Openbaar Bestuur

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Openbaar Bestuur Door Mind Map: Openbaar Bestuur

1. Majone en Wildavski: policy shapes implementation and implementation shapes policy.

2. Roept een schuldvraag op. Dit is een middel om beleid te beëindigen

3. Jensen: Principaal-agent theorie: principaal weet niet precies wat de agent doet, maar dat hoort wel.

4. Openbare organisatie

4.1. Burgers vormen de omgeving, maar hebben geen keus voor een ander

4.2. Organisatievormen

4.2.1. Bureaucratisch. Hiërarchische taakverdeling, benoeming door deskundigheid, veel zaken op schrift.

4.2.1.1. Eerlijk, voorspelbaar, verantwoordingsplicht, maar administratieve lasten

4.2.1.2. Regenten deden weinig, provincies en stadhouders veel. Vaak meer bestuurders dan ambtenaren.

4.2.2. Professioneel. Ingewikkeld werk. Loyaliteit aan professie, niet aan hiërarchie. Decentrale structuur.

4.2.3. Projectmatig. Verwerven en uitvoeren van projecten. Taken zijn in tijd begrensd en scherp beschreven. Werk op maat, dynamische omgeving. Personeel wordt aangenomen voor specifieke taak.

5. Het Middenveld

5.1. Non-profit organisatie met publieke taak

5.2. Non-profit organisatie zonder publieke taak

6. De Staat

6.1. Politiek

6.2. Ambtelijk Apparaat

6.3. ZBO

7. Overheid

8. De Markt

8.1. Bedrijfsleven

9. Openbare sector

9.1. Collectiviteit, algemeen belang

10. Private sector

10.1. Winstoogmerk

11. (Uitgebreid) huis van Thorbecke

11.1. EU

11.2. Rijksoverheid

11.3. Provincies

11.4. Regio's

11.5. Gemeenten

11.6. Deelgemeenten/wijken

12. Goed Bestuur (VN)

12.1. Democratie

12.1.1. Responsief, interactie, open staan voor initiatief, legitimiteit (aanvaardbaarheid)

12.1.1.1. Inspraakavonden zijn vaak niet interactief genoeg

12.1.1.2. Pressiegroepen bereiken veel

12.1.1.3. Politieke partijen zijn ook "inspraak"

12.2. Rechtmatigheid

12.2.1. Bescherming burgers. Macht in naam der wet

12.3. Doeltreffendheid & Doelmatigheid

12.3.1. Doelen behalen en middelen beperken

12.4. Integriteit

12.4.1. Openheid en niet omkoopbaar etc. Integriteit in NL is hoog

13. Geschiedenis

13.1. Republiek NL -1795

13.2. Nachtwakerstaat -1930

13.2.1. Er vond centralisatie plaats, maar niet veel. Vanaf 1870 verzorgender door industrialisatie (begon bij collectiviteit in steden)

13.3. Verzorgingsstaat

13.3.1. Door de crisis in de jaren '30 verzorgde de overheid steeds meer. Werkgelegenheid, wederopbouw. Zorg, onderwijs, welzijn

13.4. Decentralisering

13.4.1. Sturen, niet roeien. Doelmatiger en prettiger.

14. Publieke waarde

14.1. Maatschappelijke sturing richt zich op het toevoegen van publieke waarde

14.2. Publieke goeden

15. Taken overheid

15.1. Preventie van monopolies en kartels

15.2. Productie van publieke goederen

15.3. Regulering van externe effecten

15.4. Omgaan met bemoeigeoderen (cultuur, tabak)

15.5. Compenseren en voorkomen van ongelijkheid

15.6. Nadelen

15.6.1. Beperken vrije markt

15.6.2. Inefficiëntie

15.6.3. Onvoorspelbaar en selectief

15.6.4. Beperking concurrentie

15.6.5. Bureaucratie

16. Beleid

16.1. Sturing

16.1.1. Dwingend of niet-dwingend

16.1.2. Sturing is noodzakelijk in een samenleving

16.1.3. Agendavorming

16.1.3.1. Eerst moet potentieel beleid op de agenda komen. Er wordt flink gelobbyd en gedebatteerd voor de plaatsing en urgentie van een onderwerp.

