Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Scepticisme Door Mind Map: Scepticisme

1. Locke

1.1. Locke en rationalisme

1.1.1. belangrijkste Argumenten Rationalisten (volgens Locke)

1.1.1.1. Er zijn niet-empirische principes waarmee universeel ingestemd wordt.

1.1.1.1.1. 1. Dat wat is, is.

1.1.1.1.2. 2. Het is onmogelijk voor een ding om tegelijkertijd te zijn en niet te zijn.

1.1.1.1.3. 3. Er bestaan universele morele principes.

1.1.1.2. Dus omdat ze ze universeel zijn iedereen het vanaf geboorte weet moeten er wel aangeboren ideeën zijn.

1.1.2. Maar Locke niet mee eens; andere verklaringen mogelijk.

1.1.2.1. Bijv. je hebt het als klein kind geleerd

1.1.2.2. Principe 1 + 2 niet bij kinderen en dwazen.

1.1.2.3. Geen bewijs voor principe 3

1.1.2.4. Oftewel rationalisme heeft ongelijk!

1.2. Locke's empirisme

1.2.1. ET 29 indirect realisme

1.2.1.1. we kunnen dingen in de buitenwereld niet direct waarnemen

1.2.1.2. je neemt niet direct de materiële substantie war maar alleen de eigenschappen en ideeën in je geest

1.2.1.2.1. Dus wel zekere kennis van de 'binnenwereld'

1.2.1.3. De sluier van ideeën

1.2.2. Locke's problemen

1.2.2.1. en hoe weet je zeker dat ideeën corresponderen met buitenwereld?

1.2.2.2. oplossing 1: reductio ad absurdum/ inference to the best explanation

1.2.2.2.1. 'het zou raar zijn als het niet zo zou zijn'

1.2.2.2.2. Ideeën hebben primaire en secundaire eigenschappen. De secundaire eigenschappen zijn subjectief maar de primaire eigenschappen zijn objectief

1.2.3. ET 28 Primaire en secundaire eigenschappen

1.2.3.1. Pirmaire kwaliteiten

1.2.3.1.1. altijd hetzelfde

1.2.3.1.2. onafhankelijk van waarneming

1.2.3.1.3. objectief als het ware

1.2.3.1.4. Reden dat de buitenwereld wel bestaat

1.2.3.2. secundaire kwaliteiten

1.2.3.2.1. afhankelijk van waarneming

1.2.3.2.2. verschilt per persoon

1.2.3.2.3. subjectief als het ware

1.2.3.2.4. Bestaat alleen maar als "waarneming door persoon"

1.2.3.3. maar problemen hiermee

1.2.3.3.1. hoe onderscheid vaststellen tussen primaire en secundaire kwaliteiten?

1.2.3.3.2. Primaire kwaliteiten ook afhankelijk van onze waarneming

1.3. Tabula rasa Et27

1.3.1. geest heeft wel bepaalde vermogens vanaf geboorte

1.3.2. Volgens Locke wordt al onze kennis van de buitenwereld en de fysische objecten erin bemiddeld door ‘ideeën’ of ‘denkobjecten’

1.3.3. alle ideeen komen uit ervaring

2. Descartes

2.1. ET 10/ 21 De mediaties

2.1.1. -1

2.1.1.1. Bedrog van de zintuigen

2.1.1.1.1. optische illusies

2.1.1.1.2. Het voorbeeld van het dichterbij komende pas

2.1.1.1.3. je kan je zintuigen dus niet vertrouwen (voor kennis)

2.1.1.1.4. Maar dan heb je wel nog steeds de juiste omstandigheden

2.1.2. -2

2.1.2.1. Slaap-/waaktoestand

2.1.2.1.1. Alle ervaringen kunnen nep/dromen zijn

2.1.2.1.2. "Als ik hier aandachtiger over nadenk zie ik zo duidelijk dat ik de waaktoestand nooit op basis van zekere aanwijzingen van de slaap zal kunnen onderscheiden,..."

2.1.2.1.3. Maar dan nog steeds de Basisvormen

2.1.3. -3

2.1.3.1. Kwade demon

2.1.3.1.1. Wat als Kwade demon(genius malignus) laat denken dat basisvormen waar zijn maar dat niet zo is

2.1.3.1.2. dus ALLES is ONZEKER?

2.1.4. +1

2.1.4.1. Als geen kennis dan geen basis om op te handelen en dus hetzelfde probleem

2.1.4.2. Cogito ergo sum

2.1.4.2.1. iets moet twijfelen/ bedrogen worden

2.1.4.2.2. Bestaan als res cogitans

2.1.5. +2

2.1.5.1. Bestaan van God

2.1.5.1.1. “het perfecte wezen God, waarvan we ons een helder en onderscheiden idee kunnen vormen, moet wel bestaan, want als dat perfecte wezen niet zou bestaan, zou er iets aan ontbreken, namelijk het bestaan zelf, en dan zou het dus niet perfect zijn.”

2.1.5.1.2. Omdat God perfect is en Bestaan een deel van perfectie moet God wel bestaan.

2.1.5.1.3. God of het idee van God (een perfect wezen) is volgens Descartes een aangeboren idee

2.1.6. +3

2.1.6.1. Bestaan van de buitenwereld

2.1.6.1.1. Omdat God bestaat en (het idee van) God Almachtig en goed is en dus geen kwade demon zou hij descartes ook niet consequent voor de gek houden.

2.2. Is twijfelen hetzelfde als denken?

2.2.1. – Twijfelen is een vorm van denken

2.2.2. – Niet alle denken is twijfelen

2.2.3. – Twijfelen en denken niet identiek

2.3. Kritiek Nietzsche

2.3.1. Twijfelen aan feit dat hij twijfelt

2.4. Nativisme

2.4.1. Aangeboren ideeen

2.4.2. Ideeën zitten in res cogitans

2.4.3. De basisvormen zijn ook aangeboren ideeën ?

3. David Hume

3.1. kopieerprincipe

3.1.1. zintuiglijke indruk

3.1.1.1. impressie

3.1.1.1.1. enkelvoudige ideeën

3.1.2. Appel

3.1.2.1. impressie rood, rond (en zoet bijv.)

3.1.2.1.1. Rond, rood, zoet

3.1.3. ET 11 Impressie laat in geest een idee (of voorstelling) achter

3.1.3.1. – Idee is kopie van impressie

3.1.3.1.1. (ware) kennis kan dus alleen maar van feiten komen!

3.1.3.2. – Idee blijft, ook als impressie verdwenen is

3.1.3.3. – Idee geeft kennis van impressie (kleur etc.)

3.1.4. verschil ET11

3.1.4.1. – Impressies zijn tijdelijk en levendig

3.1.4.1.1. krachtig en hevig

3.1.4.2. – Ideeën blijvend en vaal

3.1.4.2.1. verwerking van impressies door geest

3.1.5. ET 12 3 soorten complexe ideeen

3.1.5.1. concreet

3.1.5.1.1. samengesteld uit ideeen die aan de werkelijkheid zijn ontleed, staan voor iets waarneembaars in de wereld

3.1.5.2. denkbeeldig

3.1.5.2.1. samengesteld uit ideeen die aan de werkelijkheid zijn ontleed, zonder zelf voor iets waarneembaars in de wereld te staan

3.1.5.3. abstract

3.1.5.3.1. staat niet voor iets direct waarneembaars in wereld

3.1.5.3.2. Begrippen zoals: vissen, katten, de vrucht, een laptop

3.1.5.3.3. Het abstracte idee causaliteit

3.2. ET 13

3.2.1. causaliteit

3.2.1.1. Denken over feiten gaat altijd in termen van oorzaak en gevolg

3.2.1.1.1. Als we echt kennis over feiten willen hebben moeten we kennis over oorzakelijk verband hebben

3.2.1.2. 3 noodzakelijke dingen voor Causaliteit

3.2.1.2.1. 1. Er moet de juiste volgorde in tijd zijn

3.2.1.2.2. 2. Gebeurtenissen moeten in elkaars buurt plaatsvinden

3.2.1.2.3. 3. Er moet een noodzakelijk verband zijn tussen gebeurtenissen (geen toeval dus)

