to an audience of non-experts on your topic" (p.118)

4.2.1.1. 1. Uitleggen

4.2.1.1.1. je wil dat je lezers duidelijk begrijpen wat je van plan bent te gaan doen.

4.2.1.2. 2. Verdedigen

4.2.1.2.1. je wil dat je lezers ook begrijpen waarom je het onderzoek wilt doen.

4.2.1.3. 3. Onderzoeksproposal

4.2.1.3.1. Je proposal gaat puur en alleen over je onderzoek

4.2.1.4. 4. Non-experts

4.2.1.4.1. alles moet duidelijk zijn voor iemand die niet ingelezen is in het onderwerp

4.3. relatie tussen onderzoeksontwerp en proposal-argument

4.3.1. conceptueel kader

4.3.1.1. Locke et al.

4.3.1.1.1. 1. Wat weten of doen we al?

4.3.1.1.2. 2. Hoe relateert deze specifieke vraag aan bij wat we al weten of doen?

4.3.1.1.3. 3. Waarom deze specifiieke methodiek kiezen?

4.3.2. doelen

4.3.2.1. Przeworski & Salomon

4.3.2.1.1. 1. Wat gaan we leren als resultaat van het onderzoek dat we nu niet weten?

4.3.2.1.2. 2. Waarom is het waardevol om dit te weten?

4.3.2.1.3. 3. Hoe weten we dat de conclusies valide zullen zijn?

4.4. model proposal structuur (fig 7.2, p.122)

4.4.1. 1. Abstract

4.4.1.1. een 'roadmap'

4.4.1.2. verkort: het waarom van je onderzoek

4.4.2. 2. Introductie

4.4.2.1. doelen van onderzoek

4.4.2.2. welk probleem wordt opgelost

4.4.2.3. overzicht van je hoofdvragen

4.4.2.4. type onderzoek

4.4.3. 3. Conceptueel kader

4.4.3.1. twee functies

4.4.3.1.1. relatie bestaande theorie en onderzoek en hoe draagt jouw onderzoek daar aan bij.

4.4.3.1.2. theoretisch kader uitleggen dat de basis gaat worden van je onderzoek

4.4.3.2. geen samenvatting, maar verankeren in relevante bestaand theoretisch kader en onderzoek

4.4.3.3. relevantie

4.4.3.3.1. duidelijke verbinding ervaringen en standpunten

4.4.4. 4. Onderzoeksvragen

4.4.4.1. ter opheldering van

4.4.4.1.1. 1. hoe je vragen zich verhouden tot eerder onderzoek en theoretisch kader, je eigen ervaring en verkennend onderzoek en tot je doelen

4.4.4.1.2. 2. hoe deze vragen een samenhangend geheel worden, met een focus op klein aantal focusvragen

4.4.5. 5. Onderzoeksmethodiek

4.4.5.1. uitleggen en verantwoorden van de specifieke methodologische keuzes die je maakt

4.4.5.2. voor elke beslissing: duidelijk maken waarom dit een logische beslissing was.

4.4.5.3. Onderdelen methodologie

4.4.5.3.1. 1. Onderzoeksontwerp (typologisch)

4.4.5.3.2. 2. De onderzoeksrelatie met degene die je onderzoekt.

4.4.5.3.3. 3. Sampling van locatie en deelnemers

4.4.5.3.4. 4. Data verzameling

4.4.5.3.5. 5. Data-analyse

4.4.6. 6. Validiteit

4.4.6.1. Aparte sectie naast onderzoeksmethodologie

4.4.6.1.1. 1. Duidelijkheid

4.4.6.1.2. 2. Strategisch

4.4.6.2. Het gaat om bewustzijn van validiteitsbedreigingen, niet in het bieden van een waterdichte oplossing;

4.4.6.3. zorg voor ruimte voor alternatieve verklaringen en het testen van je conclusies

4.4.7. 7. Voorlopige resultaten

4.4.7.1. alleen als je al bent begonnen

4.4.8. 8. Conclusie

4.4.9. 9. Referenties

4.4.9.1. APA

4.4.10. 10. Appendixes

5. 03. Conceptual Framework. What Do You Think Is Going On?

