Startstelling: Draagt vermarkting in sociaal werk bij tot meer kwalitatieve hulpverlening?

Argumentatiestructuur wetvaard2

Jetzt loslegen. Gratis!
oder registrieren mit Ihrer E-Mail-Adresse
Rocket clouds
Startstelling: Draagt vermarkting in sociaal werk bij tot meer kwalitatieve hulpverlening? von Mind Map: Startstelling: Draagt vermarkting in sociaal werk bij tot meer kwalitatieve hulpverlening?

1. Controverse: “ De actuele tendens van vermarkting binnen sociaal werk bedreigt de kwaliteit van maatschappelijke dienstverlening"

2. De kwaliteit stijgt.

2.1. Het verschuift de hulpverleningsfocus meer richting de meest kwetsbare hulpvrager (Fret, 2017).

2.1.1. Doormiddel van de toenemende vrijheid, en hier bijhorende koopkracht, van hulpvragers kunnen ze hun positie versterken. Het is voor hen een eenvoudigere toegang tot de samenleving. Maar niet iedereen doet aanspraak op het recht op zelfbeschikking. De mensen die niet op deze keuzevrijheid een beroep doen kunnen zo krachtgerichter worden geëmancipeerd, de focus zal meer naar hen verschuiven aangezien enkel zij degene zijn die geen gebruik maken van de keuzevrijheid. Het legt de focus des te harder op krachtgericht sociaal werk (Fret, 2017, Keuzevrijheid, al.4).

2.2. Het vergroot de autonomie van hulpverleners (Fret, 2017).

2.2.1. Door de marktwerking en bijhorende keuzevrijheid van hulpvragers wordt er vraaggericht gewerkt. Door vraaggericht te handelen wordt hun professionele handelingsvrijheid versterkt. Ze werken niet vanuit standaard zorgpakketten of institutionele belangen, de zorgt vertrekt vanuit de vraag van de hulpvrager (Fret, 2017, Autonome sociaal werkers, al.2).

2.3. De vermarkting van sociaal werk maakt de zorg meer flexibel (Janssens & Put, 2009, p. 50).

2.3.1. Door de vermindering van overheidssturing is er minder invloed van bureaucratische sturingsprocessen. Hierdoor kan de focus meer verschuiven naar de individuele zorgbehoeftes (Janssens & Put, 2009, p.50).

2.4. Het zorgt voor meer innovatie van de zorg (Suykens, Verschuere, De Ruynck, 2016).

2.4.1. De overheid kan via uitbesteding meer kwaliteit afdwingen. De aanbieders moeten bijgevolg hun zorgaanbod continu blijven verbeteren en vernieuwen, anders gaan zorgvragers bij de concurrentie (Suykens, Verschuere, De Ruynck, 2016, Het stadsbestuur).

2.5. Vermarkting gaat monopolies tegen (Grymonprez, Naert, Debruyne, Raeymackers, Hermans & Roose, 2016) & (Serrien, 2016).

2.5.1. Door vermarkting en bijhorende concurrentie op de markt zijn er geen monopolies meer. De zorg wordt niet langer door slechts 1 speler op de markt aangeboden, de aanbieders zijn met meerderen (Serrien, 2016).

2.6. Het creëert een effectievere dienstverlening (Grymonprez, Naert, Debruyne, Raeymackers, Hermans & Roose, 2016).

2.6.1. Bestuur geeft als argument vaak aan dat vermarkting zorgt voor competitie en concurrentie tussen spelers op de markt. De overheid kan d.m.v. straffen en belonen de minst geschikte spelers sneller inruilen voor betere concurrenten. Het aanbod moet steeds nauw aansluiten op de vraag (Grymonprez, Naert, Debruyne, Raeymackers, Hermans & Roose, 2016, Competitie).

2.7. Het biedt een antwoord op overheidsfalen (Verdonck & Put, 2008)

2.7.1. Het zorgaanbod op de markt brengen zorgt er vaak voor dat de hulp goedkoper wordt en meer toegankelijk voor iedereen. Er ontstaan meer en betaalbare opties, waardoor de cliënt gepaste zorg uit kan kiezen. Een concreet voorbeeld hiervan is het wegwerken van wachtlijsten, vanwege het grotere aanbod kunnen meer mensen geholpen worden (Verdonck & Put, 2008, p.16).

