Jongeren hebben geen inzicht in hun alcohol- en drugsconsumptie.

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Jongeren hebben geen inzicht in hun alcohol- en drugsconsumptie. Door Mind Map: Jongeren hebben geen inzicht in hun alcohol- en drugsconsumptie.

1. Contra

1.1. Gevraagd naar de reden voor alcoholgebruik zeggen jongeren in overgrote meerderheid (89,2%) dat ze drinken voor de gezelligheid. De helft van de drinkende jongeren (48%) geeft ook aan zich veel vrijer te voelen als ze alcohol hebben gedronken. Een kleine groep (10,7%) geeft expliciet aan dat ze drinken met als doel om dronken te worden en 1% erkent dat ze niet zonder alcohol kunnen (Prins, 2008, p. 29)

1.1.1. Drugs worden natuurlijk gebruikt voor het effect, om stoned of high te worden, en verder vooral voor de gezelligheid. Harddrugs wordt vaker dan softdrugs ook gebruikt uit verveling en omdat vrienden het doen. Van de harddrugsgebruikers geeft 10% aan niet zonder te kunnen (10,6%), bij softdrugsgebruikers is dat slechts 2,5%. (Prins, 2008, p. 32)

1.2. Tweederde van de jongeren zegt wel voorlichting gehad te hebben op school over alcohol en de helft van hen praat met de ouders over alcoholgebruik. Toch is voor deel van de jongeren meer kennis over wat alcohol doet in je lichaam een reden om minder alcohol te gaan drinken. (Tielen, 2011, p. 21)

1.3. Experimenteren is noodzakelijk ((Kleinjan &Van der Zon, 2016)

1.3.1. Erikson (1956) stelt dat adolescenten op zoek gaan naar hun identiteit. Adolescenten worden zich ervan bewust dat zij uniek zijn en identificeren zich niet langer met hun ouders of andere belangrijke anderen, zoals tijdens de basisschoolleeftijd. (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

1.3.1.1. Erikson (1956) veronderstelt dat adolescenten die geen ruimte krijgen om een eigen identiteit te ontwikkelen of hun identiteit op waarden en normen van anderen baseren hier (op latere leeftijd) problemen van kunnen ondervinden. (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

1.3.1.1.1. Verschillende jongeren benadrukken het al te sterke accent op controle rond het gebruik van middelen, en pleiten daarentegen voor een evenwicht tussen dialoog en controle. (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

1.3.1.2. In het licht van Erikson’s theorie lijkt het passend binnen een gezonde ontwikkeling dat adolescenten experimenteren met alcohol, ondanks dat het door de wet en mogelijk door ouders verboden wordt. Adolescenten exploreren met alcoholgebruik en de meeste adolescenten zullen na een kater hun identiteit in alcoholgebruik hebben en hun grenzen kennen. (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

1.4. “Experimenteren wordt sowieso gedaan” (Soyez, Martens & Van der Laenen, 2014)

1.4.1. Jongeren vernoemen twee redenen om te stoppen: hetzij externe druk (jeugdrechtbank, mensen uit hun omgeving), hetzij een negatieve ervaring (Soyez, Martens & Van der Laenen, 2014, p.32)

1.4.1.1. Het ‘kunnen stoppen’ doorbreekt het dominante eenheidsverhaal waarbij de jongeren gezien worden als ‘druggebruiker’ of ‘verslaafde’ (Soyez, Martens & Van der Laenen, 2014, p.32)

1.5. De Ridder (2011) stelt zich de vraag of experimenteren een noodzakelijk kwaad is binnen de adolescentie. Zo wordt gesteld dat ervaring als volwassene een product is van de fouten die mensen in het verleden maakten. Ouders proberen kinderen te beschermen voor de fouten die ze zelf maakten, maar jongeren leren het meest door situaties aan de lijve te ondervinden. (Debaenst, 2011-2012, p.12)

1.6. Andere onderzoekers stellen zelf dat experimenteergedrag en risico's nemen normaal is binnen de adolescentie (Martin et al., 2002; Romer en Hennesy, 2007). Door de sociale leertheorie wordt ook duidelijk dat nieuwe dingen uitproberen een belangrijk leermechanisme is waarlangs menselijk gedrag tot stand komt. Zo wordt in verschillende onderzoeken aangetoond dat experimenteren en risico's nemen een positieve waarde heeft voor de ontwikkeling van jongeren (Meeus et al., 1999). Daarnaast is het niet experimenteren een risico, aangezien men zo een 'valse zelf' kan ontwikkelen (Debaenst, 2011-2012, p.12)

1.7. Er zijn signalen dat het aantal jongeren dat hulp zoekt voor cannabismisbruik of afhankelijkheid lijkt toe te nemen. Het is echter niet duidelijk of dit voortkomt uit een daadwerkelijke stijging in problematisch gebruik, of dat betere verwijzing en een beter aanbod een rol spelen (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010)

