Blik naar Buiten

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Blik naar Buiten by Mind Map: Blik naar Buiten

1. Externe Veiligheid

1.1. Van risicoreductie naar maatschappelijke belangen

1.1.1. Prioriteit ligt niet bij het reduceren van externe risico's.

1.1.2. Er moet steeds meer gewerkt worden naar de verschillende belangen in de maatschappij.

1.1.3. Model van kosten en baten moeten van elkaar worden gerekend.

1.1.4. Altijd binnen de kaders van de wet, maar soms moet je strenger dan de wet zijn.

1.2. Actoren

1.2.1. Wetenschappelijke Raad van Regeringbeleid (WRR)

1.2.1.1. Op basis van statistische gegevens veilt de WRR een oordeel over bepaalde maatregelen, waarna zij een bepaalde advies opstellen ten opzichte van een extern veiligheidsprobleem. Zij doen dit vanuit een objectief standpunt die alleen kijkt naar wat de absolute gegevens zijn.

1.2.2. Raad van Openbaar Bestuur (ROB)

1.2.2.1. De ROB veilt ook een oordeel over bepaalde maatregelen, maar betrekt daar wel bij welke belangen er spelen binnen een bepaalde gemeente. Met dit in gedachte stellen zij ook een advies op. Zij doen dit vanuit een objectief standpunt ondersteund door subjectieve gevoelens onder de betreffende bevolking.

1.2.3. Brabantse gemeenten

1.2.3.1. Uiteraard kunnen de gemeenten niet gemist worden. Zij staan het dichtst bij de bevolking en weet daarmee welke belangen belangrijk worden gevonden en welke niet. Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor het verstrekken van vergunningen en zijn daarmee op een lager niveau mede-beslissers met de provincie. De gemeente is tevens ook degene die de bestemmingplan opstelt, vaak wordt dit process ook enorm beinvloed door de provincie.

1.2.4. Provincie Noord-Brabant

1.2.4.1. De provincie is verantwoordelijk voor de infrastructuur binnen haar grenzen. Zij zijn degene die de bestemmingsplannen wijzigen/goedkeuren en daarmee zijn zij de uiteindelijke beslissers. Zij stellen de ruimtelijk verordening op, hierin staat waar de verschillende bestemmingsplannen zich aan moeten houden. Alle adviezen van de overige actoren zijn voornamelijk gericht op de provincie.

1.2.5. Veiligheidsregio's Noord-Brabant

1.2.5.1. Hoewel de veiligheidsregio voornamelijk repressief werkt, hebben zij ook preventieve taken. Zij zijn ook degene die in de praktijk het meest ervaring hebben op het gebied van repressie. Zij adviseren de gemeente en provincie met informtie uit de praktijk.

1.3. Instrumenten

1.3.1. Bestemmingsplannen

1.3.1.1. In de bestemmingsplan staat wat waar gebouwd mag worden. Deze wordt opgesteld door de gemeente en de provincie. Hier staat dus in wat de bedoeling is van een bepaald stuk grond.

1.3.2. Adviseren

1.3.2.1. De verschillende actoren verzamelen al hun specialistische kennis en stellen aan de hand daarvan een advies op voor de provincie en de gemeenten. Zo is het advies van het rapport op meer te gaan focussen op de belangen in de maatschappij in plaats van de focus te leggen op risicoreductie.

2. Handleiding Veilig ontwerp

2.1. Het daadwerkelijk effect bij een ongeval is afhankelijk van de inrichting en omgeving van de risicobron. Een risicobron staat voor een omgeving/inrichting waar gevaarlijke stoffen staan opgeslagen of getransporteerd worden. Om te zorgen dat er weinig tot geen doden vallen spelen een aantal factoren zoals klimaat, bevolking en bouwkundigheid een rol bij het goedkeuren van een risicobron.