3.2.1.3. Filosofisch onhoudbaar maar psychologisch noodzakelijk

3.2.1.4. Voor kennis over een object heb je kennis nodig over dat object in de causale keten

3.2.1.4.1. We kunnen ze noch in de geest nog in de buitenwereld kennen want geen kennis van oorzakelijkheid

3.2.2. gewoontevorming

3.2.2.1. causaliteit en correlatie

3.2.2.1.1. causaliteit is dat het een het ander veroorzaakt

3.2.2.1.2. correlatie is dat het een verband houdt met het ander

3.2.2.2. Als we elke keer waarnemen dat A gebeurt B gebeurt gaan we verwachten dat als A gebeurt B ook gebeurt

3.2.2.2.1. Op grond van observaties tot nu toe

3.2.2.2.2. – Vormen we overtuigingen en verwachtingen over de toekomst

3.2.2.2.3. – We verwachten hetzelfde effect

3.2.2.2.4. Maar we weten het niet zeker!

3.2.2.3. Uniformiteitsprincipe

3.2.2.3.1. De wereld is niet grillig of onderhevig aan verandering

3.2.2.3.2. Maar dat is inductie

3.2.3. De ideeën in je geest worden opgeroepen door je verbeelding

3.3. Sceptische Empirist

3.3.1. Conclusie: zekere kennis is onmogelijk!

3.3.1.1. Als alleen nadenken over dingen in wereld in termen van oorzakelijke verbanden

3.3.1.2. Maar geen zekere kennis over oorzakelijke verbanden

3.3.1.3. Dan kunnen we geen kennis hebben over de dingen in de wereld

3.3.2. indirect realist

3.3.2.1. de buitenwereld kan niet direct worden waargenomen

3.4. Menselijke aard bestuderen om erachter te komen hoe hij (mens) kennis vergaart

3.5. Het gaat erom hoe de kennis objectief tot stand is gekomen niet hoe jij die (subjectief) verwerft

3.6. Persistentie

3.6.1. Het onafhankelijk door blijven bestaan van objecten

3.7. Zekere kennis onmogelijk

3.8. Primaire tekst

3.8.1. ET 22

3.8.1.1. bestendig bestaan, persitentie

3.8.1.2. los van geestelijke perceptie

3.8.1.2.1. Onafhankelijkheid van het bestaan

3.8.1.2.2. De uitwendige positie

3.8.1.3. Verbonden in de zin dat als ze blijven bestaan ze ook onafhankelijk van perceptie zijn en omgekeerd

3.8.1.4. Voor psychologisch gemak en de menselijke natuur onderscheid maken

3.8.1.5. 'afvragen of de zintuigen, de rede of de verbeelding deze opvatting over een bestendig of zelfstandig bestaan produceert' (blz 164, VvdT)

3.8.1.6. Niet mogelijk met de zintuigen het bestendig bestaan te bevestigen want als het uit je waarnemingsveld is verdwenen kan je geen kennis er meer over krijgen

3.8.1.6.1. Het zou een contradictio in terminis zijn

3.8.2. ET 23

3.8.2.1. En ook geen onafhankelijk, uitwendig en afgescheiden bestaan

3.8.2.2. De zintuigen kunnen niet opereren buiten het gebied waarin ze opereren

3.8.2.2.1. 'ze kunnen net zomin een opvatting geven over een bestaan los van de geest, omdat zij de geest niet kunnen presenteren als voorstelling of al oorspronkelijk gegeven.'

3.8.2.3. kan niet bewezen worden door enkelvoudige impressies

3.8.2.3.1. Het geeft niet aan dat er iets buiten die impressie bestaat

3.8.2.3.2. Het geeft slechts een denkbeeld van een dubbel bestaan door rede en verbeelding

3.8.2.3.3. Gevolgtrekking maken van meer dan alleen wat je ziet

3.8.2.4. zelfs als wat we zien echt is, kunnen we nog niet los bestaan bewijzen

3.8.2.4.1. Want dan moet je bewijzen dat objecten onafhankelijk van en buiten ons bestaan

3.8.2.4.2. En dus dat je zelf een object bent dat waar te nemen is met je zintuigen, onafhankelijk van andere objecten

3.8.2.5. Illusie dat alleen zintuigen nodig zijn voor een uitwendig bestaan van je lichaam maar

3.8.2.5.1. 1. Je neemt niet direct je lichaam waar maar de indrukken in je geest alleen. en die toeschrijven aan hun werkelijke lichamelijke object is een mentale handeling en is dus niet zintuiglijk (empirisch) te bewijzen

3.8.2.5.2. 2. geluiden, geuren en smaken schijnen geen afmeting te hebben, maar de geest wordt geacht deze als bestendig en onafhankelijk te ervaren. Als gevolg kunnen ze niet aan de zintuigen verschijnen als iets van buiten het lichaam

3.8.2.5.3. 3. Gezichtsvermogen geeft geen directe informatie over afstandsheid of buitenheid

3.8.3. ET 24

3.8.3.1. Geen verschil tussen de drie soorten indrukken

3.8.3.1.1. 1. gestalte, massa, beweging en vasteid van lichamen

3.8.3.1.2. 2. kleur, geur, smaak, geluiden, hitte en kou

3.8.3.1.3. 3. ervaringen van pijn en genot

3.8.3.2. a en b identiek want eigenschappen b zoals kleuren, hitte kou en geluiden ervaren we hetzelfde aan de zintuigen als massa en beweging, voorbeelden van a. Dus via de zintuigen kunnen we niet kennis krijgen over het onderscheid

3.8.3.2.1. verschil te te kennen aan verbeelding want argumenten voor zelfstandig bestaan niet gebaseerd op de rede

3.8.3.3. b en c komen ook op dezelfde manier binnen bij de zintuigen en het verschil is niet te bewijzen met de perceptie

3.8.3.4. Conclusie: het toekennen van een zelfstandig en bestendig bestaan is geheel een product van de verbeelding

4. Hoofdstuk 1

4.1. Twijfel

4.1.1. ET4 gerede twijfel

4.1.1.1. "gerede twijfel is de twijfel die berust op de mogelijkheid van een EVEN geloofwaardig alternatief"

4.1.1.2. Staat tegenover twijfel gebaseerd op filosofische scepsis

4.1.1.2.1. sceptische twijfel gaat verder dan gerede twijfel

4.1.1.3. Twijfel aan juistheid van een oordeel

4.1.1.3.1. Getuigt van sceptische houding

4.1.1.4. Het ene (schuldige) scenario heeft even sterke steun als elk ander (onschuldig) scenario

4.1.1.4.1. Als er een fundamentele onzekerheid is hoe kan je dan daaruit zekere conclusies trekken

4.1.1.4.2. In het recht: Als schuldsituatie met bewijzen boven gerede twijfel, dan schuldig

4.2. ET5 Soorten scepticisme

4.2.1. Metafysisch scepticisme

4.2.1.1. Over bestaan, Bestaat het?

4.2.1.2. Werkelijkheidsprobleem

4.2.1.2.1. Alle handelingen gebaseerd op werkelijkheid

4.2.1.2.2. Als de fundament weg is dan niet meer handelen

4.2.1.3. Helemaal niet zeker wat buiten en onafhankelijk van ons Bestaat

4.2.2. Epistemologisch scepticisme

4.2.2.1. Over kennis, kan je Weten dat het bestaat?

4.2.2.2. Kennisprobleem

4.2.2.3. voor alles wat we menen te weten zijn sceptische alternatieven te bedenken

4.2.2.3.1. Zolang die niet uit te sluiten zijn, kunnen we niks zeker weten

4.2.3. Conceptueel scepticisme

4.2.3.1. Probleem van andere geesten/problem of other minds (PAG/POM)

4.2.3.1.1. JIj weet wat jij ervaart maar een ander kan dat nooit echt weten

4.2.3.1.2. Hoe weet je of je wel hetzelfde weet en ervaart

4.2.3.1.3. 18-2: conceptueel scepticisme gaat over de vraag of gedachte-inhouden gedeeld kunnen worden.

