The Practice of Social Research 12th edition (Babbie, 2010)

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
The Practice of Social Research 12th edition (Babbie, 2010) by Mind Map: The Practice of Social Research 12th edition (Babbie, 2010)

1. Part 2 The Structuring of Inquiry: Quantative & Qualitative

1.1. 04. Research Design

1.1.1. Drie doelen van sociaal onderzoek

1.1.1.1. 1. Verkenning

1.1.1.1.1. 1. De onderzoeker is nieuwsgierig en wil iets beter leren begrijpen

1.1.1.1.2. 2. Verkennen van de mogelijkheden om een meer intensiever onderzoek op te zetten

1.1.1.1.3. 3. Om een methodiek te ontwikkelen die toegepast kan worden in een vervolgonderzoek

1.1.1.1.4. Tekortkomingen

1.1.1.2. 2. Beschrijvend

1.1.1.2.1. vaak gekoppeld aan verklarend onderzoek

1.1.1.3. 3. Verklarend

1.1.1.3.1. "nomothetic explanation" (p.94) = onderzoekers zijn geintresseerd in een aantal factoren die een groot deel van de variaties in gebeurtenissen of situaties verklaren.

1.1.1.3.2. "idiographic explanation" (p.94) = onderzoekers zijn geintresseerd in alle factoren die de variaties in een bepaalde gebeurtenis of situatie verklaren

1.1.2. "Units of analysis"

1.1.2.1. Het 'wie' of 'wat' dat onderzocht wordt

1.1.2.1.1. Individuen

1.1.2.1.2. Groepen

1.1.2.1.3. Organisaties

1.1.2.1.4. Sociale interactie

1.1.2.1.5. Sociaal artefact/product

1.1.2.2. meestal ook de "units of observation"

1.1.2.3. Levert een beschrijving op van alle elementen en om verschillen tussen deze elemementen te verklaren

1.1.2.4. Foute redeneringen

1.1.2.4.1. "The ecological fallacy" of ecologische valkuil

1.1.2.4.2. Reductionisme

1.1.3. Factor "tijd" in ontwerp

1.1.3.1. cross-sectional study

1.1.3.1.1. momentopname van een sample, doorsnede, bevolking of fenomeen

1.1.3.1.2. Probleem is dat de conclusies uit een momentopname worden getrokken, maar als doel hebben om causale verbanden over een langere periode uit te leggen

1.1.3.2. longitudinal study

1.1.3.2.1. ontwerp voor observatie van eenzelfde fenomeen over een langere periode

1.1.3.2.2. data wordt verzameld op meerdere tijdsmomenten

1.1.3.2.3. Vaak tijdrovend en kostbaar, maar met duidelijke voordelen

1.1.4. "Traditional Image of Research Design" (p.114)

1.1.4.1. Begin met het afvragen van...

1.1.4.1.1. 1. Je interesse

1.1.4.1.2. 2. Je mogelijkheden

1.1.4.1.3. 3. Beschikbare middelen

1.1.5. Onderzoeksproposal (p.119-120)

1.1.5.1. basiselementen

1.1.5.1.1. 1. Probleem- en doelstelling

1.1.5.1.2. 2. Literatuur bespreking

1.1.5.1.3. 3. Onderzoeksobjecten

1.1.5.1.4. 4. Onderzoeksinstrument

1.1.5.1.5. 5. Dataverzameling methoden

1.1.5.1.6. 6. Data-analyse

1.1.5.1.7. 7. Planning

1.1.5.1.8. 8. Budget

1.1.5.2. "If you're going to invest your time and energy in such a project, you should do what you can to insure a return on that investment" (p.120)

1.2. 06. Indexes, Scales, and Typologies

1.2.1. "composite measures of variables"

1.2.1.1. Deze samenvatting is uit het Engels en betreft een onderwerp dat nog niet volledig wordt begrepen. Dit gedeelte van de mindmap dus kritisch benaderen, controleren en corrigeren/aanvullen.

1.2.1.2. Vaak gebruikt in kwantitatief onderzoek

1.2.1.2.1. 1. Onderzoekers willen vaak variabelen bestuderen die geen eenduidige of ondubbelzinnige enkele indicatoren kennen.

1.2.1.2.2. 2. Onderzoekers willen misschien een ordening aanmaken in verschillende categorien

1.2.1.2.3. 3. Indexen en schalen zijn efficiente instrumenten voor data-analyse

1.2.1.3. Index

1.2.1.3.1. Een type samengesteld meetinstrument dat specifieke observaties samenvat en in een bepaalde volgorde van grootte of belang plaatst en een representatie is van een algemenere dimensie.

