Sociolinguïstiek en Pragmatiek Sociolinguïstiek: de rol van taal in interactie/communicatie. Pr...

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Sociolinguïstiek en Pragmatiek Sociolinguïstiek: de rol van taal in interactie/communicatie. Pragmatiek: met gewone taal 'doe' je dingen (op een systematische manier). by Mind Map: Sociolinguïstiek en Pragmatiek  Sociolinguïstiek: de rol van taal in interactie/communicatie.  Pragmatiek: met gewone taal 'doe' je dingen (op een systematische manier).

1. Thema 1 - Taalvariatie Er is nooit sprake van 'de' taal in een bepaald gebied.

1.1. Dialect of taal? Streektaal? Variëteit? Emoties rondom begrippen, vaak bepalend voor de status die mensen eraan koppelen.

1.1.1. hyperdialect

1.1.1.1. Relatie tot jongerentaal. (TC hst. 16).

1.2. Verschillende taalvariëteiten: de praktische term om gevoelskwesties rondom begrippen te vermijden.

1.2.1. sociolect

1.2.2. idiolect

1.2.3. regiolect

1.2.3.1. Noorderlands

1.2.4. etnolect

1.2.5. genderlect

1.2.5.1. Poldernederlands

1.3. Taalvariatie per plek verschillend (in meer of mindere mate).

1.3.1. dialectcontinuüm

1.3.1.1. Dus nooit goed vast te stellen hoeveel dialecten bv. Nederland kent. (TC hst. 15).

1.3.2. isoglosse + isoglossebundel

1.4. Bij taalvariatie automatisch minderheidstalen.

1.4.1. allochtone

1.4.2. autochtone

1.5. Communicatie in verschillende talen lastig als mensen elkaars taal niet spreken: lingua franca kan een oplossing zijn.

1.6. Sociale factoren die meespelen in taalvariatie: sekse en leeftijd. Niet alle mensen gebruiken in dezelfde mate 'vernieuwingen' in de taal.

2. Thema 2 - Standaardisering Binnen taalgebruikers is er vaak een bepaalde standaard: een gemeenschappelijke taal. Hoe komt zo'n gezamenlijke taal nou vanuit al die variaties tot stand?

2.1. Standaardnederlands: zie ook thema 4 (Taalverandering)

2.2. Fases om vanuit een hoeveelheid talen te komen tot een standaardtaal: model van Haugen, aangevuld door Jonkman en Wolf.

2.2.1. Toepassen op het Standaardnederlands en op het Fries.

2.2.1.1. Verschil Standaardfries en omgangstalig Fries.

2.2.1.2. Andere talen in Friesland.

2.2.2. Toepassen op het Nedersaksisch.

2.3. Jongerentaal: bewust spelen met 'afwijkingen' van de standaard, van de norm. Variatie aan begrippen: straattaal, Murks, sms-taal, chattaal, etc.

2.3.1. Uitspraak: Murks.

2.3.2. Schrijven: informatie artikel 'Om vet gaaf op te kicken'.

2.3.2.1. Lexicale veranderingen.

2.3.2.2. Orthografische veranderingen.

2.3.3. Register: wat is passend in welke situatie? Spreek/schrijf je formeel of informeel? Jongerentaal is dus ook een bepaald (informeel) register: de 'toon' van je taal.

2.3.4. Begrip 'straattaal' is geen handige term, hierbij vier problemen genoemd door Cornips & De Rooij.

2.3.5. Jongerentaal na de Tweede Wereldoorlog in opkomst.

3. Thema 3 - Taalhouding en taalgedrag Taal is het visitekaartje dat je afgeeft, bewust of onbewust. Het is ook voor de ontvanger een middel om sprekers/schrijvers in te delen in een bepaalde klasse. Hierdoor hebben mensen dus verschillende taalhoudingen en laten ze daarnaast verschillende vormen van taalgedrag zien.

3.1. Accommodatie: veel mensen vinden het belangrijk om zich aan te passen aan de spreeksituatie. Bv. lingua franca: vaak kiezen mensen voor een gezamenlijke 'brugtaal' als ze beiden een andere taal beheersen.

3.1.1. Labov: onderzoek naar Martha's Vineyard. Eilandbewoners gebruiken taal op een bepaalde manier om zich te onderscheiden van toeristen: juist geen accommodatie.