4.2.3.2. over communicatie

4.2.4. Om (succesvol) te handelen heb je kennis nodig voor dat handelen

4.3. Pyrronisme

4.3.1. Sextus empiricus (160-222)

4.3.1.1. Stoa

4.3.1.1.1. Geen emoties

4.3.1.1.2. geestesrust ( ataraxia) en lichaamsrust (apatheia)

4.3.1.2. Skeptikoi is onderzoeker

4.3.1.3. Primaire tekst ET 17-20

4.3.1.3.1. ET 17 voornaamste beginsel

4.3.1.3.2. ET18 doctrine

4.3.1.3.3. ET19 overstoorbaarheid en opschorting

4.3.1.3.4. ET20 de tropen

4.3.2. Als je iets zoekt kunnen er 3 dingen gebeuren

4.3.2.1. 1. Je vindt het

4.3.2.1.1. Dogmatici, zeggen dat iets zo is

4.3.2.2. 2. Zeggen dat je het niet gevonden hebt en dat het onvindbaar is

4.3.2.2.1. Academici. zeggen wel dat ze het niet kunnen vinden en dat het onvindbaar is maar hebben daarmee eigenlijk een negatief dogma

4.3.2.3. 3. Blijven zoeken

4.3.2.3.1. Sceptici, niks stellen

4.3.3. ET6 verschil academische en pyrronistische scepsis

4.3.3.1. Academici zijn negatieve dogmatici

4.3.3.1.1. Ze zeggen dat ze het niet hebben gevonden en dat het onvindbaar is, daarmee stellen ze een dogma

4.3.3.2. Pyrronistische sceptici stellen niks en blijven zoeken

4.3.4. ET7

4.3.4.1. Isosthenie

4.3.4.1.1. gelijke kracht of gelijkwaardigheid van tegengestelde argumenten

4.3.4.1.2. P net zo geloofwaardig als niet-P (maken/beargumenteren)

4.3.4.2. Niet tot een welbepaalde opvatting komen en eraan vasthouden maar oordeel opschorten

4.3.4.2.1. Epoche

4.3.4.3. Leidt tot psychologische rust, onverstoorbaarheid van de ziel, ataraxia

4.4. ET 14 Brein in een vat (BIV)

4.4.1. "stel dat je een brein in een vat bent en je gedachten worden aangestuurd door neurowetenschappers '

4.4.2. skeptisch alternatief

4.4.3. Descartes

4.4.3.1. je kan niets meer zeker weten

4.4.3.2. Behalve dat je bent, want je denkt nog steeds

4.4.3.3. verschil: monisten (geest in brein) en dualisten(res cogitans los van res extensa)

4.5. Trilemma van agrippa ET8

4.5.1. Oneindige regressie

4.5.1.1. Mensen als eindige wezens kunen het oneindige niet begrijpen

4.5.2. Basisovertuiging

4.5.2.1. Een overtuiging die uit zichzelf verantwoord is

4.5.2.1.1. Maar hoe vast te stellen

4.5.2.1.2. en waarom uit zichzelf verantwoord en andere niet

4.5.3. Coherentie

4.5.3.1. Een overtuiging met overtuigingen bearguemnenteren

4.5.3.1.1. 'dat overtuigingen elkaar wederzijds ondersteunen'

4.5.3.2. Cirkelredenering

4.5.3.3. Maar zelfs een prachtige theorie kan nog steeds fout zijn

4.6. Gedachte experimenten ET16

4.6.1. tegenfeitelijk

4.6.1.1. Hoe het scenario verder zou lopen in het geval van die feiten

4.6.1.1.1. hoe de situatie of het scenario verder zou lopen

4.6.1.2. Expliciet uitgaan van andere feiten

4.6.2. conceptueel

4.6.2.1. hoe jij de situatie of het scenario zou beschrijven

4.6.2.2. mogelijk scenario beschrijven en dean de grenzen van een begrip onderzoeken (zoals democratie bijv.)

4.6.3. evaluatief

4.6.3.1. wat jij in die situatie of dat scenario zou doen

4.6.3.2. Gaat om waardeoordeel dat gemaakt (kan) worden

4.6.3.3. Trolley case experiment

5. Hoofdstuk 2

5.1. ET 26 Kant's schandaal van de filosofie

5.1.1. ET25 naief realisme

5.1.1.1. "Een houding van naïef realisme houdt in dat we ervan uit gaan dat fysische objecten driedimensionaal zijn, dat ze onafhankelijk van onze waarnemingen bestaan en dat ze ook blijven bestaan wanneer niemand ernaar kijkt, en dat ze zich in de publieke ruimte bevinden"

5.1.1.1.1. objecten bestendig, onafhankelijk/zelfstandig en driedimensionaal in buitenwereld

5.1.1.2. 2 bezwaren

5.1.1.2.1. 1. zintuigelijke ervaringen zijn afhankelijk van standpunt waarnemer

5.1.1.2.2. 2.zintuiglijke waarnemingen kunnen illusies of hallucinaties zijn

5.1.2. schandalig dat we nog niet het bestaan van de buitenwereld hebben kunnen bewijzen

5.1.3. De oplosbaarheid van het het metafysisch scepticisme

5.1.4. Als alle kennis gebaseerd is op waarneming

5.1.5. en als alles wat we direct waarnemen niet de buitenwereld als zodanig is, maar plaatjes, dan

5.1.6. dan kunnen we niet langer zeker zijn van het bestaan van de buitenwereld

5.2. George Berkeley

5.2.1. Esse est Percipi

5.2.2. Maar niet noodzakelijk een empirist

5.2.2.1. Want het gaat om de geest inhoud

5.2.2.2. idealistisch empirist

5.2.3. ET 29

5.2.3.1. Geen primaire, alleen speciale secundaire eigenschappen

5.2.3.1.1. Er is geen drager van speciaal die primaire eigenschappen

5.2.3.1.2. Het is een absurde abstractie om te denken dat het twee verschillende dingen zijn. Alles is secundaire via de geest

5.2.3.2. Zowel de primaire als de secundaire kwaliteiten bestaan slechts in de ervaring van de waarnemer

5.2.3.3. – Esse est percipi, bestaan is waargenomen worden

5.2.3.3.1. Subjectief idealisme

5.2.3.4. ET 30

5.2.3.4.1. Geen materiële substantie in een van de waarnemers onafhankelijke buitenwereld

5.2.3.4.2. Want je kan 'materiële substantie' niet waarnemen

5.2.4. persistentieprobleem

5.2.4.1. Hoe blijft iets voortbestaan als het niet wordt waargenomen?

5.2.4.2. oplossing: 2e onafhankelijke waarnemer: GOD

5.2.4.2.1. Objectief idealisme

5.2.5. idealistisch empirist

5.2.5.1. Zeker kennis alleen over geestelijke substantie (ideeën)

5.2.5.2. consequent empirist

5.2.5.2.1. Aleen zintuigelijke ervaring

5.2.6. Hylas en Philonous

5.2.6.1. zie blz. 72 boek

5.2.6.2. maar Redeneerfout!

