Aspergersyndroom

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Aspergersyndroom by Mind Map: Aspergersyndroom

1. Opgaan in intense interesses

1.1. Intense preoccupaties

1.1.1. verzamelwoede

1.1.1.1. kennis over uiteenlopende onderwerpen

1.1.1.2. postzegels

1.1.1.3. ongebruikelijke soorten objecten

1.1.2. kenmerkend: intense bezighouding

1.2. Interesse

1.2.1. typerend: overzicht ontbreekt

1.2.2. functioneren met

1.2.2.1. "input" en "output"

1.2.2.1.1. logische programmering

1.2.2.1.2. robot of automaat

1.2.3. kindertijd: wisseling interesses

1.2.4. puberteit: definitieve interesse

1.2.5. kenmerkende soorten interesses

1.2.5.1. technische

1.2.5.2. wetenschappelijk

1.2.5.3. systematische

1.2.5.4. bèta-vakgeraleteerde

1.2.6. bieden kunstmatig geordende wereld

1.2.6.1. geeft

1.2.6.1.1. doel

1.2.6.1.2. uitdaging

1.2.6.1.3. bevrediging

1.2.7. verslavende middelen

1.2.7.1. verslavende en verlossende effect

1.2.8. zingeving van hun leven + religies

1.2.8.1. grotere neiging naar

1.2.8.1.1. wetenschappelijke en rationele ingesteldheid

1.2.8.2. beelddenkers

1.3. Stereotype gedrag

1.3.1. gelinkt aan

1.3.1.1. beperkte sociale vaardigheden

1.3.1.2. intense belangstelling op bepaald gebied

1.3.1.2.1. ongebruikelijke gedragingen

1.3.2. Employee

1.4. Bijzondere prestaties

1.4.1. bepaald probleem

1.4.1.1. gedrevenheid

1.4.1.2. geduld

1.4.1.3. sterke fixatie

1.4.2. willen begrijpen van complex geheel

1.4.3. willen bereiken van bepaald doel

2. Sociale beperkingen

2.1. Sociale context

2.1.1. sociaal besef = niet intuïtief

2.1.2. beperking

2.1.2.1. onderscheiding letterlijke en figuurlijke taal

2.1.2.2. lichaamstaal lezen

2.1.3. verminderd vermogen tot emapathie

2.2. Klassiek autisme

2.2.1. beperkingen beter gecamoufleerd

2.2.1.1. goed ontwikkelde verbale vaardigheden

2.2.2. beperkte wetenschappelijke informatie

2.2.2.1. onderschatting "handicap"

2.3. Drukke sociale gebeurtenissen

2.3.1. belastend en inspannend

2.3.1.1. i.p.v. ontlastend en ontspannend

2.3.2. ontwikkeling

2.3.2.1. stress

2.3.2.2. onzekerheid

2.3.2.3. angst

3. Bijzonder taalgebruik

3.1. Kinderleeftijd

3.1.1. spreken = "pedante" manier

3.1.1.1. opvallend formeel

3.1.1.2. vaak autoritair

3.1.1.3. eentonige uitspraak

3.1.2. beter op vlak van taal t.o.v. leeftijdgenoten

3.2. Fiepen

3.2.1. = lang over eigen specialisme spreken

3.3. Gesproken taal

3.3.1. hetzelfde al geschreven taal

3.3.1.1. meer monologen

3.3.1.2. praten tegen voorwerpen

3.3.1.2.1. besef realiteit

3.3.2. beperking op gang houden van een gesprek

3.3.2.1. zakelijk onderwerp

3.3.2.2. "koetjes en kalfjes"

3.4. Geschreven taal

3.4.1. spelling, dictees en grammaticaregels

3.4.2. begrijpen van de tekst (hyperlexie)

4. Diverse kenmerken

4.1. Vaardigheden

4.1.1. motorische vaardigheden

4.1.1.1. kunnen vertraagd zijn

4.1.2. motvatie

4.1.2.1. uitblinken in bepaalde vaardigheid

4.1.3. sport

4.1.3.1. vaak solistische activiteit

4.2. Denkwijze

4.2.1. beelddenkers

4.2.1.1. extreem visueel

4.2.1.1.1. bijna altijd letterlijk als foto/video opgeslaan

4.2.1.2. heel concreet

4.2.2. ruimtelijk inzicht zeer sterk ontwikkeld

4.2.3. anticiperen en dingen op cratieve wijze oplossen

4.2.4. onthouden van gebeurtenissen

4.2.4.1. in losse opeenvolgingen van gedetaileerde scènes

4.2.4.1.1. i

4.2.5. routine en orde

4.2.5.1. ja

4.2.5.2. moeilijk

4.3. Prikkels

4.3.1. soms overgevoeligheid prikkels

4.3.1.1. slechte concentratie

4.3.1.2. gevoeligheid sterker voor onregelmatige prikkels dan regelmatige prikkels

4.3.2. moeite met geluid te filtreren in een lawaaiige omgeving

4.3.3. onderprikkeling is mogelijk

4.3.3.1. minieme reactie op bepaalde prikkels

4.4. Andere problemen

4.4.1. perfire problemen

4.4.2. dysgrafie, dyspraxie, dyslexie en / of dyscalculie

4.4.3. depressie ten gevolge van matige communticatie & onbegrip van de wereld

5. Emotionele bijzonderheden

5.1. Communicatie

5.1.1. moeilijkheden met subtiele boodschappen

5.1.1.1. gelaatsuitdrukkingen

5.1.1.2. oogcontact

5.1.1.3. (intiem) lichamelijk contact

5.1.2. vaak sterk egocentrisch

5.1.2.1. niet egoïstisch

5.2. Emoties

5.2.1. vaak emotioneler dan anderen

5.3. beprekte vermogen om emoties:

5.3.1. te kanaliseren

5.3.2. op een maatschappelijk aanvaardbare manier te uiten

5.4. Reacties

5.4.1. wanneer zaken onverwachte manier gaan:

5.4.1.1. last van emotionele spanning

5.4.1.1.1. terugtrekking

5.4.1.1.2. vluchtgedrag

5.4.1.1.3. kwaadheid

5.4.1.1.4. agressie

5.4.1.1.5. paniek

5.4.1.1.6. huilbui

5.4.2. bij terugkerende/ blijvende problemen:

5.4.2.1. groot wantrouwen

5.4.2.2. achterdocht/ onherstelbare haat t.o.v. niet - autistische buitenwereld

5.4.3. na verloop van tijd

5.4.3.1. leren omgaan met de symptonen