16.1.4. Beschermt publieke en private actoren tegen elkaar

16.1.5. Via verschillende wegen

16.1.5.1. Overheid

16.1.5.2. Markt

16.1.5.3. Gemeenschap

16.2. Omgeving van Beleid

16.2.1. Interne omgeving

16.2.1.1. Geld en middelen

16.2.1.2. Haalbaarheid

16.2.1.3. Steun van politiek

16.2.1.4. Deskundigheid

16.2.2. Externe omgeving (Beleidscontext)

16.2.2.1. Ecologisch / geofysisch

16.2.2.2. Sociaal, cultureel

16.2.2.3. Economisch

16.2.2.4. Technologisch

16.2.2.5. Juridisch

16.2.2.6. Politiek

16.3. Beleidsprocessen

16.3.1. Beleidsvorming

16.3.1.1. Het maken van voorstellen en daarmee beleidsdocumenten

16.3.2. Beleidsuitvoering

16.3.2.1. Intern of extern

16.3.2.2. Publiek of privaat

16.3.2.2.1. Hybride organisaties, publiek private samenwerkingen

16.3.3. Beleidsevaluatie

16.3.3.1. Soms wettelijk vastgelegd

16.3.3.2. Leren en verbeteren

16.3.3.3. Controleren

16.3.4. Perspectieven

16.3.4.1. Analytisch

16.3.4.1.1. Inhoudelijke deugdelijkheid

16.3.4.2. Politiek

16.3.4.2.1. Macht en verdeling

16.3.5. Barrière model

16.3.5.1. Realisatiemacht: alle fasen doorlopen

16.3.5.2. Hindermacht: barrière opwerpen

16.3.6. Stromen model (Kingdon)

16.3.6.1. Er zijn drie stromen, als die raken is er een beleidsraam en kan er beleid worden gemaakt

16.3.6.1.1. Problemen

16.3.6.1.2. Partijen

16.3.6.1.3. Oplossingen

16.4. Donner: er wordt een raam gemaakt maar de uitvoeringsorganisatie heeft nog een hoop in te vullen (policy discretion)

16.5. Wilson: De politiek schept het beleid en het bestuur voert uit.

17. Beleidsterugkoppeling

18. Organisatie

18.1. Organisaties hebben meer macht dan individuen onder andere door oneindige levensduur

18.2. Verschillende beginsels

18.2.1. Doelbeginsel (per beleidsgebied)

18.2.2. Procesbeginsel (per proces)

18.2.3. Clientèlebeginsel (per doelgroep)

18.2.4. Geografisch beginsel (per gebied)

18.3. Hiërarchie

18.3.1. Span of control

18.3.1.1. Een manager heef idealiter of 15-20 of 4-6 mensen onder zich

18.3.2. Coördinatie is de afstemming en registratie van handelingen

18.4. Organisatiestructuur

18.4.1. Contingentietheorie

18.4.1.1. De vorm van een organisatie hangt af van de omgeving.

18.4.1.1.1. De organisatiekenmerken moeten zo veel mogelijk zijn afgesteld op de omgeving

18.4.1.2. Er is een gezamenlijk doel als grondslag van de organisatie.

18.4.1.3. De organisatie is een instrument

18.4.2. Institutionele theorie

18.4.2.1. De beste organisatievorm is de vorm met de meeste steun

18.4.2.2. Isomorfisme (organisaties gaan op elkaar lijken)

18.4.2.2.1. Dwingend isomorfisme

18.4.2.2.2. Imitatie isomorfisme

18.4.2.2.3. Normatief isomorfisme

18.4.3. De structuur schept de randvoorwaarden

18.4.3.1. Het organogram is een formele, schematische weergave van de structuur

18.4.3.2. Informeel wordt de hiërarchie niet altijd nageleefd.

18.4.4. De cultuur verwijst naar de verdere invulling van handelingen.

18.4.4.1. Informeel wordt de cultuur gevormd

18.4.4.2. Formeel wordt de cultuur vastgelegd

19. Uitvoeringsorganisatie

19.1. Top-down of Buttom op benadering

19.2. Lipsky: Theory of Street-level bureaucratie: meer discretionaire ruimte

20. Personeelsbenadering

20.1. Administrative Management: Manager (Planning, organizing, staffing, directioning, coordinating, reporting, budgetting)

20.1.1. Noordegraaf: managers doen wat ze denken dat goed is

20.1.2. Taylor: Scientific Management. Beleid werd uitgevoerd op wetenschappelijke wijzen. Weinig aandacht voor menselijke behoefte

20.1.3. Mintzberg: sluit niet aan bij wat hoort

20.2. Human Relations. sociale en psychologische dimenseis

20.3. Revisionisme. Harder dan HR. Niet alleen Extrinsieke, maar intrinsieke motivatie.

20.3.1. X: lui, passief, conservatief

20.3.2. Y: graag werkend, onder controle, creatief

21. Publiek leiderschap

21.1. Politiek-bestuurlijk

21.2. Ambtelijk

21.3. Maatschappelijk