5.1. conceptueel kader

5.1.1. systeem van concepten, aannames, verwachtingen, waarden en therorieen die je onderzoek ondersteunen en informeren

5.1.2. "explains, either graphically or in narative form, the main things to be studied - the key factors, concepts, or variables - and the presumed relationships among them" (p.33)

5.1.3. een 'voorlopige theorie' over het fenomeen dat je onderzoekt

5.1.3.1. om de rest van je onderzoeksontwerp te informeren

5.1.3.2. om je onderzoeksdoelen te toetsen en aan te scherpen

5.1.3.3. om realistische en relevante onderzoeksvragen te formuleren

5.1.3.4. toepasselijke methodes te selecteren

5.1.3.5. om potentiele validiteits bedreigingen op je conclusies te herkennen

5.1.4. het onderzoeksprobleem is deel van je conceptueel kader

5.1.5. het betreft NIET het eenvoudig samenvatten van een theoretische kennisbasis

5.1.5.1. 1. Leidt tot een smalle focus op 'de literatuur', waardoor je vergeet dat er andere bronnen zijn die net zo belangrijk of waardevoller zijn voor je onderzoek

5.1.5.1.1. vergeet je eigen inzichten en speculatieve gedachten niet.

5.1.5.2. 2. Heeft de neiging om een strategie op te leveren die gericht is op het 'dekken van het gebied', in plaats van een focus hebben op die onderdelen die relevant zijn voor jou onderzoek

5.1.5.3. 3. Het doet voor alsof de taak simpel een beschrijvend karakter heeft, terwijl het juist een kritische activiteit is

5.1.5.3.1. de literatuur is geen 'authoriteit' maar een bron van ideeen waar ook fouten in kunnen zitten

5.1.6. "the conceptual framework for your research study is something that is constructed, not found" (p.35)

5.2. Onderzoeksparadigma's

5.2.1. een van de beslissingen die je moet maken is het paradigma waarbinnen je gaat werken

5.2.1.1. 1. Er zijn verschillende paradigma's binnen kwalitaitief onderzoek

5.2.1.1.1. belangrijk om aan te geven welk paradigma jij gebruikt omdat het je helpt in het ontwikkelen van ontwerp beslissingen en om deze beslissingen te verantwoorden

5.2.1.2. 2. Je hoeft niet een enkel paradigma te adopteren, combineren is ook mogelijk

5.2.1.3. 3. De selectie van de paradigma is niet geheel een zaak van vrije wil

5.2.2. vier modules die je kunt gebruiken om een conceptueel kader te ontwerpen voor je onderzoek

5.2.2.1. 1. Je eigen experimentele kennis

5.2.2.1.1. de onderzoekers is zijn eigen onderzoeksinstrument

5.2.2.1.2. "Any view is a view from some perspective, and therefore is shaped by the location (social and theoretical) and 'lens' of the observer". (p.39)

5.2.2.1.3. memo's

5.2.2.2. 2. Bestaande theorie en onderzoek

5.2.2.2.1. niet alleen gepubliceerd werk, maar andermans theorieen en empirisch onderzoek in zijn totaliteit

5.2.2.2.2. 'theorie'

5.2.2.3. 3. Je pilot en verkennende onderzoek

5.2.2.3.1. pilots ontikkelen om je ideeen en methodiek te testen en hun implicaties te verkennen, of om grounded theory te ontwikkelen

5.2.2.3.2. een begrip te ontwikkelen van de concepten en theorieen die mensen die je onderzoekt hebben: hun interpretatie

5.2.2.4. 4. Gedachtenexperimenten

5.2.2.4.1. 'speculative model building'

5.2.2.4.2. dagen je uit om met plausibele verklaringen te komen voor observaties van jou en van anderen en om na te denken over hoe je deze verklaringen kunt ondersteunen of moet afwijzen.

5.2.2.4.3. verkennen de logische implicaties van je modellen, je aannames en verwachtingen van de zaken die je gaat onderzoeken

5.2.2.4.4. kunnen nieuwe theorieen opleveren of huidige theorieen testen op problemen

5.2.2.4.5. zorgen voor creativiteit en een gevoel van 'ontdekking'

5.2.2.4.6. maakt explicitiet wat je al weet

6. New node