3.2. Purisme: sommige mensen willen zo min mogelijk 'vreemde smetten' in hun taal. Bv. Vlamingen die 'slazwierder' gebruiken voor 'slacentrifuge', om zo het Frans te vermijden.

3.3. Distantiëring: lijkt wat op purisme, maar hierbij kiezen mensen bewust voor de vorm die verder afstaat van de concurrerende taal. Bv. Fries: voor het woord 'misschien' zijn twee mogelijkheden: 'misskien' en 'faaks'. Bij distantiëring gebruiken mensen 'faaks', omdat dat het verste afstaat van het Nederlands. (Overigens is 'misskien' ook keurig Fries.)

3.4. Diglossie: bij een tweetalige situatie gaan mensen vaak verschillend met beide talen om. Ze zijn namelijk niet zomaar door elkaar te gebruiken in elke situatie. Vaak de ene variëteit voor formele situaties en vaak de andere variëteit voor informele situaties. Taalvariëteiten verschillen dus in de prestige die mensen eraan toekennen. Dus: een bijzondere vorm van een tweetalige situatie in een bepaald taalgebied.

3.5. Codewisseling/codeswitching: tijdens het praten in een taal wissel je naar een andere taal. Kan op woordniveau of in grotere eenheden. Let op: dit is niet helemaal hetzelfde als diglossie, want daar wordt afgewisseld tussen bepaalde talen in verschillende 'domeinen' (onderwijs, overheid, familie, vrienden, etc.). Tegelijk is er natuurlijk wel een verschil tussen gebruiksmogelijkheden: bepaalde vormen van codewisseling passen niet een bepaald register (anders is het echt überawkward, weet je).

3.5.1. Op woordniveau is er dus sprake van leenwoorden.

3.5.2. Ook: leensamenstellingen en leenvertalingen.

3.6. Status: de taal die je gebruikt verschaft je bepaald aanzien. Dit is verschillend per situatie: je zult altijd variëren in registers die je hanteert. Bourdieu: socioloog die verschillende vormen van kapitaal heeft onderscheiden, naast het bezit van geld en goederen. Je taalgebruik speelt een grote rol in die vormen van kapitaal die je bezit en/of kunt verwerven.

3.6.1. Cultureel kapitaal.

3.6.2. Sociaal kapitaal.

3.6.3. Symbolisch kapitaal.

3.7. Soms willen mensen te hard hun best doen om het 'goed' te doen: hypercorrectie. Bv. Een koppie koffie: 'koppie' wordt geassocieerd met lagere klasse, dus dat wordt 'kopje', Als je dit te fanatiek doorvoert, wordt 'koffie' ook 'kofje'.

3.8. Meertaligheid.

3.8.1. Interferentie: de ene taal beïnvloedt de andere taal. Bv. In het Engels heb je geen andere werkwoordsvolgorde in de bijzinnen, in het Nederlands wel. Als een Engelsman zegt: 'Ik kan niet komen, omdat ik heb een andere afspraak.', dan is er interferentie vanuit het Engels zichtbaar in het Nederlands.

3.8.2. Theorie van Cummins: kinderen juist in de moedertaal opvoeden en niet in het Nederlands.

3.8.2.1. Geen taalachterstand door meertaligheid bij taalontwikkeling. Voor- en nadelen genoemd in hst. 3 TC.

3.8.3. Situatie van het Fries, TC hst. 41.

4. Thema 4 - Taalverandering Taal blijft altijd in beweging, er is nooit een vaste situatie. Bij dit thema spelen de volgende invalshoeken een rol: a. Hoe ontstaat een taal en hoe kan een taal tot zijn einde komen? b. Hoe verspreiden taalveranderingen zich door een grote populatie taalgebruikers? c. Welke taalveranderingen hebben ervoor gezorgd dat we vandaag de dag 'ons' Nederlands spreken en schrijven zoals het er nu uitziet? (In vogelvlucht.) d. Hoe kun je door een historische bril kijken naar taalveranderingen?