1.2.1.4. Schaal

1.2.1.4.1. Een type samengesteld meetinstrument die bestaat uit meerdere items met een logische of empirisch onderbouwde structuur.

1.2.1.4.2. "Recall at this point that one of the chief functions of scaling is efficient data reduction. Scales provide a technique for presenting data in a summary form while maintaining as much of the original information as possible" (p.182).

1.2.1.5. Overeenkomsten index - schaal

1.2.1.5.1. Wij maken niet het onderscheid tussen index en schaal, noemen het schaal

1.2.1.5.2. ordinale metingen van variabelen

1.2.1.5.3. composite measures of variables = metingen gebaseerd op meer dan een data-item

1.2.1.6. Constructie van index

1.2.1.6.1. 1. Selecteren van de items

1.2.1.6.2. 2. Bestuderen van de empirische relaties

1.2.1.6.3. 3. Toekennen van scores aan de index

1.2.1.6.4. 4. Omgaan met ontbrekende data

1.2.1.6.5. 5. Index validatie

1.2.1.7. Constructie van een schaal

1.2.1.7.1. 1. Bogardus Social Distance Scale

1.2.1.7.2. 2. Thurstone Scales

1.2.1.7.3. 3. Likert Scaling

1.2.1.7.4. 4. Semantic Differential

1.2.1.7.5. 5. Guttman Scaling

1.2.1.8. Typologies

1.2.1.8.1. Classificering van observaties op basis van hun kenmerken van twee of meer variabelen

1.3. 09. Survey Research

1.3.1. Surveys zijn geschikt voor:

1.3.1.1. beschrijvende, verklarende- en verkennende doeleinden

1.3.1.2. individuen zijn analyse-eenheden

1.3.1.2.1. in ieder geval is de respondent een individu

1.3.1.3. geschikt voor het verkrijgen van data om een groep te beschrijven die te groot is om te observeren

1.3.1.3.1. zeer geschikt om meningen en houdingen binnen een grote populatie te meten

1.3.1.4. Sterke punten

1.3.1.4.1. 1. Handig om de karakteristieken van een grote populatie te beschrijven

1.3.1.4.2. 2. Door vragenlijsten is het mogelijk om grote samples te maken

1.3.1.4.3. 3. Surveys zijn flexibel in de zin dat je veel vragen kunt stellen over een onderwerp > geeft je flexibiliteit in data-analyse

1.3.1.4.4. 4. Mate van betrouwbaarheid in de zin dat je iedereen de zelfde vragen stelt en dat je dezelfde waarde geeft aandeel antwoorden van de respondenten.

1.3.1.5. Zwakke punten

1.3.1.5.1. 1. Standaardisatie leidt tot beperkingen

1.3.1.5.2. 2. Kan moeilijk omgaan met de context van het sociale leven

1.3.1.5.3. 3. Surveys zijn niet flexibel in de zin dat ze in de periode van afname onveranderd moeten blijven.

1.3.1.5.4. 4. Kunstmatig verkrijgen van antwoorden

1.3.1.5.5. "Survey research is generally weak on validity and strong onnreliability" (p .288)

1.3.2. Vragenlijsten

1.3.2.1. specifiek ontworpen om informatie te verkrijgen die nuttig is voor de analyse

1.3.2.1.1. bestaan vaak uit vragen en stellingen: geeft je meer flexibiliteit in het ontwerp en maakt de vragenlijst interessanter.

1.3.2.1.2. moeten zo ontworpen zijn dat de respondent exact weet wat de onderzoeker vraagt

1.3.2.1.3. Respondenten moeten wel antwoord 'willen' geven > anonimiteit kan helpen

1.3.2.1.4. Vragen moeten relevant zijn voor de respondenten

1.3.2.1.5. Korte en duidelijke items

1.3.2.1.6. Voorkom bias en sociaal wenselijke antwoorden

1.3.2.2. Open vragen

1.3.2.2.1. de respondent vult zelf het antwoord in

1.3.2.2.2. antwoorden moeten gecodeerd worden voor computer-analyse

1.3.2.3. Gesloten vragen

1.3.2.3.1. de respondent selecteert antwoordmogelijkheid uit een door de onderzoeker opgestelde lijst

1.3.2.3.2. leidt tot betere uniformiteit van antwoorden en is beter voor computer-analyse

