De psychologische methoden

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
De psychologische methoden Door Mind Map: De psychologische methoden

1. Beschrijvend onderzoek

1.1. Observatie

1.1.1. Betekenis: Objectief waarnemen van gedrag van meerdere personen of van een gebeurtenis met datgene wat waargenomen is te beschrijven.

1.2. Enquêtes

1.2.1. Betekenis: Een goedkope manier om mensen in een grote groep vragen te stellen over een bepaald onderwerp.

1.2.2. Het kan schriftelijk als mondeling.

1.2.3. Ander woord: opiniepeilingen.

1.2.4. Representatieve steekproef.

1.2.4.1. Gevolg: Het is minder betrouwbaar.

1.2.5. Voordelen

1.2.5.1. Goedkoop en bespaart tijd

1.2.5.2. Anonimiteit van schriftelijke enquête kan beter worden gegarandeerd

1.2.5.3. Fouten als gevolg van het optreden van een interviewer worden vermeden

1.2.6. Nadelen

1.2.6.1. Risico op uitval op non-respons

1.2.6.2. Ondervraagde kan de vragen niet zelf hebben beantwoord

1.2.6.3. Je weet niet of de vragen zijn begrepen

1.2.6.4. Risico op mondelinge enquêtes op sociaal wenselijke antwoorden.

1.3. Het interview

1.3.1. Betekenis: verzamelen van info over het onderwerp door het stellen van vragen mondeling.

1.3.2. Gestructureerd interview: vragen worden vooraf geschreven. die je bij alle personen dezelfde volgorde zegt.

1.3.3. Ongestructureerd interview: Onderzoeker somt nieuwe vragen tijdens het gesprek van de ondervragende.

1.3.4. Semigestructureerd interview: Vragen werden vooraf geschreven maar onderzoeker mag zelf de volgorde kiezen en mag vragen toevoegen tijdens het gesprek

1.4. Tests

1.4.1. Betekenis: meetintrument dat volgens een systematisch ook meestal een objectieve methode dat 2 of meerdere mensen met elkaar vergelijkt. Bv de test op intelligentie.

1.4.2. Voorwaarden

1.4.2.1. Standaardisatie

1.4.2.1.1. Wijze om de test op afnemen en gescoord moeten worden voor alle testpersonen

1.4.2.2. Normering

1.4.2.2.1. Scoren van de testpersoon afzetten tegen iets

1.4.2.3. Betrouwbaar

1.4.2.4. Validiteit

1.4.2.4.1. Juistheid van metingen.

1.4.3. Doel

1.4.3.1. Selectie

1.4.3.2. Classificatie

1.4.3.3. Evaluatie

1.4.4. Soorten

1.4.4.1. Getest gedrag

1.4.4.1.1. Bv vaardigheidstest

1.4.4.2. Instructie en afname

1.4.4.2.1. Bv individuele vs groepstest

1.4.4.3. Soorten testvragen

1.4.4.3.1. Bv vrije- vs keuze antwoorden

2. 3 groepen

2.1. Correlatie- onderzoek

2.2. Experimenteel onderzoek

2.3. Beschrijvend onderzoek

3. Correlatie- onderzoek

3.1. Correlatie: Samenhang tussen verschillende variabelen

3.2. Variabele: Element dat een waarde kan aanemen:

3.2.1. Afhankelijke

3.2.1.1. Variabele die de onderzoeker meet om te zien of die wordt beïnvloed door de onafhankelijke variabele.

3.2.2. Onafhankelijke

3.2.2.1. Variabele die varieert of die de onderzoeker verandert om te zien of dit een effect heeft op de afhankelijke variabele.

3.2.3. om er een verband tussen de 2 variabelen uit te drukken gebruikt men: Correlatiecoëfficiënt R

3.2.3.1. R = 1 -> positieve correlatie R = 0 -> geen correlatie R = -1 -> negatief correlatie

4. Experimenteel onderzoek/Causaal

4.1. Causaal: een oorzaak - gevolg relatie

4.2. Werking

4.2.1. De variabelen

4.2.1.1. Afhankelijke

4.2.1.2. Onafhankelijke

4.2.2. Om een juist verband tussen de variabelen te kunnen vaststellen moet men ervoor zorgen dat alle mogelijke variabelen gelijk gemaakt worden -> matchen.