5.2.7. ET41 kleuren

5.2.7.1. geen enkele kleur is echt inherent aan object buiten ons

5.2.7.1.1. 'ware en scheinbare' kleuren niet te odnerscheiden

5.2.7.1.2. Ook de gewaarwording van licht bestaat niet buiten onze geest

5.2.7.2. kleuren kunnen alleen horen bij waarnemende substantie

5.2.7.3. Ook geluiden en smaken bestaan niet buiten de geest en zijn dus secundaire kwaliteiten

5.2.8. ET42

5.2.8.1. Waarom zou je denken dat er onderscheid is tussen primaire en secundaire kwaliteiten?

5.2.8.1.1. kwaliteiten die objectief en meetbaar lijken en daarmee onafhankelijk van de waarnemer zijn

5.2.8.1.2. voorwerp lijkt een onafhankelijke eigenschap te hebben omdat die eigenschap onveranderlijk (lijkt)

5.2.9. ET43

5.2.9.1. Ook uitgebreidheid is een secundaire eigenschap want de zichtbare uitgebreidheid verandert wanneer je van een voorwerp toe of af beweegt

5.2.9.2. ‘Als we ervan uitgaan dat geen enkel denkbeeld noch iets dat erop lijkt kan bestaan, in een nietwaarneembare substantie, dan volgt daar zeker uit dat geen enkele vorm of bestaanswijze van de uitgebreidheid, die we kunnen waarnemen dan wel ons kunnen voorstellen of waarvan we een denkbeeld kunnen hebben, werkelijk inherent aan de materie kan zijn.’

5.2.9.2.1. We kunnen onze waarneming van een object niet loskoppelen van het object

5.3. Thomas Reid

5.3.1. direct realisme

5.3.2. gezond verstand

5.3.3. objecten zelf zitten niet in onze geest

5.3.4. er zijn geen argumenten voor het bestaan van ideeën in de geest

5.3.5. een object waarnemen is niet hetzelfde als erop inwerken

5.3.6. zintuigen zijn volgens empiristen niet in staat tot onmiddellijk contact tussen geest en object

5.3.7. ET45

5.3.7.1. waarneming is 1 ondeelbare en overtuigende gebeurtenis

5.3.7.1.1. niet opgesplitst in raadselachtig verschijnsel buiten geest

5.3.7.1.2. en impressie of idee binnen de geest

5.3.7.2. Dat objecten van grootte lijken te veranderen kan steeds meer verklaard worden met meetkunde

5.3.7.2.1. dus niet zoals Barkeley zegt dat het een bewijs is voor bestaan alleen sec. kwaliteiten

5.3.7.2.2. Juist een bewijs voor vervlochtenheid, wisselwerking tussen object en zintuiglijke activiteit

5.3.8. ET31

5.3.8.1. Dat er buiten je objecten zijn is evident

5.3.8.1.1. "het is op het moment van waarnemen een onmiddellijk besef, een zekerheid die niet onderdoet voor een zogenaamde logische zekerheid"

5.3.8.1.2. maar wel soorten deelsensaties

5.3.8.2. 2 soorten direct realisme

5.3.8.2.1. naief realisme

5.3.8.2.2. Wetenschappelijk realisme

5.4. Immanuel Kant

5.4.1. Transcendentaal idealisme

5.4.2. ET32

5.4.2.1. Eens met Berkeley dat we bw niet direct kunnen waarnemen

5.4.2.1.1. maar er bestaat wel een bestendige bw

5.4.2.2. Eens met Locke dat er een bw moet zijn om ervaringen te verklaren

5.4.2.2.1. Maar sterker dan Locke's IBE

5.4.2.3. transcendentaal argument: het bestaan van een onafhankelijke buitenwereld kan pas in twijfel getrokken worden als er een van ons onafhankelijke buitenwereld bestaat

5.4.3. ET34 Postulaat en bewijs buitenwereld

5.4.3.1. Het bestaan van de buitenwereld wordt gepostuleerd (gesteld, aangenomen), en niet empirisch bewezen

5.4.3.1.1. want zoals Hume bewees geen kennis van onafhankelijke bw

5.4.3.1.2. Maar kunnen wel berdeneren dat er noodzakelijk 1 moet zijn, postuleren

5.4.3.2. Bewijs bw vanuit innerlijke ervaring in tijd

5.4.3.2.1. 1. je bent je ervan bewust dat je mentale toestanden een bepaalde volgorde hebben.

5.4.3.2.2. 2. dit vereist dat je je bewust bent van iets bestendigs: iets dat bestond vanaf je ervaring tot nu.

5.4.3.2.3. 3. dit bestendige ben jij niet, noch is het jouw impressie. Het moet een onafhankelijk object zijn.

5.4.3.2.4. 4. je bent je bewust van de buitenwereld, en dat bewustzijn ontspringt aan waarachtige ervaringen, niet aan je verbeelding

5.4.4. ET33 bewijs buitenwereld en transcendentalisme (letterlijk alles dat op ene slide staat)

5.4.4.1. Het bewijs van Kant is niet empirisch, niet gebaseerd op voorstellingen, zoals de bewijzen van de empiristen.

5.4.4.1.1. diet dat ook niet lukt

5.4.4.2. Het bewijs van Kant is gebaseerd op innerlijke ervaring

5.4.4.3. Is dit inderdaad sterker dan afleiding naar de beste verklaring (Locke)?

5.5. fenomenalisme

5.5.1. John Stuart Mill ET35

5.5.1.1. fenomenen

5.5.1.1.1. waarnemen en waarneembaar

5.5.1.1.2. niet bewust zijn van objecten, of noumena, of substanties, maar slechts van fenomenen of zintuiglijke gewaarwordingen

5.5.1.2. Objecten kun je beschouwen als 'permanente mogelijkheden van zintuiglijke gewaarwordingen

5.5.1.3. Met Berkeley

5.5.1.3.1. Overeenkomst zijn is waargenomen worden

5.5.1.3.2. Verschil is dat het bij mill ook om mogelijke gewaarwordingen gaat

5.5.2. Bertrandt Russel

5.5.2.1. ET 36 kennis door beschrijving en door vertrouwdheid

5.5.2.1.1. kennis door beschrijving

5.5.2.1.2. kennis door vertrouwdheid

5.5.2.1.3. 'uiteindelijke berust alle kennis door beschrijving volgens russel op kennis door vertrouwdheid' (blz. 63)

5.5.2.2. ET37 sense-data

5.5.2.2.1. pure, ongeïnterpreteerde zintuiglijke ervaringen

5.5.2.2.2. alleen maar onmiddellijk vertrouwd met sense data

5.5.2.2.3. objectief omdat ze 'gegeven' zijn (ze zijn wat ze zijn) en niet aan vergissing onderhevig.

5.5.2.2.4. Maar ook subjectief, want het zijn bewustzijnsinhouden en die zijn persoonsgebonden, omdat ze onder meer afhankelijk zijn van ons gezichtspunt.

5.5.2.3. Logisch construct

5.5.3. We hebben dus zekere kennis van de fenomenen (onze gewaarwordingen) en geen zekere kennis van de buitenwereld

5.6. Responsafhankelijkheid

5.6.1. Metamerisme ET 38

5.6.1.1. Metamerisme houdt in dat lichtbundels in verschillende golflengtes toch dezelfde kleurervaring kunnen geven

5.6.1.2. de kleurervaring afhankelijk is van het perceptueel apparaat van de waarnemer en niet correspondeert met fysische eigenschappen in de buitenwereld

5.6.1.3. eliminativisme

5.6.1.3.1. kleuren bestaan niet in de buitenwereld

5.6.1.4. projectivisme

5.6.1.4.1. kleuren worden door de waarnemer op de buitenwereld geprojecteerd

5.6.2. Dispositionele analyse van kleuren ET39

5.6.2.1. dat een object een bepaalde kleur (bijv. rood of geel) heeft, als dat object in normale omstandigheden bij normale waarnemers als die kleur (bijv. rood of geel) overkomt.