2. Pro

2.1. “Ouders vinden het prima als hun zoon of dochter een keertje flink dronken is geweest” (Tielen, 2011, p. 18)

2.1.1. Professionals geven aan dat veel ouders het geen probleem vinden als hun kinderen ‘wat’ drinken. Ze geven vaak te weinig en onduidelijk grenzen aan. Ze drinken een biertje samen met de jongeren; gezelligheid en bier horen voor hen bij elkaar. (Tielen, 2011, p. 18)

2.1.2. De ouders laten de kinderen thuis al indrinken, om te oefenen, te leren drinken en omdat ze vinden dat de prijzen in de horeca voor de 19 jongeren hoog zijn. Veel ouders onderschatten echter hoeveel hun eigen kind drinkt. Het onderschatten begint als het kind 13 jaar is en neemt toe naarmate het kind ouder wordt.18 Het betreft zowel het wekelijkse aantal glazen als de frequentie van bingedrinken. Deze onjuiste inschatting geeft de ouders minder reden om de jongeren aan te spreken op hun alcoholgebruik. De respondenten ervaren dat het bij sommige gezinnen normaal is als je (veel) drinkt (Tielen, 2011, p. 18)

2.1.3. Geen alcohol schenken stuit tegen een muur van onbegrip bij veel jongeren maar ook bij de ouders. (Tielen, 2011, p. 18)

2.2. De kinderen willen (gaan) drinken om erbij te horen, ze willen volwassen lijken. (Tielen, 2011, p. 19)

2.2.1. De jongeren willen experimenteren en meedoen met hun maatjes, de vrienden zijn belangrijk. En het is lekker en grappig om aangeschoten of dronken te zijn. (Tielen, 2011, p. 19)

2.3. Experimenteren kan fout gaan (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

2.3.1. Er is echter ook een groep adolescenten die verder gaat dan exploreren en de cyclus van Marcia (1966) in het verkrijgen van een eigen identiteit niet goed doorlopen. In plaats van alcohol op een gezonde manier in de identiteit te verweven, kan voor deze groep adolescenten alcoholisme een identiteit worden. Deze adolescenten worden meer blootgesteld aan het gevaar van extreem alcoholgebruik met ALCOHOLGEBRUIK DOOR ADOLESCENTEN EN DE WAARDERINGEN UIT DE OMGEVING 7 daaruit volgend verslaving en de negatieve effecten van overmatig alcoholgebruik als verminderde concentratie en een verminderde conditie. (Kleinjan &Van der Zon, 2016)

2.4. Meerdere onderzoeken hebben aangetoond dat alcoholmisbruik onder jongeren toeneemt. Ze drinken steeds jonger, steeds vaker, steeds meer alcohol. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.1. De hersenen van pubers zijn nog in ontwikkeling en juist alcohol heeft een remmende werking op deze ontwikkeling. Vooral de prefrontale cortex (cognitieve functies als leren en plannen) ontwikkelt in de puberteit. Door alcohol kan dan ook blijvende hersenschade optreden. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.2. Over het algemeen heeft alcohol een dempende en stimulerende werking op de hersenen. Met andere woorden: je wordt er suf van. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.2.1. Pubers zijn minder gevoelig voor de dempende werking van alcohol, wat betekent dat ze minder snel suf worden. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.3. Hiernaast lijkt de motoriek minder snel aangetast te worden. De stimulerende werking van alcohol zorgt voor een aangenaam en fijn gevoel. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.4. De manier waarop pubers de alcohol innemen, speelt ook een rol. Vooral het zogenaamde binge-drinken is zorgwekkend. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.4.5. Er wordt vaak nog meer gedronken omdat pubers de directe gevolgen, zoals ‘zwalken’ en concentratieverlies, pas veel later merken. De schade aan de hersenen is dan al toegebracht. (Melis, Maqoui & Peeters, 2010, p. 92-96 )

2.5. Risicofactoren voor alcoholgebruik zijn in te delen als omgevingsfactoren en persoonsgebonden factoren (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010, p 20-23)

2.5.1. Omgevingsfactoren beïnvloeden het alcoholgebruik (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 20-22)

2.5.1.1. Financiële factoren

2.5.1.1.1. De betaalbaarheid van alcoholconsumptie Het verminderen van de betaalbaarheid van alcohol leidt tot vermindering van alcoholgebruik, vooral bij jongere en zwaardere drinkers (Rabinovich et al., 2009; Anderson et al., 2009). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 20-22)

2.5.1.2. Sociale factoren

2.5.1.2.1. De status van alcohol in de sociale en culturele omgeving 16 Het alcoholgebruik van een individu wordt beïnvloed door hoe in de omgeving wordt omgegaan met alcohol. Tot de omgeving behoren het gezin en vrienden, maar ook media, cultuur en religie (Anderson & Baumberg, 2006). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 20-22)