3. De kwaliteit daalt.

3.1. De commercialisering veroorzaakt ontevredenheid bij de werknemers van de middenveldorganisaties (Szekér, Suykens, Van Gyes, & Verschuere, 2017).

3.1.1. Organisaties gaan hun personeelsbezetting meer moeten afstemmen op de beschikbare budgetten, wat ervoor zorgt dat er veel werknemers tijdelijk en deeltijdse contracten krijgen (Szekér, Suykens, Van Gyes, & Verschuere, 2017, p.34).

3.1.2. Er komt vanuit het beleid meer controle en supervisie met bijhorend meer administratieve taken die vervult dienen te worden. Daardoor hebben ze minder tijd voor hun doelpubliek en job gerelateerde taken en verliezen ze bovendien veel van hun autonomie (Szekér, Suykens, Van Gyes, & Verschuere, 2017, p.34).

3.1.3. Door de prijsdruk die er heerst zullen werknemers sneller moeten werken, vaak tegen een minder hoog loon. Meerk werkdruk en een minder hoog loon dus (Janssens & Put, 2009, p.52)

3.2. Er is grote versnippering binnen het werkveld (Kastit, 2016).

3.2.1. Door het winstbejag dat men nastreeft binnen de ideologie van vermarkting ontstaat er concurrentie. Lokale partners worden tegen elkaar opgezet. Deze gaan dus minder willen samenwerken. De opgebouwde netwerken dreigen verloren te gaan. Netwerken en expertise uitwisselen zijn nochtans enorm belangrijk voor kwalitatief sociaal werk (Kastit, 2016, Winstlogica, al.3).

3.3. Door de vermarkting en bijhorende commercialisering binnen de zorgsector groeit de ongelijkheid (Serrien, Lescrauwaet, Brepoels & Van Geyt, 2016).

3.3.1. Om voldoende marktwerking te garanderen focussen concurrerende zorgaanbieders zich voornamelijk op zorgvragers waarmee men vlug en goedkoop resultaten kan bereiken. Dit fenomeen noemt men Cherry picking of Cream skimming (Janssens & Put, 2009, p.52) & (Serrien, 2016, Wat is er dan mis met ‘commercialisering’?, al.3).

3.3.2. Vermarkting zorgt voor zorg met een prijs. Deze kan voor bepaalde hulpvragers niet betaalbaar zijn en hierdoor worden zij uitgesloten van veel zorg (Serrien, 2016, Wat is er dan mis met ‘commercialisering’?, al. 2).

3.3.3. Vermarkting brengt met zich mee dat er veel verscheidenheid komt binnen het zorgaanbod. Vanwege de bijhorende marktwerking zal er onderscheid komen in goede en minder goede zorg, afhankelijk van de prijs die je betaald (Serrien, 2016, Wat is er dan mis met ‘commercialisering’?, al. 2).

3.4. Vermarkting botst met de ethiek van sociaal werk.

3.4.1. Door commercialisering staat de cliënt niet langer centraal. Vanwege het streven naar winst komt de focus te liggen op efficiëntie en snelheid. Dit in tegenstelling tot waar sociaal werk om draait: voldoende tijd nemen om vertrouwen op te bouwen en mensen goed te begeleiden (Kastit, 2016, Winstlogica, al.2).

3.4.2. Sociaal werk is ontstaan om mensenrechten te vervullen. Deze ethiek botst volledig met de economische uitgang van vermarkting. Hierbij ligt de focus op winst en competitie. Waarden die totaal niet thuishoren in de ethische filosofie van sociaal werk (Raeymaeckers, 2016, Offensief verzet).

3.4.2.1. Door de duidelijk botsende ethiek van vermarkting en sociaal werk daalt de motivatie bij sociaal werkers. Nieuwe werkrachten die worden aangenomen werken bovendien vaak vanuit een andere, extrensieke motivatie. Szekér, Suykens, Van Gyes, & Verschuere, 2017).

3.4.3. Vanwege de grote focus op winst gaat men prijs meten in plaats van kwaliteit. Dit is eenvoudiger, maar zorgt er wel voor dat zorg eerder als een product beschouwd zal worden. Niet enkel zal vermoedelijk de kwaliteit dus dalen, maar sociaal werkers kunnen zich niet vinden in deze benadering (Janssens & Put, 2009, p.51).