13_Humanistische_theorieën

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
13_Humanistische_theorieën by Mind Map: 13_Humanistische_theorieën

1. icons by icon8

2. George Kelly

2.1. biografie

2.1.1. George Kelly

2.1.2. 1905 in Kansas

2.1.3. 1926 een doctoraal in de onderwijssociologie

2.1.3.1. hoogleraar gedragswetenschappen

2.1.4. persoonlijke constructen

2.2. persoonlijke constructen

2.2.1. menselijke geest

2.2.1.1. deelt ervaringen in diverse categorieën

2.2.1.2. niet iedereen evalueert gebeurtenissen volgens dezelfde “vakjes”

2.2.2. Indien we begrijpen hoe mensen denken, dan begrijpen we hun persoonlijkheid

2.2.2.1. theorie de nadruk legt op de wijze van denken, wordt ze een cognitieve theorie genoemd

2.2.2.2. persoon zoals hij/zij denkt

2.2.2.3. psychodynamische visie

2.2.2.3.1. persoon bepaald wordt door de verlangens, behoeften

2.2.2.3.2. persoon wordt gedreven om een doel te bereiken

2.2.2.4. affectieve theorieën zoals die van Rogers

2.2.2.4.1. het belang van emoties

2.2.3. opgedane ervaringen

2.2.3.1. interpretatiemethoden

2.2.3.2. vakjes of categorieën

2.2.3.3. “persoonlijke constructen”

2.2.3.3.1. anticiperen op datgene wat hen te wachten staat

2.2.3.3.2. opgebouwd vanuit het verleden

2.2.3.3.3. ervaringen hier en nu interpreteren

2.2.3.3.4. tevens op de toekomst gericht

2.2.4. onze constructen

2.2.4.1. persoonlijkheid (wie we zijn)

2.2.4.2. gedrag (wat we doen) hierdoor georiënteerd

2.2.5. indien mensen om psychotherapie vragen of om een advies

2.2.5.1. persoonlijke constructen werken niet effectief

2.2.6. Door Kelle bedachte techniek: de Role Construct Repertory

2.2.6.1. Om de meest fundamentele persoonlijke constructen te achterhalen

3. Abraham Maslow

3.1. biografie

3.1.1. 1908 New York City

3.1.1.1. zoon van een Russisch- Joodse immigranten

3.1.1.2. grote prestatiemotivatie

3.1.1.3. zijn jeugd ook veel pesterijen

3.1.2. 1935 werkte hij met psychoanalitici waaronder Alfred Adler, Karen Horney en Erich Fromm

3.1.3. Max Wertheimer vader van de Gestaltpsychologie

3.1.4. Motivation and Personality 1954

3.1.5. vooral belang hechtte aan ethiek dan aan psychologie

3.1.5.1. ethische code kunnen afleiden uit de psychologische bestudering van de essentie van de menselijke natuur

3.1.5.2. geïnteresseerd in de beginselen om een moreel leven te leiden

3.1.5.3. psychologie zijn gereedschap hiervoor

3.2. basisbehoeften en frustratiestrategie

3.2.1. 1. strategie van de vrije keuze

3.2.1.1. mensen in een situatie te plaatsen waarin ze vrij kunnen kiezen welke behoeften ze wensen te bevredigen

3.2.2. 2. de frustratiestrategie

3.2.2.1. basis behoeften van de niet-essentiële behoeften te scheiden

3.2.2.2. een organisme dwarsboomt de basisbehoefte te bevredigen, het een pathologisch kenmerk zal ontwikkelen

3.2.3. 3. bevredigen van een basisbehoefte het organisme tot gezondheid, groei en volledig functioneren kan brengen

3.2.4. 4. men kan observeren welke behoeften tot uitdrukking worden gebracht door mensen die gezond zijn en volledig functioneren

3.3. vijf categorieën van basisbehoeften

3.3.1. fysiologische behoeften

3.3.2. veiligheid

3.3.3. liefde en samenhorigheid

3.3.4. zelfwaardering

3.3.5. zelfactualisatie

3.3.6. eerdere motivatietheorieën beperkten de basisbehoeften tot de aandriften die biologisch waren zoals honger, dorst en seks

3.3.7. een volgorde van overheersen

3.3.7.1. fysiologische behoeften voor de behoefte aan veiligheid prioriteit kan krijgen

3.3.7.2. Ten slotte dient de behoefte van zelf-actualisatie zich aan

3.3.7.2.1. worden wat je als mens potentieel bent

3.3.7.3. hiërarchie van basisbehoeften betekent eerst de lagere behoeften bevredigd moet