1.3.3. Ontwikkelen van vragenlijsten

1.3.3.1. Algemene format voor vragenlijst

1.3.3.1.1. Duidelijke lay-out en overzichtelijk

1.3.3.2. Formats voor respondenten

1.3.3.2.1. Contingency questions

1.3.3.2.2. Matrix-vragen

1.3.3.2.3. Volgorde van vragen

1.3.3.2.4. Instructies

1.3.3.2.5. Pre-test

1.3.4. Typen vragenlijsten

1.3.4.1. 1. Vragenlijsten om zelf in te vullen

1.3.4.1.1. als onderzoekers de vragenlijsten zelf uitdelen en/of ophalen is de kans dat de vragenlijst compleet wordt ingevuld groter

1.3.4.1.2. houdt bij wanneer je de vragenlijsten terug krijgt

1.3.4.1.3. response rate

1.3.4.1.4. Vaak geschikt voor gevoelige onderwerpen waar anonimiteit van vragenlijst een voordeel is > mensen eerder geneigd eerlijk te antwoorden

1.3.4.2. 2. Vragenlijsten afgenomen door interviewers

1.3.4.2.1. voordelen

1.3.4.2.2. De interviewer moet een neutraal medium zijn waardoor vragen en antwoorden uitgezonden worden.

1.3.4.2.3. Handvatten voor afnemen interviews

1.3.4.2.4. Minder geschikt voor gevoelige onderwerpen, beter voor complexere onderwerpen

1.3.4.3. 3. Vragenlijsten afgenomen via de telefoon

1.3.4.3.1. random digit dialing

1.3.4.3.2. invloed van mobiele telefoon

1.3.4.3.3. de afstand zorgt er voor dat respondenten eerlijker antwoorden, eerder geneigd zijn om niet sociaal wenselijk te antwoorden

1.3.4.4. 4. Online vragenlijsten

1.3.4.4.1. nieuwste trend

1.3.4.4.2. vraagstuk van representiviteit: zijn de mensen die benadert worden via het web een representatieve steekproef van de gehele populatie?

1.3.4.4.3. Niet iedereen kan worden bereikt via internet (wordt natuurlijk steeds minder) of voelt zich comfortabel om online een vragenlijst in te voeren.

1.3.4.4.4. Do's en don'ts voor het afnemen van online surveys (pp 284-285)

1.3.4.4.5. Online surveys hebben ongeveer dezelfde response rates vergelijkbaar met die van vragenlijsten per post

1.3.5. Secondary analysis

1.3.5.1. Een vorm van onderzoek waarbij de data die verzameld is door een andere onderzoeker nog een keer geanalyseerd wordt door een andere onderzoeker voor andere doeleinden

1.3.5.2. Voordelen

1.3.5.2.1. 1. Goedkoper en sneller

1.3.5.2.2. 2. Voordeel van werk top professionals (afhankelijk van de persoon)

1.3.5.2.3. 3. Versterkt mogelijkheid voor meta-analyse

1.3.5.3. Nadelen

1.3.5.3.1. Is de vragenlijst of de antwoorden valide genoeg voor het onderzoek dat jij doet?

2. Part 1 An Introduction to Inquiry

2.1. 01. Human Inquiry and Science

2.1.1. Het onderzoeksproposal (p. 27)

2.1.1.1. 1. Introductie (Ch. 1)

2.1.1.2. 2. Literatuur bespreking (Ch. 2, 17; Appendix A.

2.1.1.3. 3. Probleembeschrijving en onderzoeksvragen (Ch. 5, 6 en 12)

2.1.1.4. 4. Onderzoeksontwerp (Ch. 4)

2.1.1.4.1. a. Dataverzameling (Ch. 4, 8, 9 10 en 11)

2.1.1.4.2. b. Sampling (Ch. 7)

2.1.1.4.3. c. Ethische kwesties (Ch. 7)

2.1.1.5. 5. Data-analyse (Ch. 13, 14, 15, 16)

2.1.1.6. 6. Referenties (Ch. 17, Appendix A)

3. Part 3 Modes of Observation: Quantitavive and Qualitative

3.1. 10. Qualitative Field Research

3.1.1. Veldwerk

3.1.1.1. kwalitatieve data = observaties die niet zo makkelijk terug kunnen worden gebracht naar cijfers

3.1.1.2. Veldwerk niet alleen data-verzameling activiteit, maar ook theorie-creerende activiteit

3.1.1.3. met name geschikt voor onderzoek naar attitudes en gedragingen die het beste kunnen worden begrepen in hun natuurlijke context