5.6.2.2. Kleuren bestaan in de buitenwereld als disposities om in normale lichtcondities aan normale menselijke waarnemers gekleurd voor te komen

5.6.2.3. Als een kleur onder normale omstandigheden aan de waarnemers verschijnt als die specifieke kleur dan is het die kleur

5.6.2.4. antwoord op metafysisch vraagstuk over kleuren want het gaat er vanuit dat kleuren in de bw bestaan, als wel als disposities.

5.6.3. Respons Afhankelijkheid ET40

5.6.3.1. de eigenschap is als dispositie in een object aanwezig

5.6.3.2. x is R als en slechts dan als x in condities C bij subjecten S respons R voortbrengt

5.6.3.2.1. onder normale omstandigheden bij 'normale' personen

5.6.3.2.2. x is object en R is eigenschap object

5.6.3.3. kleuren bevinden zich zo tussen objectief en subjectief (afhankelijk van waarnemers maar ook van buitenwereld)

5.6.3.3.1. Maar voor aesthetica moeilijker te zeggen

6. Hoofdstuk 3

6.1. ET46 Realisme, antirealisme en subjectiefwaarheidsrelativisme

6.1.1. realisme

6.1.1.1. de wereld buiten ons bestaat, of wij nu bestaan of niet

6.1.1.2. Dus betekenisvol over spreken

6.1.2. Antirealisme

6.1.2.1. de wereld buiten ons kunnen we niet kennen (bestaat dus voor ons niet)

6.1.2.2. Alleen betekenisvol spreken over eigen bewustzijnsinhouden

6.1.3. Subjectief waarheidsrelativisme

6.1.3.1. waarheid is relatief aan de persoon die ervan overtuigd(!) is

6.1.3.2. Alleen eigen, geen overkoepelende waarheid

6.1.3.2.1. Niet zinvol spreken over werkeijkheid

6.1.3.3. Maar problemen

6.1.3.3.1. Als swr absoluut waar dan innerlijk tegenstrijdig want niet is absoluut waar dan behalve het swr

6.1.3.3.2. En als het wel waar is, dan alleen voor de subjectiefwaarheidsrelativist?

6.2. Peirce en het falilibilisme

6.2.1. Peirce, echte en artificiële twijfel ET47

6.2.1.1. Onfeilbaarheidseis: om het zeker te kunnen weten mogen we ons niet vergissen

6.2.1.1.1. Maar volgens peirce moet het helemaal niet nodig zijn dat we ons niet kunnen vergissen om het zeker te kunnen weten

6.2.1.2. Pierce is een fallibilist en pragmatist

6.2.1.2.1. kennis is kennis die werkt

6.2.1.3. Echte twijfel

6.2.1.3.1. Echte twijfel overkomt je

6.2.1.3.2. 'levende' twijfel

6.2.1.3.3. psychologisch frustrerende toestand

6.2.1.4. Artificiele twijel

6.2.1.4.1. Twijfel die nergens toe leidt en waaraan niets productiefs ontspringt

6.2.1.4.2. kunstmatig opgeroepen twijfel

6.2.1.4.3. sceptische twijfel

6.2.1.4.4. paper doubt

6.2.2. Wetenschappelijk onderzoek is de methode om echte twijfel op te heffen; dit levert een bestendige consensus op

6.2.3. ET48 te hoge eisen aan kennis vanuit sceptici

6.2.3.1. zekerheid en onfeilbaarheidseis

6.2.3.1.1. Zekerheidseis

6.2.3.1.2. onfeilbaarheidseis

6.2.3.2. Op BIV

6.2.3.2.1. kan natuurlijk zo zijn dat ik een biv ben

6.2.3.2.2. maar geloof het niet, ben er zelfs niet van overtuigd van niet

6.2.3.2.3. Toch kan ik deze mogelijkheid niet uitsluiten, noch is mijn geloof dat ik geen BIV ben onfeilbaar

6.2.3.2.4. Voor kennis hebben we geen onfeilbaarheid en absolute zekerheid nodig

6.2.3.2.5. Maar dat komt omdat het gedachte experiment zo is geconstrueerd

6.2.3.3. Consensustheorie van de waarheid

6.2.3.3.1. iets is waar als er een (wetenschappelijke) consensus van is.

6.2.3.3.2. op basis van wetenschappelijk onderzoek

6.3. Scpetische paradox en het gettier geval

6.3.1. Opvatting van kennis ET 49

6.3.1.1. Traditionele opvatting van kennis: iemand weet iets als

6.3.1.1.1. 1. die persoon ervan overtuigd is

6.3.1.1.2. 2. de overtuiging waar is

6.3.1.1.3. Maar toevalstreffers

6.3.1.2. 3. de ware overtuiging moet een rechtvaardiging (of: verantwoording) hebben

6.3.1.3. Justified true belief

6.3.2. Gettier-geval ET 50

6.3.2.1. Aan alle voorwaarden voldaan maar toch geen sprake van kennis

6.3.2.2. Noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarden voor kennis

6.3.2.3. Iemand loopt een kamer in en ziet de klok op half twaalf staan. Het is ook half twaalf, maar de klok is kapot.

6.3.2.3.1. De persoon heeft een overtuiging (het is half twaalf), de overtuiging is waar (het is ook echt half twaalf) en heeft ook een verantwoording (de persoon ziet de klok op half twaalf staan)

6.3.2.3.2. Maar toch zou je niet zeggen dat het kennis is

6.3.3. Nozick en de waarheidsgevoeligheidseis ET 51

6.3.3.1. Oplossing voor gettier geval

6.3.3.1.1. De waarheidsgevoeligheidseis

6.3.3.2. 1. S is overtuigd dat p

6.3.3.3. 2. p is waar

6.3.3.4. 3. Mocht p niet het geval zijn, dan zou S ook niet overtuigd zijn dat p

6.3.3.5. Als het niet half twaalf was geweest zou de persoon dat nog steeds overtuigd zijn dat het half twaalf was

6.3.4. ET 52

6.3.4.1. Sceptische alternatieven zijn precies zo geformuleerd dat ze de mogelijkheid van kennis omzeilen

6.3.4.1.1. Kwade demon descartes

6.3.4.1.2. Mocht het sceptisch alternatief wel het geval zijn dan zou je dat (doorgaans) niet kunnen weten en dan voldoe je dus niet aan de waarheidsgevoeligheidseis

6.3.4.2. we geloven niet in sceptische alternatieven doorgaans

6.3.4.2.1. maar kunnen ze niet uitsluiten

6.3.4.2.2. Omdat overtuigingen dat sceptische alternatieven uitgesloten zijn niet waarheidsgevoelig zijn

6.3.5. Sceptische paradox ET 53

6.3.5.1. 1. S weet dat p

6.3.5.2. 2. S weet niet dat niet q

6.3.5.3. 3. Als S weet dat p, dan weet S dat niet q

6.3.5.4. BIV Paradox

6.3.5.4.1. 1. Ik weet dat ik handen heb

6.3.5.4.2. 2. Ik weet niet dat ik geen BIV ben

6.3.5.4.3. 3. Als ik weet dat ik handen heb, dan weet ik dat ik geen BIV ben

6.4. George Moore

6.4.1. ET 54

6.4.1.1. Common sense realism

6.4.1.2. Moore baseert zich er op dat de aannames van het gezonde verstand veel waarschijnlijker zijn dan sceptische scenario’s

6.4.1.3. de scepticus moet bewijzen dat het sceptisch alternatief waar is en niet de gewone persoon die met zijn gezond verstand de buitenwereld direct waarneemt

6.4.2. Rigorous proof ET 62 (Blz 199 en slide 213/214)

6.4.2.1. Strikt bewijs

6.4.2.2. Criterium/voorwaarde voor weten. Moet voldoen aan drie voorwaarden

6.4.2.3. 1. De premisse die ik aanvoerde als bewijs voor conclusie, moest verschillen van conclusie die ik wilde bewijzen

6.4.2.3.1. Premisse moet verschillen van conclusie

6.4.2.4. 2. de premisse die ik aanvoerde was er een waarvan ik wist dat zij het geval was En niet zomaar iets wat ik geloofde, maar waarvan ik bepaald niet zeker was, Of iets dat wel waar was, maar waarvan ik dat niet wist.

