NEDERLANDS

Onze mindmap voor Nederlands!

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
NEDERLANDS Door Mind Map: NEDERLANDS

1. Grammatica

1.1. Woordsoorten

1.2. Zinsdelen

1.3. Volgorde

1.3.1. Welk woord komt op welke plek?

2. Schrijven

2.1. Woordenschat

2.1.1. Nieuwe woorden

2.1.2. Welke woorden

2.2. Wat kun je schrijven? Wat schrijven jullie?

2.2.1. Brief

2.2.1.1. aan een vriend/vriendin

2.2.2. Verhaal

2.2.2.1. wat voor verhaal?

2.2.3. Samenvatting

2.2.3.1. van een andere tekst

2.2.3.2. om te leren

2.2.3.3. om te kijken of je het begrijpt

2.2.3.3.1. Tegenstellingen (motsatsord) = woorden die precies het omgekeerde betekenen

2.2.4. Reportage

2.2.4.1. over een beroep

2.2.4.2. over een interessant persoon

2.2.5. Mail

2.2.6. Dagboek

2.2.7. SMS

2.2.8. Social Media

2.2.9. Verhaal

2.3. Schrijven voor wat?

2.3.1. Wat is het doel?

2.3.1.1. Om iemand te overtuigen/overhalen

2.3.1.2. Informatie geven

2.3.1.3. Voor de lol

2.3.2. Hoe ga je te werk?

2.4. Waar moet je om denken?

2.4.1. Opbouw

2.4.1.1. Inleiding

2.4.1.2. Middenstuk

2.4.1.3. Slut/conclusie

2.4.2. Wat voor tekst het is

2.4.2.1. Hoe zien die teksten eruit?

2.4.2.2. Typische kenmerken (kännetecken)

2.4.3. Spelling

2.4.3.1. d/t of dt?

2.4.3.2. au of ou?

2.4.3.3. ei of ij?

2.4.4. Signaalwoorden

3. Lezen

3.1. Uitleggen hoe iets moet - Instructie

3.1.1. Recept

3.1.2. Uitleg

3.1.3. Spelregels

3.2. Begrijpen/ Verstaan

3.2.1. Wat staat er?

3.2.2. Wat bedoelen ze?

3.2.3. Wat voor soort tekst is het?

3.2.3.1. Artikel

3.2.3.2. Berichtje

3.2.4. Synoniemen = woorden die hetzelfde betekenen

3.2.5. Informatie geven

3.2.6. Wat is het doel?

3.2.6.1. Uitleggen hoe iets moet - Instructie

3.2.6.1.1. Recept

3.2.6.1.2. Uitleg

3.2.6.1.3. Spelregels

3.2.6.2. Voor de lol

3.2.6.3. Om iemand te overtuigen/overhalen

3.3. Tussen de regels door lezen (Läsa mellan raderna)

3.4. Wat kun je lezen? Wat lezen jullie?

3.4.1. Boeken

3.4.2. Teksten

3.4.3. Reclame

3.4.4. Borden

3.4.4.1. Informatie

3.4.4.2. Verkeersborden

3.5. Krantenartikel

3.6. Beeldspraak

3.6.1. Spreekwoorden

3.6.1.1. Beter laat dan nooit

3.6.1.2. Niet geschoten is altijd mis

3.6.1.3. Wie zijn gat brandt moet op de blaren zitten

4. Praten

4.1. Presenteren

4.1.1. Voorbereiden

4.1.1.1. Formuleren wat je gaat zeggen (vooraf)

4.1.2. Beleefdheid

4.1.2.1. Taal aanpassen aan doel

4.1.3. Lichaamstaal

4.1.3.1. Wat laten mijn handen zien?

4.1.4. Duidelijk zijn

4.1.4.1. Hoe?

4.1.5. Dialecten

4.2. Uitspraak

4.2.1. Andere "soorten" Nederlands

4.2.1.1. Zuid-Afrika

4.2.1.2. De Antillen

4.2.1.3. België

4.2.2. Hoe klinkt het?

4.2.3. melodie

4.3. Verstaan/Begrijpen

4.3.1. Betoning

4.3.2. Luisteren

4.3.2.1. En begrijpen/verstaan wat die persoon zegt en bedoelt

4.3.2.1.1. Tolken

4.3.2.2. Naar de radio of tv

4.3.2.3. Naar muziek

4.3.3. Teksten

4.4. Gesprek voeren

4.4.1. Formuleren

4.4.1.1. Wat wil je zeggen?

4.4.2. Vragen stellen

4.4.2.1. Antwoord geven

4.4.2.1.1. Wat wil je terug zeggen? Hoe zeg je dat?

4.4.3. Beleefdheid

4.4.4. Gedrag

4.4.4.1. Nederlanders praten luid

4.4.4.2. Hoe doe je dat?

5. Nederlands - Zweeds

5.1. Vertalen

5.1.1. Liedjes

5.1.2. Teksten

5.2. Vergelijken

5.2.1. Hoe het leven is

5.2.1.1. Artikel Nederland - Zweden van vorig jaar! Zijn Zweedse mensen gelukkiger?

5.2.2. Hoe de taal eruit ziet

5.2.2.1. Woorden die op elkaar lijken

5.2.2.2. Grammatica

5.2.2.3. Hoe de zinnen eruit zien

6. Cultuur

6.1. Tradities

6.1.1. Feestdagen

6.1.1.1. Kerstmis

6.1.1.2. koningsdag

6.1.1.3. sinterklaas

6.1.2. Architectuur

6.1.2.1. Waarom zien de huizen er zo uit?

6.2. Gewoontes

6.2.1. Gedrag

6.2.1.1. Nederlanders praten luid

6.3. Geschiedenis (historia)

6.3.1. Fietsen

6.3.2. Wat is er gebeurd in Nederland? Wat weten jullie al?

6.4. Muziek

6.5. Dingen uit Nederland

6.5.1. Eten

6.5.1.1. Kroket

6.5.1.2. Frikandel

6.5.1.3. Poffertjes

6.5.1.4. Pannekoeken

6.5.1.5. Friet met mayo

6.6. Media

6.6.1. Televisie

6.6.2. Nieuws

6.6.2.1. Wie is de Mol :)

6.6.3. Ik hou van Holland

6.6.4. Radio

6.7. kunst

6.8. bekande mensen

6.8.1. Willlem van orange

6.8.2. Anne Frank

6.8.3. Vincent van Gogh

7. Nederland

7.1. Hoe het land eruit ziet

7.1.1. Klein

7.1.2. Plat als een pannekoek

7.1.3. Veel water

7.1.4. architectuur

7.2. Stereotypes/vooroordelen

7.2.1. Wat andere mensen denken over Nederland(ers)

7.2.2. Nederlanders praten luid

7.2.3. Nederlanders fietsen elke dag

7.3. Geschiedenis (historia)

7.4. Dingen uit Nederland

7.5. Holland of Nederland?

7.6. Tulpen

7.7. steden