3.1.1.3.1. experimenten en surveys zijn toch wat kunstmatig

3.1.1.3.2. Geschikt voor veldwerk:

3.1.1.3.3. directe observaties leveren subtiele data op die misschien onverwacht waren of op een andere manier niet konden worden verzameld

3.1.1.4. niet verwarren met journalistiek

3.1.1.4.1. een interview is voor een onderzoek data die verder geanalyseerd moet worden om de werkelijkheid beter te begrijpen

3.1.2. De rollen van de observant

3.1.2.1. 'field researchers' hoeven niet altijd deel te nemen aan de activiteit dat onderzocht wordt, hoewel ze het meestal wel gelijk onderzoeken als de activiteit plaatsvindt.

3.1.2.2. continuum complete participant - complete observant

3.1.2.2.1. participeren

3.1.2.2.2. observeren

3.1.2.3. je kan ook afwisselen in de tijd die je besteed in de setting die wordt onderzocht

3.1.2.4. je kan ook je aandacht focussen op een beperkt aspect, en je rol hier op aanpassen

3.1.2.5. verschillende situaties vragen uiteindelijk verschillende rollen van de onderzoeker

3.1.2.5.1. in het nemen van beslissingen laat je je leiden door zowel methodologische en ethische overwegingen

3.1.3. Relaties met je onderzoeksobjecten

3.1.3.1. objectiviteit

3.1.3.1.1. 'etic perspective'

3.1.3.2. onderdompeling

3.1.3.2.1. 'selective competence'

3.1.3.2.2. 'insider knowledge, skill, or understanding'

3.1.3.2.3. (gedeeltelijk-) adopteren van de 'beliefs' van de onderzoeksobjecten

3.1.3.2.4. je verliest de mogelijkheid om het fenomeen te zien en te begrijpen via referentiekaders die niet beschikbaar zijn voor je onderzoeksobjecten

3.1.3.2.5. 'emic perspective'

3.1.3.3. ook als je de relatie met je onderzoeksobjecten niet comfortabel vindt, is het het waard om door te gaan met bijv. een interview. Door je zelf te dwingen om uit te zoeken waar dat gevoel vandaan komt, leer je misschien wel meer over je onderzoeksobjecten, dan als je je had beperkt tot de 'makkelijke' onderzoeksobjecten

3.1.4. Paradigma's

3.1.4.1. Naturalisme

3.1.4.1.1. een veldwerk benadering gebaseerd op de aanname dat er een objectieve sociale realiteit bestaat en dat je deze accuraat kunt observeren en rapporteren

3.1.4.1.2. "Chigago School"

3.1.4.1.3. etnography

3.1.4.2. Ethnomethodologie

3.1.4.2.1. Een benadering van het onderzoeken van het sociale leven met een focus op de ontdekking van impliciete, niet uitgesproken aannames en overeenstemmingen

3.1.4.2.2. "People describe their world not 'as it is' but 'as they make sense of it'" (p.306)

3.1.4.3. Grounded theory

3.1.4.3.1. het vormen van theorieen door het continu vergelijken en analyseren van patronen, thema's en categorieen in de geobserveerde data

3.1.4.3.2. combinatie van naturalistische benadering en een onderzoeksmatige systematische aanpak

3.1.4.3.3. Strauss & Corbin (1998, pp 43-46)

3.1.4.3.4. "...grounded theorists are quite open to the use of qualitative studies in conjunction with quantitative ones" (p.308)

3.1.4.4. Case studies

3.1.4.4.1. een in-depth onderzoek van een enkel verschijnsel van een sociaal fenomeen

3.1.4.4.2. extended case method

3.1.4.4.3. nadeel = beperkte generaliseerbaarheid

3.1.4.5. Institutionele ethnography

3.1.4.5.1. persoonlijke ervaringen van individuen worden gebruikt om relaties en andere karakteristieken te ontdekken binnen instituten waar deze individuen opereren

3.1.4.5.2. Dorothy Smith

3.1.4.5.3. "This approach links the 'microlevel' of everyday personal experiences with the macrolevel of institutions" (p.312)

3.1.4.6. Participatory Action Research (PAR))

3.1.4.6.1. een benadering waarin je de mensen die je onderzoekt controle geeft over het doel en de procedure van het onderzoek

3.1.5. Uitvoeren kwalitatief veldonderzoek

3.1.5.1. Rapport

3.1.5.1.1. Een open en vertrouwelijke relatie, zeer belangrijk in kwalitatief onderzoek tussen onderzoekers en de personen die worden onderzocht.

