Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
H3.5. LTG Door Mind Map: H3.5. LTG

1. Opslaan, encoding

1.1. Hoeveelheid informatieverwerking

1.1.1. Duur prestatie

1.1.2. Aantal prestaties stimulus

1.1.3. Spreiding leerbeurten

1.1.3.1. Massed practice

1.1.3.2. Distributed practice

1.1.3.3. Spacing effect

1.1.4. Diepte informatieverwerking

1.1.4.1. Elaboratie-Hypothese

1.1.4.1.1. Retrieval cues

1.1.4.1.2. Congruïteitseffect

1.1.4.2. Distinctiviteitshypothese

1.1.4.2.1. Von Resotrff-effect

1.1.4.2.2. Winograd: elaboratie <=> distinctiviteit?

1.1.4.3. Zelf informatie genereren

1.1.4.3.1. Generatie-effect

1.1.4.3.2. Tip of the tongue toestand

1.1.4.3.3. Glisky en Rabinowitz

1.2. Organisatie

1.2.1. Materiaal-geïnduceerde organisatie

1.2.1.1. Clustering in recall

1.2.1.2. Vb. woordenlijst in categorie onthoud je beter

1.2.2. Subjectieve organisatie

1.2.2.1. consistentie in volgorde van reprocuctie

1.2.2.2. Persoonlijk

1.3. Verbeelding

1.3.1. Voorstellen > lezen

1.3.2. Concreet > abstract woord

1.3.3. Woordenpaar > afzonderlijk (vb. piano, cigar)

2. Bewaren, storage

2.1. Deelstructuren Endel Tulving (waar bewaard?)

2.1.1. Episodisch (specifieke)<=> semantisch geheugen (algemene kennis)

2.2. 2 soorten alternatieve modellen

2.2.1. netwerkmodellen: kennis in vorm concepten en hun interrelaties

2.2.2. kenmerkmodel: concepten bewaard als lijst van kenmerken zonder verdere structuur

2.3. Modellen van het semantische geheugen

2.3.1. TLC - Quillian

2.3.1.1. Hiërarchie

2.3.1.2. Cognitieve zuinigheid

2.3.1.3. ophalen kennis: uitlezen, #bindingen= reactietijd

2.3.1.4. effecten: concepten makkelijker dan eig, categorie-grootte effect

2.3.1.5. Nadelen: - frequnetie effecten, semantische-afstandseffecten

2.3.2. SAM -Collins en Loftus

2.3.2.1. Concepten en eig (=TLC)

2.3.2.2. NIET hiërarchisch (<=>TLC)

2.3.2.3. Rekening met semantische afstanden (vb. duif zal minder lange afstand zijn dan vogel)

2.3.2.4. Opzoekproces: spreiding van activatie vanaf concept in vraag

2.3.2.5. Nadelen: schending van categorie-grootte effect (grote categorie gaat niet altijd trager)

2.3.3. FST (feature set theory) -Smith, Shoben, Rips

2.3.3.1. Kennis opslaan als verzameling kenmerken (definiërende en karakteriserende)

2.3.3.2. Oproepen: alle kenmerken oplijsten, veel gem/ versch=> makkelijke ja, tussenin? apart proces, definiërende vgl

2.3.3.3. Probleem? post hoc, a priori aangeven kenmerken?, bepalen voldoende/ noodz?

2.3.4. Propositioneel netwerkmodel

2.3.4.1. geen concepten maar proposities

3. Oproepen (retrieval)

3.1. Wat maakt een retrieval cue effectief?

3.1.1. associatieve sterkte voor semantische informatie

3.1.2. Encoding specifity voor episodische informatie

3.1.3. Tulving en Thomson

3.2. Wat als effectieve retrieval que wordt aangeboden

3.2.1. Gestalt: Höffding step

3.2.2. Cognitieve: 1PT, 2PT => herkenning makkelijker dan herinnering volgens 2PT/ 1PT

3.3. Expliciet en impliciet geheugen (intentioneel <=> indecenteel)

3.3.1. Amnesie

3.3.1.1. Graf& Schachter

3.3.2. Andere dissociaties

3.3.2.1. Mitchell en Brown