2.2. Afstand tot de risicobron

2.2.1. Het is belangrijk om rekening te houden met de windrichting bij een toxische wolk, om zo de schade te beperken. Daarnaast moet ook in de buurt van de risicobron niet gebouw worden om de effecten van brand en een explosie te beperken. De ruimte tussen de bebouwing en de risicobron dient vrij te zijn van obstakels en bomen kunnen dienen als schokbrekers tijdens een explosie. Hoogteverschil aanbrengen bij de bron voorkomt dat een plasbrand zich verspreidt richting bijvoorbeeld woningbouw.

2.3. Populatiedichtheid

2.3.1. Om het aantal slachtoffers te beperken bij calamiteiten moet de ontwerper zorgen voor een lage bevolkingsdichtheid nabij de risicobron. De woontypologiën kunnen hier op aangepast worden, hoe verder van de risicobron des te hoger de populatiedichtheid. Dichtbij de risicobron kan de ruimte functioneel gebruikt worden als bijvoorbeeld sportveld, het risico is dan kleiner omdat mensen hier minder vaak en lang aanwezig zijn. Op het moment dat minder woningen nodig zijn laat het aantal woningen dan krimpen nabij de risicobron.

2.4. Kwetsbare groepen

2.5. Ouderen en jonge kinderen zijn vaak niet zelfredzaam en kunnen vaak tijdens calamiteiten niet zelfstandig vluchten. Zij zullen dus altijd zo ver mogelijk van de risicobron moeten leven, werken en wonen. Advies om een afstand van circa 200 meter van de risicobron te houden. Bijeenkomsten met een groot aantal bezoekers, zoals festivals, concerten, tentoonstellingen e.d. dienen zo ver mogelijk van de risicobron plaats te vinden. Zo verklein je de kans op een groot aantal slachtoffers. Bezoekers, personeel en gedetineerden behoren in een penitentiaire inrichting ook tot niet-zelfredzame groep. Dit komt door de beveiligingsmaatregelen. Advies om ook deze groep op een afstand van 200 meter van de risicobron te behouden. Dit geldt ook voor ziekenhuizen, waar vaak niet zelfredzame personen zich bevinden. Ook hier het advies om een afstand van 200 meter van de risicobron te bewaren.

2.6. Vluchtroutes

2.7. Lagere dichtheden in de buurt van de risicobron is van belang. Daarnaast mindere en lagere bebouwing. Dit alles draagt bij aan een succesvollere manier van vluchten. Een vluchtroute moet duidelijk zichtbaar zijn en zich van de risicobron africhten. Een route dient breed genoeg te zijn om groepen te laten vluchten en vrij te zijn van obstakels. Gebouwen dienen een positie en compositie te hebben dat er “doorkijk” ontstaat naar de veilige plek. Een mate van openheid tussen de gebouwen is daarnaast van belang. De vorm van een gebouw kan hebben bij het verkleinen van een effect tijdens een calamiteit zoals een ontploffing. Het gebouw werkt dan als afscherming. Gesloten gevels aan de zijde van de risicobron kunnen de effecten voor de mensen in het gebouw beperken en extra tijd geven om te vluchten. De opengevel met de entree en de vluchtroute bevindt zich afgekeerd van de risicobron.

2.8. Maatregelen op gebouwniveau

2.9. Om grote gevolgen tijdens calamiteiten te voorkomen hebben gebouwen een dikke gevel aan de zijde van de risicobron. Onbrandbare isolatie en dikkere muren kunnen kleine explosies aan en remmen brand. Mensen kunnen hierdoor langer binnen blijven en krijgen zo meer tijd om het gebouw te verlaten. Vluchttrappen of andere vluchtroutes zijn altijd aan de zijde waar de minste effecten van de calamiteit, vluchtroutes zijn dus altijd van de risicobron af. Mensen die moeten vluchten zijn dan snel op een veiliger plek. De gevel aan de zijde van risicobron is zo gesloten als mogelijk. Kleine ramen, stevige muren en weinig andere gevelopeningen beperken de effecten van een calamiteit en geeft mensen meer tijd om het gebouw te verlaten.

