Wetenschapsfilosofie

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Wetenschapsfilosofie Door Mind Map: Wetenschapsfilosofie

1. Wetenschap

1.1. Wetenschap: een menselijke activiteit om de wereld te onderzoeken en betrouwbare kennis te vergaren

1.1.1. Doen observaties/metingen en voeren experimenten uit, stellen hypothesen enz.

1.1.1.1. ook is wetenschap het geheel van kennis uit deze activiteit

1.2. Soorten wetenschap:

1.2.1. Natuurwetenschappen: levenloze natuur en universum

1.2.2. Levenswetenschappen: levende wezens

1.2.3. Menswetenschappen: de menselijke mentale vermogens en producten

1.2.4. Formele wetenschappen: abstracte entiteiten

1.2.4.1. Geen empirische waarneming, maar bestuderen van abstracte objecten. Hierdoor niet altijd wetenschap

1.3. Descriptief: hoe de wetenschap functioneert, zonder waardeoordeel

1.4. Normatief: hoe de wetenschap zou moeten zijn en behoort te zijn

1.5. Reductie: verklaren van verschijnselen op een hoger niveau door te verwijzen naar onderliggende structuren en processen

1.6. Unificatie: één-maken. De succesvolste theorieën in de wetenschap hebben wijde vertakkingen en verklaren veel verschijnselen.

1.6.1. Moet je in de wetenschap nastreven

2. Wetenschappelijke methodologie

2.1. Wetenschappelijke methode: een schema dat de wetenschappelijke werkwijze samenvat

2.1.1. Deductieve methode: bij deductie vertrekken we vanuit axioma's -> vanuit daar een conclusie aan de hand van logische gevolgtrekkingen. Deze conclusie volgt uit premissen -> als premissen waar zijn is de conclusie altijd waar.

2.1.1.1. Axioma's: aannames die als grondslag kunnen dienen (premissen)

2.1.2. Inductieve methode: vanuit specifieke waarnemingen en feiten -> leid je een algemene conclusie vanuit.

2.1.2.1. Algemene conclusie: "alle zwanen zijn wit." Hiervoor heb je eerst een waarnemingen over de werkelijkheid gedaan, eventueel door experimenten, daarna leidt je algemene conclusie af.

2.1.2.1.1. Alleen is de conclusie niet met zekerheid uit onze premissen.

2.1.3. Logisch positivisten bedachten een methode voor de toetsing/ verificatie van inductieve veralgemeningen. Oplossing van Rudulf Carnap bestond dat je steeds duidelijk aangeeft wanneer een veralgemening waar is.

2.1.3.1. Als je alle zwanen hebt onderzocht, heb je deze uitspraak geverifieerd.

2.1.3.1.1. Deze verificatiemethode is te streng en in praktijk ook niet haalbaar

2.2. Karl Popper

2.2.1. Een manier om het inductieprobleem te ontwijken. We moesten met een algemene uitspraak beginnen en die weerleggen. We gaan dus opzoek naar niet-witte zwanen. Dit is deductie geldig

2.2.1.1. Je begint met een vermoeden of hypothese en deze probeer je te falsifiëren, wanneer dat lukt verwerp je die valse hypothese en begin je opnieuw

2.2.1.1.1. Door nieuwe foute hypothesen te elimineren, komen we dichterbij de waarheid. Hypothesen worden niet bevestigd door concrete waarnemingen, maar hebben falsificatie overleefd.

3. Moderne wetenschapsfilosofie

3.1. De context van rechtvaardiging -> hiervoor gelijke procedures opstellen.

3.1.1. De manier waarop de hypothese wordt opgesteld is niet belangrijk, maar hoe je deze gaat testeb

3.2. De context van ontdekking: deze kan niet in een methode worden gevat.

3.3. De hypothetisch-deductieve methode

3.3.1. De deductive methode van Aristoteles was te streng -> laat geen kennis toe die verworven is uit empirische aanneming

3.3.1.1. Ook inductieve methode was niet goed omdat hier het inductieprobleem is. Ook is deze te beperkt, want wetenschappers doen geen observaties om ze op te stellen en tot inductieve veralgemeningen komen

3.3.2. Popper zijn theorie omzeild inductieprobleem maar de theorie kan niet sterker worden door meer bewijs, omdat je geen hypothese kan bevestigen.

3.3.3. Ook de verifictaiemethode botst tegen technische problemen op en praktische onhaalbaarheden.

3.4. De algemene methode van de wetenschap omvat een empirische cyclus

3.4.1. A: voorspelling B: Empirische waarneming C: Analyse data D: hypothese E: Theorie

3.4.1.1. Bij A en E gebruik je deductieve methoden

3.4.2. Vaak vergelijken wetenschappers verschilden methode. Indien er geen 2 methodes zijn gebruiken wetenschappers het concept van nulhypothese -> standaardpositie, dus niks aan de hand. door experimenten kan je kijken wel hypothese het meest logisch is

3.5. Theorie: een samenhangend en coherent geheel van verklaring over de wereld dat onderzocht is en empirische ondersteuning heeft

3.6. Hypothese: meer voorlopig karakter. Ze heeft geen samenhangend netwerk nodig. Een theorie ligt hoger dan een hypothese.

3.7. Kernwaarden: eerlijkheid, interne kritiek en zelfcorrectie, respect voor de waarheid, helder en ondubbelzinnig taalgebruik, wantrouwen tegenover tradities, autoriteit, dogma's en vooroordelen, open en publieke discussie.

3.7.1. Dit kan je als ideaal beschouwen. De beste manier om tot waarheid te komen in openstellen aan kritiek.

4. De demarcatie van wetenschap en pseudowetenschap

4.1. Pseudo: vals of onterechte wetenschap

4.2. Demarcatie is een scheidslijn tussen goede en slechte vormen van wetenschap

4.2.1. Karl Popper speelde bij het demarcatieprobleem een grote rol. Hij was zeer onder indruk van de relativiteitstheorie van Einstein

4.3. Theorie is nooit echt bewezen

4.4. Thomas Kuhn

4.4.1. Wetenschappelijke theorieën horen bij grotere structuren: paradigma's -> netwerk van theorieën en strategieën om problemen op te lossen, ook concepten en metafysische aannames.

4.4.2. Normale wetenschap: iedereen werkt binnen hetzelfde paradigma en geen twijfel. Het biedt een coherent denkkader dat wetenschappers vertel welke hypothesen ze kunnen stellen, hoe onderzoeken, instrumenten en meer.

4.4.2.1. Soms is er een anomalie (onregelematigheid) waar wetenschappers binnen hun paradigma gene verklaring voor hebben

4.4.3. Een hele theorie wordt op een helling gezet tijdens wetenschappelijk revoluties -> anomalieën stapelen op en raakt het paradigma verzeild in crisis.

4.5. Er zijn randvoorwaarden en begincondities nodig om een hypothese in contact te brengen met de realiteit.

4.5.1. Filosofen zeggen dat observaties een theorie onderdetermineren -> observaties zijn op zichzelf onvoldoende om te kijken welke theorie voldoende is.

4.5.1.1. Theorie kan je van falsificatie redden altijd

4.6. Als we falsificatie tegenkomen mogen we niet in de marge binnen te morrelen om de kerntheorie te redden, alleen als er nieuwe voorspellingen zijn en controleren daarvan

4.7. Oplossing demarcatieprobleem Kuhn: kijken naar niveaus van paradigma. We kijken naar probleemoplossend vermogen van een paradigma.

4.8. Lakatos: onderscheid tussen progressieve onderzoeksprogramma;s, die vooruitgang boeken en degenerative programma's die aftakelen.