2.5.1.3. Fysieke factoren

2.5.1.3.1. De verkrijgbaarheid van alcohol Over het algemeen geldt dat hoe gemakkelijker alcohol verkrijgbaar is, hoe meer er wordt gedronken. De verkrijgbaarheid hangt onder meer samen met het aantal verkooppunten in de buurt (winkels en horeca) en met de openingstijden van deze verkooppunten (Anderson et al., 2009). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 20-22)

2.5.2. Persoonsgebonden factoren beïnvloeden het alcoholgebruik (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010, p 22-23)

2.5.2.1. Erfelijke factoren

2.5.2.1.1. Verschillende soorten genen spelen een rol in de erfelijkheid van schadelijk alcoholgebruik. Erfelijkheid bepaalt naar schatting tussen de 50% en 60% van het risico op alcoholafhankelijkheid (Anderson & Baumberg, 2006). De interactie tussen genetische factoren en omgevingsfactoren maakt verslaving tot een complexe aandoening. De verhouding tussen genetische en omgevingsfactoren in de kwetsbaarheid voor het ontwikkelen van verslaving is per individu verschillend (Schellekens, 2009). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.5.2.2. Vroege beginleeftijd

2.5.2.2.1. Hoe jonger kinderen en jongvolwassenen beginnen met alcohol drinken, hoe groter het risico op het ontwikkelen van probleemgebruik en alcoholafhankelijkheid op latere leeftijd (Carpenter-Hyland & Chandler, 2007). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.5.2.3. Alcoholgebruik van de moeder tijdens de zwangerschap

2.5.2.3.1. Als de moeder tijdens de zwangerschap drinkt kan dit ertoe leiden dat het kind gevoeliger is voor risicovol drinkgedrag in de tienertijd (Baer et al., 2003). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.5.2.4. Het gebruik van andere middelen dan alcohol

2.5.2.4.1. Uit verschillende studies is bekend dat bepaalde ongezonde gedragingen relatief vaak in samenhang voorkomen. Zo blijkt dat ongeveer 20% van de volwassen Nederlanders minimaal drie vormen van ongezond gedrag combineert (roken, weinig groente en fruit, excessief alcoholgebruik, gebrek aan lichaamsbeweging). De sterkste samenhang werd gevonden voor de combinatie alcohol en roken (Schuit et al., 2002). (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.5.2.5. Persoonlijkheidskenmerken

2.5.2.5.1. Er is een relatie tussen diverse persoonlijkheidskenmerken en alcoholgebruik bij jongeren. Snoek et al. (2010) onderscheidt op basis van de literatuur de volgende persoonlijkheidskenmerken die als risicofactor worden beschouwd voor problematisch middelengebruik: angstgevoeligheid; gevoelens van hopeloosheid; negatief denken; sensatie zoeken; nieuwsgierigheid naar nieuwe dingen, vooral als dat samengaat met een lage score op 'vermijden van schade'; impulsiviteit; lage eigenwaarde (alleen voor jongens) en hoge sensitiviteit voor genot. (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.5.2.6. Het hebben van een psychische stoornis 17

2.5.2.6.1. Mensen met depressie en stemmingsstoornissen hebben een hoger risico om alcoholafhankelijkheid te ontwikkelen, en andersom (Anderson & Baumberg, 2006) (Schrijvers, Snoek & Van den Ende, 2010,p 22-23)

2.6. Net als voor alcohol geldt ook voor drugs dat de beschikbaarheid van invloed is op het gebruik door jongeren. Partydrugs zijn relatief makkelijk te verkrijgen in discotheken en nachtclubs ((Van Hasselt, 2010)

2.7. Jongeren zijn sneller geneigd drugs te gebruiken als hun vrienden dit ook doen. De rol van vrienden bij problematisch gebruik is echter kleiner dan bij gebruik. (Van Hasselt, 2010)

2.8. Jongeren overschatten vaak hoeveel mensen cannabis gebruiken. Daardoor beginnen ze er zelf ook eerder aan. (Van Duyse, Cracco & Lombaert,, 2008, p. 162)

2.8.1. De jongere doet wat hij veronderstelt dat er van hem verwacht wordt. Voornamelijk de normerende invloeden vanwege vrienden spelen een doorslaggevende rol en verklaren het cannabisgebruik bij jongeren (Van Duyse, Cracco & Lombaert,, 2008, p. 162)

2.8.2. Ook de perceptie van de jongeren dat cannabis een onschuldige drug is en dat het gemakkelijk te verkrijgen is, spelen een rol in deze koppositie. (Van Duyse, Cracco & Lombaert,, 2008, p. 162)

2.8.3. Heel wat verslavingsproblemen van volwassenen zijn begonnen in hun adolescentie. Vroegdetectie en vroegbehandeling kan preventief werken of escalatie voorkomen (Van Duyse, Cracco & Lombaert,, 2008, p. 163)