2.9.1. Bereikbaarheid voor hulpdiensten

2.10. Het is van belang dat hulpdiensten een goede en snelle toegang tot de wijk hebben. Wijken dienen een zeer goede toegankelijkheid te hebben via minimaal twee brede toegangswegen. Bij voorkeur een toegang in elke windrichting. De wijk is zo vanaf verschillende kanten bereikbaar. Een toegangsweg nabij een risicobron in noodzakelijk om calamiteiten te kunnen bestrijden. Een gebied moet “doorgankelijk’’ zijn en de structuur moet zo zijn dat elke straat nabij een risicobron vanaf meer kanten bereikbaar blijft. Hulpdiensten dienen elkaar eenvoudig te kunnen passeren in openbare ruimtes en straten. Zij zijn daarom voor een deel breed en vrij van obstakels. Een snelle aansluiting op de hoofdverkeersstructuur is van belang. De stedenbouwkundige structuur van een gebied moet het mogelijk maken dat alle bebouwing vanaf minimaal twee kanten bereikbaar is. Bij brand moeten de positie en de entrees van de bebouwing het mogelijk maken dat de bebouwing vanaf een veilige kant bereikbaar is. Hulpdiensten moeten snel bij een calamiteit kunnen zijn. Maar mensen dienen ook snel te kunnen vluchten. Routes van hulpdiensten moeten daarom gescheiden zijn van vluchtroutes. De ruimtelijke structuur van het gebied rond de risicobron moet dit toelaten. Bij hele brede wegen hoeft dit niet een perfecte gescheiden systeem te zijn. Nabij de bron moet altijd voldoende bluswater aanwezig zijn om de bron snel te benaderen. Waterbronnen zoals een vijver of recreatieplas moeten onderdeel zijn van een watersysteem zodat het water steeds wordt aangevuld. Diepte dient minimaal 80 cm te zijn. Op het moment dat de waterbron tijdens een calamiteit niet benaderbaar is dienen er ook blusvoorzieningen te zijn in het gebied

2.11. Communicatie

2.11.1. Belangrijke informatie tijdens calamiteiten wordt verspreid via internet en mobiele telefonie. Zendmasten voor mobiele telefonie en internet horen daarom op afstand van de risicobron te staan. Dit geldt ook voor meldkamers van hulpverleners en andere vitale infrastructuur. Een duidelijke en overzichtelijke ruimtelijke structuur van een wijk waarin kleine groepen mensen elkaar snel kunnen vinden om informatie te wisselen en of elkaar te helpen vergroot de zelfredzaamheid van bewoners tijdens een calamiteit. Bewoners moeten weten waar zij naar toe kunnen vluchten. De positie van masten voor Waarschuwing Alarmering Systemen, die waarschuwen tijdens een calamiteit, dienen stad en dorp te alarmeren. In de toekomst wordt dit vervangen door NL-Alert. Communicatie in de bestuurlijke verantwoording kan een doorslaggevende factor zijn die risico’s aanvaardbaar maken. Goede communicatie kan de veiligheid vergroten. Als mensen bewust zijn mogelijke risico’s en weten wat zij moeten doen bij een incident, draagt dit bij aan de veiligheid. De overheid en bedrijven moeten daarom burgers informeren over risicobronnen. Dit om ze bewust te maken van hun eigen mogelijkheid om zichzelf en hun naasten in veiligheid te brengen. Tijdens een incident is communicatie cruciaal. Techniek is hierbij een belangrijk hulpmiddel. Sociale media spelen tijdens een incident een belangrijke rol bij de zelfredzaamheid van mensen.

3. Dossier veiligheid v/d provincie

3.1. VERGUNNINGEN

3.1.1. Vervoer van gevaarlijke stoffen over vaarwegen Er kan hier een ontheffing voor worden aangevraagd bij de beheerder van de vaarwegen. (Rijkswaterstaat/ Provincie)

3.1.2. Professioneel vuurwerk, bewijs van aansprakelijkheidsdekking bij opslag

3.1.2.1. Wanneer iemand een ruimte heeft waar professioneel en/ of consumentenvuurwerk wordt opgeslagen heeft moet er verplicht een voldoende gedekte aansprakelijkheidsverzekering worden aangevraagd.