6.4.2.4.1. Premissen niet zomaar iets dat je gelooft of toeval

6.4.2.5. 3. de conclusie moest werkelijk uit de premisse voortvloeien

6.4.2.5.1. Logisch correct

6.4.3. ET 63 (Blz 199 t/m 201 en slide 216/217)

6.4.3.1. Twee bewijzen van Moore

6.4.3.2. 1) Bestaan van iets buiten ons/ de buitenwereld. het bewijs van de handen. (volgens de bovenstaande punten)

6.4.3.2.1. 1. Hier is de ene hand en hier is de andere hand uit te spreken terwijl ik mijn ene en dan mijn andere hand omhoog steek

6.4.3.2.2. 2. Je weet dat je hand hand zich met de eerste 'hier zich daar bevindt en dan de tweede zich op de tweede 'hier' bevindt. Het zou absurd zijn te suggereren dat je dat niet wist, maar alleen geloofde

6.4.3.2.3. 3. Er bestaan op dit ogenblik twee mensenhanden vloeit inderdaad uit de premissen dat ik net twee handen heb opgestoken en dat er dus nu inderdaad twee handen zijn

6.4.3.3. 2) Bestaan bestendige dingen in het verleden

6.4.3.3.1. Moor herinnert zijn publiek en zichzelf eraan dat hij zojuist twee handen omhoog heeft gehouden en nu niet meer. maar dat die handen er wel waren.

6.4.3.3.2. Er hebben dus bestendige dingen in het verleden bestaan

6.4.3.3.3. "niet zo lang geleden hield ik twee handen boven dit bureau en daarom bestonden er niet zo lang geleden twee handen; daarom hebben er op enigerlei ogenblik in het verleden ten minste twee dingen buiten ons bestaan, quod erat demonstrandum' (201 bovenaan)

6.4.3.4. kritiek: bij het zeggen 'dit is een hand' neemt Moore de buitenwereld al aan. want hij zegt dat deze hand in de bw is terwijl hij de bw wil bewijzen.

6.4.4. ET 64

6.4.4.1. Wij aanvaarden voortdurend dit soort bewijzen als volstrekt overtuigend: door dingen aan te wijzen en aan anderen te laten zien.

6.4.4.2. evidentie dat het een bewijs is

6.4.4.2.1. common sense bewijs

6.4.4.3. Door drukfouten op pagina aan te tonen bewijs je dat er drukfouten op de pagina staan

6.4.5. ET 65

6.4.5.1. mensen vinden bewijs ontoereikend

6.4.5.2. willen 'iets als een algemene uitspraak over hoe om het even welke propositie van dit soort kan worden bewezen.”

6.4.5.3. zoals descartes niet kan bewijzen dat hij niet aan het dromen is

6.4.5.3.1. het is evident maar kan niet bewezen worden

6.4.5.4. Dat is dus wat kant het schandaal vd filosofie vond, de nog niet concreet bewezen buitenwereld......

6.4.6. Flowchart

6.4.7. Maar, stelt Moore, ik kan dingen weten die ik niet kan bewijzen, en hiertoe behoren de premissen van zijn bewijzen.

6.4.8. Dit betekent niet dat de zin “dit is mijn ene hand…” een zaak is van geloof; het is iets dat ik weet zonder dat ik het kan bewijzen.

6.5. Contextualisme ET55

6.5.1. Het kennis criterium is hoe relevant de context is voor het weten van de kennis

6.5.2. Flowchart

6.6. Austin

6.6.1. Flowchart

6.6.2. ET56

6.6.2.1. spreken van kennis als er voldoende alternatieve beschrijvingen zijn uitgesloten

6.6.2.1.1. Niet alle sceptische alternatieven uitsluiten

6.6.2.1.2. genoeg om aan te tonen dat het redelijkerwijs en in de betreffende context ‘niets anders kan zijn

6.6.2.1.3. Je spreekt van kennis als er “geen ruimte is voor een alternatieve, concurrerende beschrijving”

6.6.2.2. Bijv. Onderzoek MH-17 metaaldeeltjes komen alleen maar van BUK-raket en redelijkerwijs niet van een imitatie bukraket van marsmannetjes

6.6.3. ET66

6.6.3.1. classificerende termen in ons dagelijks spraakgebruik hangt samen met aangeven relevante kenmerken

6.6.3.2. zeggen dat iets een bepaald iets is geeft aan dat je relevante kenmerken die bij dat iets horen kan aangeven

6.6.3.2.1. en dat doe je met de taal

6.6.3.2.2. Relevant’ betekent in dit geval: genoeg om aan te tonen dat er geen ruimte is voor een alternatieve, concurrerende beschrijving.

6.6.3.3. Als je je vaag wil uitdrukken, maak je gebruik van woorden als ‘Vanwege’ of ‘Aan

6.6.3.4. Als je ondubbelzinnig wil zijn, gebruik je ‘Omdat’:

6.6.4. ET67 weten en bewijzen dat

6.6.4.1. ‘Bewijzen’ betekent dat je een uitspraak rechtvaardigt door het weergeven van kenmerken die toereikend zijn, zodanig dat er geen relevant alternatief is.

6.6.4.1.1. Je gebruikt dan daarbij het woord ‘omdat’.

6.6.4.2. Soms weet je iets, maar je kunt het niet bewijzen. In dat geval druk je je vager uit

6.6.4.2.1. ‘vanwege’ of ‘aan’.

6.7. Relevantisme ET58

6.7.1. ET57 deductieve geslotenheid

6.7.1.1. als iemand iets weet en dat iets heeft bepaalde deductieve gevolgen, dan weet die persoon ook de deductieve gevolgen, of althans: dan is die persoon in ieder geval in de positie om die te weten.

6.7.1.1.1. als iemand iets weet en dat heeft deductieve gevolgen dat weet die persoon de gevolgens of is in de positie om die te weten

6.7.1.2. Moore en contextualisten vallen 3 niet aan maar sluiten twee uit

6.7.1.2.1. Door te stellen dat ze p weten door gezond verstand of door de context weten ze dat niet het sceptische alternatief het geval is (oftewel als s weet dat p dan weet s dat niet q). ze houden dus vast aan de deductieve geslotenheid.

6.7.1.3. austin en relevantisten (dretske)

6.7.1.3.1. houden niet deductieve geslotenheid want zij vallen juist 3 aan

6.7.1.3.2. 'Soms is het relevant om te weten dat ik geen BIV ben (zoals in de Matrix) Maar in andere contexten is dit niet relevant Dan kan ik weten dat ik handen heb zonder dat ik weet dat ik geen BIV ben'

6.7.1.3.3. hangt af van relevantie van context of het sceptisch alternatief moet worden uitgesloten

6.7.2. Het kenniscriterium is hoe relevant het scpetisch alternatief is, gegeven de context!

6.7.3. Flowchart

6.7.3.1. Gat is in flowchart: 'is q relevant gegeven de context (externalistisch, objectieve waarschijnlijkheid!)?

6.7.4. Dretske en de zebra-paradox ET58

6.7.4.1. 1.S weet dat er achter de omheining zebra's staan

6.7.4.2. 2. S weet niet dat er achter de omheining geen zwartwit geverfde ezels staan

6.7.4.3. 3. Als S weet dat er achter de omheining zebra's staan dan weet S dat er achter de omheining geen zwart-wit geverfde ezels staan

6.7.4.4. Wel relevant in dierentuin in Gaza

6.7.4.5. Maar niet in Artis

6.8. ET59 extern en internalistisch

6.8.1. Bij contextualisme internalistisch want gaat over wat voor S op het spel staat

6.8.2. Bij relevantisme Externalistisch want gaat om objecte warschijnlijkheid van de situatie, buiten S om

7. Hoofdstuk 4

7.1. 3 deelproblemen van het conceptueel scepticisme ET 68

7.1.1. Metafysisch deelprobleem

7.1.1.1. wat van alles wat zich buiten ons bevindt, heet bewustzijn en wat niet?