3.3.7.4. naar het niveau van de lagere behoeften regrediëren

3.3.8. Maslows belangrijkste bijdragen

3.3.8.1. hiërarchie van de basisbehoeften

3.3.8.2. de zelf-actualisatie

4. Carl Rogers

4.1. biografie

4.1.1. 1902 het vierde kind van zes uit een gegoede middenstandfamilie

4.1.2. grote inzet op school

4.1.2.1. dromerig, verstrooid, in een fantasiewereld

4.1.3. Young Men s Christian Association

4.1.3.1. betekenis “vriendschap”

4.1.3.2. wilde predikant worden

4.1.4. Union Theological Seminary

4.1.5. Clinical treatment of the problem child (1939)

4.2. positieve waardering

4.2.1. meest van al geleerd van zijn cliënten

4.2.1.1. ontleend aan zijn ervaringen als therapeut

4.2.1.2. non-directieve counselling

4.2.1.3. cliëntgerichte therapie

4.2.1.4. rogeriaanse therapie

4.2.2. tegen dergelijk model wilde Rogers zich afzette

4.2.2.1. “de dokter weet het het best”

4.2.2.2. paternalistische model

4.2.2.3. onwetend en ziek beschouwd

4.2.2.4. de juiste remedie kon voorschrijven

4.2.3. cliënten zélf wisten wat hun probleem was

4.2.3.1. middelen werden in therapie aangeboden

4.2.4. sfeer waarin de cliënte tot oplossingen inzake hun leven konden komen

4.2.4.1. veilig

4.2.4.2. warm

4.2.4.3. niet-bedreigend

4.2.4.4. accepterend

4.2.4.5. onbevooroordeeld

4.2.5. mensen stimuleren tot diepgaande verandering in hun persoonlijkheid

4.2.5.1. Therapie een proces dat de groei van de persoonlijkheid zou bevorderen

4.2.5.2. volledig functionerende personen moeten kunnen worden

4.2.5.3. onvoorwaardelijk gerespecteerd wordt

4.2.5.4. zelfverwerkelijking

4.2.5.4.1. de façades afwerpen

4.2.5.4.2. openstaan voor anderen

4.2.5.4.3. anderen aanvaarden

4.2.5.4.4. bereid zijn om in proces/evolutie te zijn

4.3. cliëntgerichte therapie

4.3.1. therapeut zal zich congruent opstellen

4.3.1.1. term “congruent”

4.3.1.2. volmaakte overeenstemming

4.3.1.3. innerlijke gevoelens en verlangens van de therapeut enerzijds

4.3.1.4. waarneembare uiterlijke handelingen anderzijds

4.3.2. onvoorwaardelijke positieve acceptatie

4.3.2.1. elke cliënt als mens waardevol acht

4.3.2.2. cliënt-gerichte houding

4.3.2.3. gevoelens van de cliënt volledig aanvaarden

4.3.2.4. prijst de cliënt niet - hem ook niet bekritiseren

4.3.2.5. houding van ontvankelijke waardering

4.3.3. om door de therapeut geaccepteerd te worden

4.3.3.1. geen voorwaarden, geen kwalificaties

4.3.3.2. geen goedkeuring te krijgen noch te verdienen

4.3.4. begrip empathie

4.3.4.1. zich verplaatst in de cliënt

4.3.4.2. innerlijk referentiekader van de cliënt

4.3.4.3. begrijpen wat bepaalde dingen voor de cliënt betekenen

4.3.4.4. als therapeut de wereld van de cliënt gaat trachten aan te voelen alsof het de eigen wereld was

5. kenmerken humanistisch

5.1. onderzoeksbenadering van persoonlijkheid is de fenomenologie

5.1.1. gees­te­lijk-in­tuï­tie­ve be­schou­wing van de din­gen, niet door ra­ti­o­ne­le ken­nis

5.2. hele persoon (holisme) tot voorwerp van studie

5.2.1. persoon is één psychosomatische eenheid

5.3. innerlijke stroom van het bewustzijn als uitgangspunt

5.3.1. meer mentalistisch dan behavioristisch

5.4. gedachten accepteren voor wat ze zijn

5.4.1. niet willen terugbrengen tot een oerdrift of oerinstinct

5.5. “ervaring” een gegeven op zich

5.5.1. geen poging deze verder/dieper te analyseren

5.5.2. ervaring zoals deze zich aan ons voordoet

5.5.3. onze (subjectieve) ervaring is geïntegreerd, georganiseerd en gecentreerd

5.5.4. georganiseerd rond een centrale kern, het Zelf als een ononderbroken centrale kern

5.6. het Zelf is vrij om te kiezen

5.6.1. biologische factoren en/of externe prikkels

5.6.2. alles behalve de vrije wil bepalend zou zijn

5.6.3. persoonlijkheid is doelbewust en doelgericht

5.7. visie is anti-reductionistisch, anti-deterministisch en holistisch