Algemene Economie

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Algemene Economie Door Mind Map: Algemene Economie

1. hoofdstuk 1

1.1. bedrijfsomgeving

1.1.1. directe bedrijfsomgeving

1.1.1.1. is invloed op uit te oefenen. -leveranciers -afnemers -concurrenten

1.1.2. indirecte bedrijfsomgeving

1.1.2.1. is geringe invloed op uit te oefenen. -milieu -mededinging -arbeid

1.1.3. Ruime bedrijfsomgeving (macro)

1.1.3.1. is geen invloed op uit te oefenen. -conjunctuur -wisselkoersen -loonkosten -energieprijzen -rente

1.2. schaarste

1.2.1. Beperkte hoeveelheid grondstoffen en machines

1.3. welvaart

1.3.1. het beschikken over goederen en diensten voor de bevrediging van behoeften.

1.4. economisch handelen

1.4.1. het streven naar maximale welvaart met behulp van schaarse middelen.

1.5. waardestijging van een variabele (2 soorten)

1.5.1. reële stijging

1.5.1.1. volumeverandering van een variabel

1.5.2. nominale stijging

1.5.2.1. waardestijging van een variabele

1.6. inflatie

1.6.1. stijging van de gemiddelde consumentenprijzen

1.7. Berekeningen

1.7.1. Arbeidsproductiviteit

1.7.1.1. aantal werknemers X de productie per werknemer = arbeidsproductiviteit

1.7.2. Bruto binnenlands product (BBP)

1.7.2.1. aantal werknemers (Av) X arbeidsproductiviteit (Ap) bbp = Av x Ap

1.7.3. totale loonsom (L)

1.7.3.1. Loonsom per werknemer (Lwn) X de hoeveelheid werknemers (Av) L = Lwn x Av

1.7.4. loonkosten per eenheid product (LKp.e.p)

1.7.4.1. loon per werknemer (Lwn) / arbeidsproductiviteit (Ap) LKp.e.p. = Lwn / Ap

2. hoofdstuk 2

2.1. BBP

2.1.1. wat is het ?

2.1.1.1. het is de belangrijkste maatstaf om welvaart met landen te vergelijken. de groei van het BBP is de maatstaf voor de economische groei

2.1.2. als je het bbp wil vergelijken met andere landen, welke 3 dingen moet je dan weten?

2.1.2.1. het BBP per hoofd van de bevolking

2.1.2.2. het bbp omzetten in 1 munt, bijvoorbeeld de dollar

2.1.2.3. corrigeren voor de verschillen in koopkracht van de munt per land.

2.2. welzijn

2.2.1. maatstaf voor het meten van welzijn

2.2.1.1. HDI - levensverwachting bij de geboorte - kennis, gemeten als deelname aan het onderwijs - inkomen per hoofd van de bevolking

2.2.2. welzijn heeft veel te maken met welvaart maar is niet het zelfde. welzijn is meer de geluksbeleving in een samenleving

2.3. toegevoegde waarde

2.3.1. tijdens een productie voegt een bedrijf waarde toe aan het product, het product word geschikter gemaakt voor het gebruik.

2.4. berekening BBP mp BBP fk NBP fk

2.4.1. -opbrengsten verkopen -inkopen bbpmp kostprijsverhogende belastingen kostprijs verlagende subsidies BBPfk afschrijvingen NBPfk lonen rente en winst

2.5. overheid

2.5.1. productie

2.5.1.1. aanleg van wegen, dijken en pijpleidingen. dit is geen toegevoegde waarde

2.5.2. toegevoegde waarde

2.5.2.1. heeft werknemers in dienst om waarde toe te voegen

2.6. productie

2.6.1. waarde toevoegen aan producten door inzet van arbeid, natuur en kapitaal.

3. hoofdstuk 8

3.1. inflatie

3.1.1. wat is inflatie?

3.1.1.1. is een stijging van de gemiddelde consumentenprijzen

3.1.2. wat gebruikt het CBS als maatstaf voor inflatie?

3.1.2.1. consumentenprijsindex

3.1.3. Oorzaken van inflatie

3.1.3.1. -toenemende bestedingen (uitgaande boven de productiecapaciteit -stijgende invoerprijzen -overheidsmaatregelen met betrekking tot accijnzen, BTW, huren etc. -stijgende loonkosten -stijgende winst- en kapitaalkosten

3.2. deflatie

3.2.1. een daling van de gemiddelde consumentenprijzen

3.3. overbesteding

3.3.1. als de vraag groter is dan het aanbod. (zo kan inflatie ontstaan)

4. hoofdstuk 4

4.1. consumptie

4.1.1. marginale consumptiequote

4.1.1.1. geeft weer hoeveel van een extra euro inkomen wordt geconsumeerd.