7.1.1.2. Zijn er soorten of gradaties?

7.1.1.3. Wat is he criterium voor het hebben van een bewustzijn

7.1.1.4. Over bestaan van

7.1.2. Epistemologisch deelprobleem

7.1.2.1. Kunnen we zeker weten dat anderen bewustzijn hebben?

7.1.2.2. Waarop baseren we dit?

7.1.2.3. Kunnen we weten of anderen dezelfde ervaringen hebben als wij?

7.1.2.4. Over weten van

7.1.3. Conceptueel deelprobleem

7.1.3.1. Hoe kunnen we begrippen die we hanteren om ons eigen mentaal leven te bepaIen, ooit gebruiken om het mentaal even van een ander te begrijpen?

7.1.3.2. Over communiceren met

7.2. Solipsisme ET 69

7.2.1. Het solipsisme is de leer die stelt dat alleen ons eigen ik en onze eigen bewustzijnsdaden bestaan

7.2.2. ....geloof je dat er in de hele wereld maar 1 bewustzijnsvorm is en dat jij dat bent

7.2.2.1. Alle andere bewustzijnsvormen zijn onzeker

7.2.3. Toegepast op de deelproblemen, lost ze allemaal op eigenlijk

7.2.3.1. Metafysisch

7.2.3.1.1. Er zijn geen andere bewustzijnsvormen buiten jijzelf

7.2.3.2. Epistemologisch

7.2.3.2.1. Je bent er zeker van dat je een eigen bewustzijn hebt

7.2.3.2.2. bovendien kan je je onmogelijk vergissen op het gebied van je eigen bewustzijnsinhouden

7.2.3.3. Conceptueel

7.2.3.3.1. ZIjn geen andere bewustzijnsvormen waarmee je zou moeten communiceren

7.2.3.3.2. er zijn geen andere bewustzijnsvormen die jij met jouw begrippen zou moeten proberen te begrijpen

7.2.4. Descartes en solipsisme

7.2.4.1. Cogito ergo sum leidt tot zekerheid bestaan eigen geest maar niet bestaan andere geesten

7.2.4.1.1. want het cogito ergo sum strekt maar zover als je eigen geest. het zegt niets over het kennen van het cogito van anderen.

7.2.4.2. Veronderstellingen bij res cogitans

7.2.4.2.1. 1. de RC kan zomaar zelfstandig worden gedacht als een substantie/ding los van andere

7.2.4.2.2. 2. Dat de geest een geheimen voor zichzelf heeft, dat descartes onmiddellijke toegang heeft tot zijn eigen geest

7.2.4.3. Primaire tekst

7.2.4.3.1. ET 80

7.2.4.3.2. ET 81 substantie van 'ik'

7.2.4.3.3. ET 82 belang wasexperiment

7.3. probleem van andere geesten en filosofische zombies

7.3.1. “Je kunt niet zeker weten of anderen alleen een schijnbaar mentaal leven hebben dat grotendeels te vergelijken is met dat van jou, terwijl ze in werkelijkheid geen binnenwereld of belevingswereld hebben” (111)

7.3.1.1. Ze handelen en reageren hetzelfde op prikkels maar je kan niet weten of ze in hun binnenwereld ook hetzelfde ervaren

7.3.2. Functionalisme ET70

7.3.2.1. “Volgens het functionalisme kunnen mentale toestanden volledig worden gekarakteriseerd in termen van de ‘functionele rol’ die ze spelen. Die functionele rol omvat de sensorische input waaraan mentale toestanden ontspringen, de motorische output waartoe ze leiden en de manier waarop ze zich verhouden tot andere mentale toestanden. …

7.3.2.2. Het gaat om de sensorische input en motorische output

7.3.2.2.1. Als die hetzelfde is dan zelfde binnenwereld?

7.3.2.3. zolang hun interne toestanden dezelfde functionele rol spelen, blijven de mentale toestanden hetzelfde

7.3.2.3.1. Functionele rol altijd noemen

7.3.2.4. Volgens functionalisten vallen mentale toestanden samen met hun functionele rol in de binnenwereld.

7.3.2.5. en dus hebben fil.zombies n robots dezelfde mentale toestanden want de functionele rol kan precies hetzelfde zijn

7.3.3. Binnen en belevingswereld en spectruminversie ET71

7.3.3.1. Binnenwereld

7.3.3.1.1. alles wat te maken heeft met representaties en het manipuleren ervan is de binnenwereld

7.3.3.1.2. De pijnprikkel

7.3.3.2. Belevingswereld

7.3.3.2.1. de pure, kwalitatieve beleving daarvan, de ervaring zelf is de belevingswereld

7.3.3.2.2. Het ervaren van de pijn

7.3.3.3. Fil zombies en robots hebben misschien wel binnenwereld maar geen belevingswereld (voor zover we weten). Ze ervaren, voelen de pijn niet echt

7.3.3.4. Spectruminversie

7.3.3.4.1. Het gedachte-experiment van spectruminversie houdt in dat verschillende mensen met dezelfde term kunnen verwijzen naar de waarneming van verschillende kleuren.

7.3.3.4.2. Ik noem een voorwerp blauw en een ander noemt een voorwerp blauw maar eigenlijk 'zien' we totaal andere kleuren.

7.3.3.5. 'De relatie tussen gedrag en mentale toestanden is niet één op één en we kunnen ons vergissen bij wat we aan anderen toeschrijven.'

7.3.4. qualia en fenomenaal bewustzijn ET72

7.3.4.1. qualia:

7.3.4.1.1. de zuiver kwalitatieve aspecten van de ervaring

7.3.4.2. Fenomenaal bewustzijn:

7.3.4.2.1. De kwalitatieve belevingsaspecten die uitmaken ‘hoe het is’ om een bepaalde ervaring te hebben, vormen samen het fenomenaal bewustzijn.

7.3.4.3. Kunnen we de belevingswereld loskoppelen van de binnenwereld?

7.4. Spectruminvsersie

7.5. Continentale filosofie Et 73-74

7.5.1. ET74 privetaal-argument

7.5.1.1. Ludwig Wittgenstein

7.5.1.1.1. 1. (on)mogelijkheid van een privétaal

7.5.2. Et 73 pseudo probleem

7.5.2.1. Edmund Husserl

7.5.2.1.1. Fil zombies hebben geen fen. bew.

7.5.2.1.2. 2. intentionaliteit van ervaringen

7.5.2.2. Maurice Merleau-ponty

7.5.2.2.1. 3. gesitueerdheid van ervaring

7.5.2.3. Jean Paul Sartre

7.5.2.3.1. 4. ontmoeten van de Ander in de ervaring

7.5.2.4. Emmanuel Levinas

7.5.2.4.1. 5. direct ethisch appèl van de Ander in onze waarneming

7.5.2.5. Ons bewustzijn 'andere' geesten ligt aan basis eigen bewustzijn

7.5.2.5.1. mens in essentie sociale wezens

7.5.2.5.2. Niet omgekeerd zoals bij pom wordt verondersteld

7.6. Directe of indirecte toegang

7.6.1. ET76 Direct realisme

7.6.1.1. (Onmogelijk om geest direct waar te nemen)

7.6.1.2. Parallel DR met hallucinaties en illusies en fil zombies.

7.6.1.2.1. Je denkt een appel te zien maar het blijkt een hallucinatie te zijn, je denkt een mens met een belevingswereld te zien maar het blijkt een filosofische zombie te zijn.