4.1. a. De meeste talen ontstaan vanuit een doorlopende ontwikkeling. Bv. in heel grove stappen: Latijn wordt 'vulgair' Latijn (volkstaal, niet alleen literatuur en poëzie) wordt Romaans wordt Italiaans. Soms houdt een taal op te bestaan: - taaldood: sprekers sterven uit Begrippen genoemd op college, maar geen tentamenstof: - taalverlies: mindere beheersing door sprekers (individueel) - taalerosie: taal 'slijt' af door omringende andere taal - taalzelfmoord: sprekers nemen steeds meer eigenschappen van een andere taal over, waardoor de eigen taal 'oplost' in de andere taal. Bv. Westfries lijkt nu niet meer op het gewone Fries, maar meer op het Hollands. (Zie ook hst. 32 TC.) Soms wordt een taal geboren: taalgenese (pidgin + creool).

4.2. b. De taal die iemand spreekt verandert tijdens het leven van de spreker. Let op: twee begrippen die op twee verschillende manieren worden gebruikt. - Verandering van boven: bewust en verandering van onderen: onbewust. of - Verandering van boven: vanuit hogere sociaal-economische klasse en verandering van onderen vanuit lagere klasse.

4.3. c. Ontwikkeling vanuit Proto-Indoeuropees naar Oergermaans naar Germaans naar 'het Nederlands'. Er moet een bepaalde norm zijn waarop we ons baseren als we bepaalde taalveranderingen goed- of afkeuren. Belangrijk moment: 17e eeuw Christiaen van Heule, met een boek over taalregels voor 'goed' Nederlands. Het Standaardnederlands is vanuit een bepaald doorlopend proces ontstaan: ooit sprak iedereen zijn eigen streektaal, nu hebben we duidelijk een standaardtaal die alle fases van het model van Haugen, Jonkman en Wolf heeft doorlopen. Mijlpaal in die standaardisatie van het Nederlands: de Statenbijbel. - Reformatie: mensen moesten bijbel in hun eigen taal kunnen lezen, tot die tijd afhankelijk van katholieke geestelijken die wel het Latijn kenden waarin tot dat moment de bijbel werd gelezen. - Synode gaf opdracht tot een algemeen bruikbaar boek. - Compromis tussen de verschillende taalgebieden: Zuid-Nederland, Friesland, Holland en Zeeland. (Nedersaksisch gebied mist!) - Al direct verouderd bij het uitkomen: grote wens om gedragen taal te gebruiken voor het woord Gods. Hierdoor grote kloof schrijftaal en spreektaal (tot eind 19e eeuw). - Door wens om beeldspraak uit de oorspronkelijke talen te behouden grote bijdrage aan het figuurlijk taalgebruik in het Nederlands. Let op: de schrijftaal was al eerder gestandaardiseerd dan de spreektaal. De Standaardnederlandse spreektaal werd pas gemeengoed na de Tweede Wereldoorlog!

4.3.1. Door politieke omstandigheden een economische bloei. In de steden kregen sommige mensen grote rijkdom. Stadsdialecten in opkomst in 17e eeuw: uitspraak gaf het verschil aan tussen hogere en lagere klasse. --> Dus een norm voor de spreektaal.

4.3.1.1. Door norm spreektaal ineens lastig dat er zo'n grote kloof tussen spreektaal en schrijftaal was. - Het onderwijs gebruikte een soort archaïsch Nederlands als spreektaal, terwijl de mensen thuis dialect spraken. - Hierdoor behoefte aan een gestandaardiseerde spreektaal.

4.3.1.2. Vanaf 19e eeuw werd kloof spreektaal-schrijftaal veel kleiner (o.a. te zien in het werk van Multituli).

4.3.2. Ontwikkelingen 17e + 18e eeuw: - persoonlijke voornaamwoorden - taalpurisme en leenwoorden

4.3.3. Frans vs. Nederlands: enerzijds pogingen tot purisme, anderzijds grote invloed van het Frans op het Nederlands, omdat de elite Frans sprak.

4.3.4. Van Heule (en consorten): het Nederlands moest net zo'n 'rijke' taal worden als het Grieks en Latijn, dus veel naamvallen. (Maar het Nederlands leent zich niet zo goed voor die naamvallen, omdat het woordgeslacht niet altijd duidelijk voelbaar is in de taal.) --> Hierdoor het verschil tussen 'hen' en 'hun'.

4.3.4.1. Later weer minder geworden: voorzetsels hebben de rol van naamvallen overgenomen. (Zie hst. 5 HVVET). - Van Lennep: genitief nauwelijks meer gebruikt. - De reizigers wordt verzocht/de reizigers worden verzocht: het meewerkend voorwerp verdwijnt.