3.1.3. Vervoer van gevaarlijke stoffen over vaarwegen

3.1.3.1. Er kan hier een ontheffing voor worden aangevraagd bij de beheerder van de vaarwegen. (Rijkswaterstaat/ Provincie)

3.2. BESCHERMING TEGEN WATER

3.2.1. Deltaprogramma

3.2.1.1. Het Deltaprogramma staat voor een veilig en aantrekkelijk Nederland, waar de waterveiligheid en de zoetwatervoorziening op orde zijn. De provincie adviseert het Rijk bij het nemen van Deltabeslissingen. Binnen het Deltaprogramma zijn verschillende deelprogramma’s

3.2.2. Deelprogramma Rivieren

3.2.2.1. In dit deelprogramma wordt rekening gehouden met de kans op overstromingen en de daarbij horende gevolgen (schade en slachtoffers).

3.2.3. Deelprogramma Zoetwater

3.2.3.1. Klimaatverandering kan leiden tot verzilting in laag Nederland, toenemende verdamping, minder neerslag in de zomer en dalende grondwaterstanden.

3.2.4. Deelprogramma Zuidwestelijke Delta

3.2.4.1. Deze provincies zorgen ervoor dat er een veilig, economisch aantrekkelijk en een gezond deltagebied met voldoende zoetwater zowel nu als in de toekomst mogelijk blijft.

4. Voorbeeld

4.1. Een risicovol bedrijf ligt op ruime afstand van een sportschool (PR 10-6). De sportschool wil uitbreiden om meer mogelijkheden te bieden voor kinderen. Wettelijk gezien is dit toegestaan maar uiteindelijk werd hiervoor geen vergunning verleent. Dit werd gedaan omdat dit een kwetsbare doelgroep betreft, namelijk kinderen. Zij zijn niet zelfredzaam en daarom werd er geen toestemming gegeven ook al hield de sportschool zich aan alle wettelijke regels omtrent de uitbreiding.

5. ''Inmiddels heeft de rechter namelijk bepaald wanneer er sprake is van provinciaal belang. Dat is het geval als het ‘een verantwoordelijkheid betreft, die daadwerkelijk thuishoort op provinciaal niveau of die noodzakelijk is om de beleidselementen te verankeren in voor andere overheden juridisch bindende normen’.''

6. Risicokaart

6.1. De provinciale Risicokaart geeft een beeld van de risico’s in de woon- en leefomgeving. Provincie is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de risicokaart. Gegevens komen van het rijk, gemeenten, waterschappen en provincie.

6.1.1. Actoren

6.1.1.1. Veiligheidsregio

6.1.1.2. Provincie

6.1.1.2.1. Verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud v/d risicokaart

6.1.1.3. Gemeente

6.1.1.3.1. Verantwoordelijkheid rampenbestrijding en crisisbeheersing

6.1.1.4. Commissaris van de Koning

6.1.1.4.1. Verantwoordelijk voor het bevorderen van een adequate samenwerking tussen de gemeentebesturen, waterschapsbesturen, rijksambtenaren, defensie en het provinciaal bestuur. Bovendien ziet de commissaris toe op de samenwerking in het regionaal beleidsteam en kan daartoe aanwijzingen geven. De commissaris kan ook een coördinerende rol hebben bij een crisis die de provinciegrenzen overschrijdt. ) De commissaris van de Koning heeft bij rampen en crisisbeheersing specifieke bevoegdheden en kan onder meer aanwijzingen geven aan de voorzitter van de Veiligheidsregio.

6.1.1.5. Toezicht

6.1.1.5.1. Inspectie Veiligheid & Justitie

7. klas 2B Tutorgroep: C

7.1. Arjen Joppe

7.2. Eva Vrijenhoek

7.3. Wessel van Nes

7.4. Lars van der Flier

7.5. Nina Nihad Boufarache

7.6. Maxime Heijnen