7.6.1.2.2. als DR een oplossing heeft voor hallucinaties en illusies dan missch ook voor fil zombies

7.6.1.3. gezond verstand en wetenschappelijke inzichten

7.6.1.3.1. We kunnen ons af en toe vergissen

7.6.1.3.2. cognitiewetenschap

7.6.2. John Stuart Mill ET75

7.6.2.1. Indirecte toegang werkelijk een probleem?

7.6.2.2. Analogie Redenering

7.6.2.2.1. Input en output is zelfde, maar binnenwereld is onbekend

7.6.2.2.2. de output is het gedrag en ik koppel daar voor mezelf een mentale toestand aan

7.6.2.2.3. Ik zie een ander persoon met dezelfde input en gedrag (als output) als ik. de mentale toestand moet dan ook hetzelfde zijn

7.6.2.2.4. Maar filosofische zombies hebben zelfde gedrag maar niet dezelfde mentale toestand

7.6.2.2.5. Maar inductie want gebaseerd op individuele waarnemingen getrokken tot een algemene conclusie

7.7. Panpsychisme ET79

7.7.1. 'Panpsychisme schrijft aan werkelijk alles, dus ook aan objecten, bewustzijn en mentale toestanden toe'

7.7.1.1. metatheorie

7.7.2. tegenhanger van solipsisme in de zin dat alles een bewustzijn heeft terwijl bij het solipsisme jij de enige bewustzijnsvorm bent.

7.8. Aristoteles hylemorfisme ET 78

7.8.1. Levende substanties bestaat uit vorm (morphe) en stof (hyle)

7.8.2. Substanties hebben soorten ziel

7.8.2.1. Planten

7.8.2.1.1. Vegetatieve ziel

7.8.2.2. Dieren

7.8.2.2.1. Sensitieve ziel

7.8.2.3. Mensen

7.8.2.3.1. Intellectuele ziel

7.8.2.3.2. En ook vegetatieve en sensitieve ziel

7.8.3. Ook dieren en planten hebben dus soort ziel

7.9. Hume ET83 84

8. Hoofdstuk 5

8.1. ET85 houding tegenover waarheid

8.1.1. Pyrronisten

8.1.1.1. Pyrronist heeft geen vaste overtuigingen

8.1.1.2. Schorten oordeel op

8.1.1.3. Geen uitspraken over hoe de wereld 'werkelijk' is

8.1.2. wetenschappelijk en activistisch scepticisme

8.1.2.1. ' is ervan overtuigd dat wetenschappelijke methodes tot betrouwbare kennis kunnen leiden en dat we van veel zaken weten hoe ze feitelijk zijn'

8.1.2.2. tegen kwakzalverij

8.1.2.3. Actief tegen niet-wetenschappelijke zaken

8.2. ET86 Betekenis en criteria waarheid

8.2.1. Betekenis: over wat waarheid is

8.2.1.1. Correspondentietheorie Waarheid: waarheid is wat overeenkomt met de stand van zaken in de werkelijkheid

8.2.1.1.1. beweerzinnen zijn 'waar' als ze in overeenstemming zijn met de feiten' blz. 135

8.2.2. Criteria: wanneer je over waarheid mag spreken

8.2.2.1. wanneer je iets voor waar 'kan' aannemen

8.2.2.2. Coherentie?

8.2.2.3. 'In situaties waarin je niet direct kunt vaststellen wat de feiten zijn, bekijk je of de bewering te rijmen valt met andere beweringen of met al eerder verworven overtuigingen (coherentie en consistentie).'

8.3. Pierre Bayle ET92

8.3.1. Wat men behoort te doen is volgens Bayle alleen afhankelijk van wat men van binnenuit gelooft, niet van wat van buitenaf waar is of als waar wordt beschouwd

8.3.1.1. Martin de Guerre

8.3.1.2. Vrouw is overtuigd dat zij met haar man slaapt die na zoveel jaar oorlog weer is teruggekeerd naar huis, hij lijkt op hem etc.

8.3.1.3. Maar het is hem niet

8.3.1.3.1. Wel of niet goed?

8.3.2. (a) Dus tolerantie tegenover andersdenkenden omdat je het en ze niet objectief kan beoordelen

8.3.2.1. En dus ook religieuze tolerantie

8.3.2.2. We moeten andere mensen altijd hun geweten laten volgen, zelfs wanneer zij volgens ons echt onjuiste opvattingen hebben

8.3.2.2.1. Het is zelfs een plicht

8.3.2.3. Sceptische houding tegenover waarheid van geloofsovertuigingen

8.3.2.3.1. geen criterium om waarheid vast te stellen welke geloof het ware is

8.3.3. (b) De kerkvader Augustinus daarentegen meende dat christenen de plicht hebben ongelovigen zelfs met dwang tot het ware (christelijk) geloof te brengen.

8.3.4. ET95 dwalend geweten

8.3.4.1. Het enige wat mensen kunnen doen is sommige dingen voor waar houden en andere niet.

8.3.4.1.1. Er is geen enkel zeker bewijs voor de waarheid van het ene geloof en de onwaarheid van het andere geloof.

8.3.4.1.2. Onbegrijpelijkheid, vastheid van overtuiging en geloofsijver komen bij allerlei verschillende religies voor.

8.3.4.1.3. Dus geen waarheid van ene of andere vast te stellen

8.3.4.2. Op basis van een onterechte overtuiging tegen je geweten in handelen

8.4. ET93 wereldbeelden

8.4.1. Een wereldbeeld is een geheel van opvatingen op basis waarvan men problemen oplost, keuzes maakt en (wel of niet) handelt.

8.4.1.1. Rationaliteit zorgt binnen een wereldbeeld voor de samenhang tussen de overtuigingen onderling en tussen overtuigingen en de daaruit voortvloeiende handelingen.

8.4.1.1.1. samenhang overtuigingen in wereldbeeld en samenhang opvattingen en handelingen

8.4.1.1.2. Internalistisch

8.4.1.1.3. Interne maatstaf of overtuigingen innerlijk tegenstrijdig zijn

8.4.1.1.4. coherentie binnen wereldbeeld

8.4.1.2. Integriteit zorgt voor het eerlijk omgaan met je overtuigingen

8.4.1.2.1. handelen volgens je wereldbeeld

8.4.1.2.2. jezelf niet voor de gek houden, maar eerlijk zijn tegenover je overtuigingen

8.4.1.2.3. Zodra ze echter op onredelijke wijze elkaars zienswijze negeren of argumenten voor een andere dan de eigen zienswijze ontkennen, dan is dat geen kwestie van een gebrek aan rationaliteit maar een gebrek aan integriteit

8.5. ET94 nut sceptische twijfel

8.5.1. Sceptische twijfel kan redelijk en productief zijn in situaties waarin bestaande oplossingen voor problemen niet goed blijken te werken

8.5.2. openstaan voor alternatieve verklaringen

8.5.3. Men kan zich dan afvragen of de vooronderstellingen waar men van uitgaat wel juist zijn

8.6. Kuhn's aristoteles ervaring ET96

8.6.1. Aristoteles fysica op andere uitgangspunt gebaseerd en nu vinden we het niet correct meer

8.6.1.1. maar voor aristoteles met zijn uitgangspunten was het een coherent geheel

8.6.1.2. Aristoteles physica niet slechter of midner kanp of rationeel, gewoon anders

8.6.1.2.1. paradigma onverelijkbaar

8.6.2. 'Kuhn kwam er achter dat men theorieën in hun onderlinge samenhang moet beschouwen en niet zo maar los kan maken uit zo'n samenhangend geheel.'

9. ET60 terugplaasten