4.3.5. In 19e en 20e eeuw kreeg het Engels invloed op het Nederlands.

4.3.6. Na Tweede Wereldoorlog werd taal informeler.

4.4. d. Bij historische taalwetenschap kun je kijken naar fonologische, morfologische, lexicale en pragmatische veranderingen. In dit rijtje uit T&TW mist nog de categorie 'semantische veranderingen': er zijn natuurlijk ook veel woorden die van betekenis zijn veranderd. (Bv. 'wijf' was vroeger een neutraal woord, nu heeft een negatieve bijklank gekregen.)

4.4.1. Diachrone analyse: bronnen van verschillende leeftijden met elkaar vergelijken. Bijvoorbeeld sprekers van verschillende leeftijden of geschreven bronnen van verschillende jaartallen met elkaar vergelijken. (Diachroon = 'door de tijd heen'.)

4.4.2. Synchrone analyse: op een vast moment kijk je naar bepaalde taalverschijnselen. In het Nederlands was er ooit alleen een dubbele ontkenning, daarna was er een mengvorm en uiteindelijk hebben we in de standaardtaal alleen een enkele ontkenning overgehouden: stadium I: vorm X en…niet stadium II: vorm X + Y en…niet, niet stadium III: vorm Y niet

4.4.3. Engelsen kunnen geen 'u' zeggen. (hst. 21 TC)

4.4.4. Pragmatische verandering woordje 'terwijl': conventionalisering.(hst. 48 TC)

5. Thema 6 - Minderheidstalen Veel minderheidstalen hebben geen officiële regels: mensen gebruiken hun minderheidstaal wel of niet op grond van taalhouding en taalgedrag. Minderheidstalen worden soms beschermd door wetgeving. In Nederland nog geen strenge taalwetgeving, alleen wat steun vanuit Europa. Geen sancties als Nederland zich hier niet aan houdt. In Nederland is er dus geen sprake van een sterke taalpolitiek.

5.1. Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden. (Zie De Taalcanon hst. 41).

5.1.1. Fries: deel 3. (Nederland verplicht tot concrete maatregelen ter bevordering.)

5.1.2. Nedersaksisch + Limburgs: deel 2. (Nederland mag niet discrimineren, heel algemeen.)

5.1.3. Zeeuws: wil graag erkenning, maar tot nu toe nog niet gekregen.

6. Thema 5 - Pragmatiek Met taal 'doen' we dingen, we verrichten taalhandelingen. Opvallend: vaak bedoelen we niet wat we letterlijk zeggen. Dit lijkt heel erg onsystematisch, maar hierbij gelden juist heel duidelijke wetmatigheden. Grondlegger: Harvey Sacks, keek als eerste naar transcripten van spontane spraak. Opvallend: spontane spraak lijkt erg chaotisch, maar toch verloopt het volgens vaste patronen. Deze patronen zijn bv. goed zichtbaar in de wijze waarop sprekers problemen proberen op te lossen (repair).

6.1. Coöperatieprincipe: - Paul Grice. - Uitgangspunt: we willen altijd samenwerken om de communicatie zinvol te maken. Zelfs als iets op het eerste gezicht niks te maken lijkt te hebben met het gesprek, kunnen we toch 'tussen de regels doorlezen'. = implicatuur. We moeten inferenties maken. - Gebaseerd op vier maximes (aannames), waar alle (gewone) taalgebruikers zich aan houden in de interactie. Mensen met bepaalde stoornissen kunnen dit soms niet goed. Ook jonge kinderen moeten dit nog leren.

6.1.1. Maxime van relevantie.

6.1.2. Maxime van kwantiteit.

6.1.3. Maxime van kwaliteit.

6.1.4. Maxime van stijl. (Te verbinden aan pragmatische gepastheid: wat hoort?)

6.1.5. Ellips: we laten vaak dingen weg in een zin als ze al eerder genoemd zijn (praktisch, want economisch). Door uit te gaan van het coöperatieprincipe kunnen we toch prima communiceren met incomplete uitingen.

6.2. Gespreksopening: manier om een gesprek te starten. Eerste deel van een opeenvolgend paar, hierdoor duidelijk dat er sprake moet zijn van beurtwisseling: het is niet compleet als de ander zijn (logische) bijdrage niet heeft geleverd. Gespreksafsluiting: manieren om duidelijk te maken dat er geen nieuwe bijdragen meer komen.