3.1.5.2. Kwalitatief interviewen

3.1.5.2.1. Ontwerp = flexibel, iteratief, continu

3.1.5.2.2. Interactie tussen interviewer en respondent waar de interviewer een leidraad heeft van thema's die besproken moeten worden ipv een vastgestelde vragenlijst.

3.1.5.2.3. "... the interviewer as a "miner" or as a "traveler". (p.320)

3.1.5.2.4. "Be more interested than interesting". (p.320)

3.1.5.2.5. Onderzoekers moeten niet vergeten dat ze geen normaal gesprek voeren.

3.1.5.2.6. Interviewproces (Kvale, 1996)

3.1.5.3. Focus groepen

3.1.5.3.1. Een groep van subjecten die samen geïnterviewd worden, een discussie uitlokkend.

3.1.5.3.2. Voordelen

3.1.5.3.3. Nadelen

3.1.5.4. Opnames van observatie

3.1.5.4.1. In je aantekeningen zowel empirische observaties als je interpretaties van deze observaties opnemen.

3.1.5.5. Sterkte punten kwalitatief veldonderzoek

3.1.5.5.1. 1. Voor het onderzoeken van subtiele nuances in houdingen en gedragingen en om processen over een langere tijd de bestuderen

3.1.5.5.2. 2. Flexibiliteit

3.1.5.5.3. 3. Relatief goedkoop

3.1.5.5.4. 4. Validiteit

3.1.5.6. Zwakke punten kwalitatief veldonderzoek

3.1.5.6.1. Het is niet kwantitatief: het is dus niet de manier om iets statistisch te kunnen zeggen over een grote populatie

3.1.5.6.2. 2. Betrouwbaarheid

4. Part 4 Analysis of Data: Quantitative and Qualitative

4.1. 13. Qualitative Data Analysis (tot p. 406)

4.1.1. kwalitatieve analyse

4.1.1.1. de niet cijfermatige bestudering en interpretatie van observaties met als doel het ontdekken van onderliggende betekenissen en patronen in relaties

4.1.2. ontdekken van patronen

4.1.2.1. Lofland et al (2006): 6 verschillende manieren om naar patronen te kijken tijdens onderzoek

4.1.2.1.1. 1. Frequenties

4.1.2.1.2. 2. Magnitude/sterkte

4.1.2.1.3. 3. Structuren

4.1.2.1.4. 4. Processen

4.1.2.1.5. 5. Oorzaken

4.1.2.1.6. 6. Consequenties

4.1.2.2. cross-case analyse

4.1.2.2.1. een analyse dat het bestuderen van meer dan een casus inhoud

4.1.2.3. grounded theory method (GTM)

4.1.2.3.1. een inductieve benadering waar theorieen alleen ontstaan door het bestuderen van data in plaats van deductief verkregen

4.1.2.3.2. Glaser & Strauss (1967)

4.1.2.3.3. constant comparative method

4.1.2.4. semiotiek

4.1.2.4.1. het bestuderen van symbolen en hun geassocieerde betekenis

4.1.2.4.2. de zoektocht naar de betekenis die bewust of onbewust geassocieerd worden met symbolen

4.1.2.5. conversation analysis (CA)

4.1.2.5.1. een zeer nauwkeurige analyse van de details van een gesprek, gebaseerd op een volledig transscript inclusief pauzes, 'umhm's', etc.

4.1.2.5.2. Silverman (1999): drie fundamentele aannames

4.1.3. kwalitatieve dataverwerking

4.1.3.1. coderen

4.1.3.1.1. classificeren of categoriseren van losse stukjes data gekoppeld aan een database

4.1.3.1.2. met als doel het ontdekken van patronen in de data

4.1.3.1.3. voor statistische analyse is het van belang om een gestandaardiseerde analyse eenheid te identificeren voor je gaat coderen

4.1.3.1.4. voor kwalitatieve analyse is het het concept dat de organiserende principe achter kwalitiatief coderen is

4.1.3.1.5. coderingen

4.1.3.1.6. elke eenheid kan meer dan een code hebben en er kan ook sprake zijn van een hierarchische code

4.1.3.2. memo's

4.1.3.2.1. 1. code notes

4.1.3.2.2. 2. theoretische memo's

4.1.3.2.3. 3. operationele memo's

4.1.3.3. concept mapping

4.1.3.3.1. de grafische representatie van concepten en hun interrelaties, nuttig bij het formuleren van een theorie