4.1.2. consumptiepatroon

4.1.2.1. een pakket goederen en diensten ter bevrediging van hun behoeften (gezinnen)

4.1.3. intermediair verbruik

4.1.3.1. producten die bedrijven van elkaar kopen om te kunnen produceren

4.1.4. bepalende factoren van de consumptie

4.1.4.1. inkomensstijging, inkomensnivellering, vermogenstoename en als laatste reële rentestijging. alleen de laatste heeft een negatieve invloed, de rest een positieve.

4.2. investeringen

4.2.1. vervangingsinvesteringen

4.2.1.1. het aanschaffen van kapitaalgoederen wegens slijtage

4.2.2. uitbreidingsinvesteringen

4.2.2.1. gericht op het vergroten van de productiecapaciteit

4.2.3. voorraadinvesteringen

4.2.3.1. bedrijven kunnen meer voorraden aanbrengen als ze bijvoorbeeld verwachten dat de afzet gaat toenemen

4.2.4. bezettingsgraad

4.2.4.1. geeft aan voor hoeveel procent van de bedrijfstijd de machines en kapitaalgoederen werkelijk in bedrijf zijn.

4.2.5. groei van investeringen

4.2.5.1. afzetverwachting, bezettingsgraad, de winst en als laatste de rente. de rente heeft een negatieve invloed op de investeringen, de rest van de zaken hebben een positieve invloed.

4.3. export en import

4.3.1. de ontwikkelingen in de export worden bepaald door 2 groepen

4.3.1.1. conjunctuur

4.3.1.1.1. de economische groei of daling

4.3.1.2. concurrentiepositie

4.3.1.2.1. de concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven. dit bepaald het CPB d.m.v. de arbeidskosten, de prijzen en de marktaandelen.

4.3.2. prijsconcurrentiepositie

4.3.2.1. het verschil tussen de ontwikkeling van de prijzen van buitenlandse producten en de prijzen van nederlandse producten

5. hoofdstuk 3

5.1. kapitaalgoederen

5.1.1. kapitaalgoederenvoorraad

5.1.1.1. alle goederen die in het productieproces worden gebruikt of verbruikt

5.1.2. duurzame kapitaalgoederen

5.1.2.1. gaan langer dan 1 periode mee, bijvoorbeeld: fabriekshallen, kantoren en winkels

5.1.3. vlottende kapitaalgoederen

5.1.3.1. worden verwerkt in het eindproduct.

5.1.4. kapitaalcoëfficiënt

5.1.4.1. geeft weer hoeveel kapitaalgoederen nodig zijn voor het vervaardigen van een eenheid product.

5.1.5. halffabrikaten

5.1.5.1. ze zijn al een bewerking ondergaan maar zijn nog niet klaar voor gebruik

5.2. arbeid

5.2.1. potentiële beroepsbevolking

5.2.1.1. mensen tussen de 15 en 75 jaar oud

5.2.2. beroepsbevolking

5.2.2.1. het deel van de potentiële beroepsbevolking dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. (dus werkt of werkt zoekt)

5.2.3. participatiegraad

5.2.3.1. geeft weer welk deel van de potentiële beroepsbevolking deelneemt aan het arbeidsproces.

5.3. Loon

5.3.1. loonkosten

5.3.1.1. het bedrag wat een ondernemer betaald per werknemer

5.3.2. nettoloon

5.3.2.1. het bedrag zonder werkgevers- en werknemerspremies en de directe belastingen

5.3.3. wig

5.3.3.1. het bedrag van de werkgevers- en werknemerspremies en de directe belastingen bij elkaar

5.4. conjunctuur

5.4.1. hoog conjunctuur

5.4.1.1. als de economie meer dan gemiddeld groeit

5.4.2. laag conjunctuur

5.4.2.1. als de economie minder dan gemiddeld groeit

5.5. berekeningen

5.5.1. procentuele groei van de productie (gBBP)

5.5.1.1. de procentuele groep van de arbeidsproductiviteit (gAp) + de procentuele groei van de werkgelegenheid (gAv) gBBP = gAp + gAv

5.5.2. procentuele verandering in de arbeidskosten per eenheid product (gAp.e.p)

5.5.2.1. procentuele verandering in de loonsom per werknemer (gLwn) - procentuele verandering in de arbeidsproductiviteit (Gap) Gap.e.p = GLwn - GAp

5.5.3. arbeidsinkomenquote

5.5.3.1. totale loonsom (L) / netto binnenlands product (NBP) AIQ = L / NBP

6. hoofdstuk 9

6.1. conjunctuurgolven

6.1.1. kondratieff

6.1.1.1. grote product- en procesinnovaties (duur 47-57 jaar)

6.1.2. juglar

6.1.2.1. investeringen in vaste activa (duur 7-11 jaar)

6.1.3. kitchin

6.1.3.1. voorraadinvesteringen (duur 3-5 jaar)

6.2. conjunctuurcyclus

7. hoofdstuk 10

8. hoofdstuk 12