6.3. Beurtwisseling: gesprekken lijken chaotisch, maar er zijn veel vaste patronen aan te wijzen in de manier waarop we praten met andere mensen. Zelfs al praten we even door elkaar, dan nog lossen gespreksdeelnemers dat (doorgaans) keurig en gemakkelijk op. Non-verbale communicatie is een belangrijke factor bij beurtwisseling. Prosodie geeft ook veel informatie.

6.3.1. Opeenvolgend paar (sequentie): bepaalde bijdragen vragen om een vervolg van de ander. vraag + antwoord, groet + wedergroet, excuses + aanvaarding (of afwimpelen), etc.

6.3.1.1. Ook mogelijk: presequentie. Dus een opeenvolgend paar voorafgaand aan een opeenvolgend paar. A: 'Mag ik u wat vragen?' B: 'Ja natuurlijk.' A. 'Weet u waar een pinautomaat is?' B: 'Ja, bij de volgende hoek rechtsaf en dan een eindje doorlopen.' (Een vraag-antwoordpaar gaat vooraf aan een vraag-antwoordpaar.)

6.4. Taalhandeling: de dingen die we doen met taal. Bijvoorbeeld iets vragen, iemand bedreigen, iemand afwijzen, etc.

6.4.1. Directe taalhandeling: wat je zegt (locutie) is hetzelfde als wat je bedoelt (illocutie). Bv. Spreker A: 'Wil je het raam even dichtdoen? Spreker B: 'Ja, natuurlijk.' Hiermee heeft spreker A bereikt wat hij wilde: de perlocutie van zijn taalhandeling is dus dat het raam dicht moet.

6.4.2. Indirecte taalhandeling: je zegt het een, maar je bedoelt het andere. Locutie en illocutie zijn hierbij dus verschillend. Bv. Spreker A: 'Nou jeetje, het is best wel fris hier met dat open raam, hopelijk word ik niet verkouden.' Spreker B: 'Ik doe hem wel even dicht.' (Mededeling verpakt als verzoek). Ander voorbeeld. Spreker A: 'Jij houdt toch niet van kietelen?' Spreker B: 'Oké, oké, ik zal wel koffie zetten.' (Bedreiging verpakt als vraag.)

6.4.3. Performatieve werkwoorden: werkwoorden waarbij locutie, illocutie en perlocutie helemaal hetzelfde zijn. 'Ik waarschuw je om niet verder te zeuren.' Het woord 'waarschuwen' is al een waarschuwing op zichzelf. Ook: beloven, dopen, verklaren, etc.

6.4.3.1. Voorwaarde bij performatieve werkwoorden: geslaagdheidsvoorwaarden. - Bij 'dreigen' moet datgene waarmee je dreigt niet leuk zijn voor de spreker. - Bij 'beloven' net andersom. - Bij 'arresteren' moet de spreker de bevoegdheid hebben om daadwerkelijk iemand te kunnen arresteren.

6.4.4. Verzoeken: vaak heel omslachtig vormgegeven. Maar zelden zegt iemand waar het op staat: 'Wil jij even koffie zetten?' wordt vaak 'Nu je toch naar de keuken loopt, wil je dan ook even koffie zetten?'. Waarom zo moeilijk? We houden rekening met gezichtsverlies. Letterlijk: face keeping. Er zijn twee soorten 'gezicht' dat we willen behouden en dus twee soorten beleefdheid. - Positief: gericht op goede onderlinge verhoudingen. - Negatief: gericht op autonomie van de ander. --> Penelope Brown & Stephen Levinson.

6.4.4.1. Geprefereerde reactie: weinig extra moeite als iemand zegt wat de ander graag wil horen. Gedisprefereerde reactie: als de reactie niet overeenstemt met de verwachtingen van iemand, dan zal de ander extra werk verrichten om dit te 'verzachten'.

6.5. Samenhang: cohesie en coherentie. We hebben immers samenhang nodig om te volgen waarover we spreken. Hiervoor gebruiken we vier middelen: a. anaforische verwijzing b. ellips (zie coöperatieprincipe) c. herhaling d. parafrase Zo ontstaat er een rode draad in de discourse (gesproken of geschreven tekst).