Meetinstrumenten en testen

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Meetinstrumenten en testen Door Mind Map: Meetinstrumenten en testen

1. projectieve tests (indirecte methoden genoemd)

1.1. associatiemethoden: de onderzochte wordt geconfronteerd met een stimulus en moet zeggen wat hem te binnen schiet in reactie op die stimulus (rorschachtest)

1.2. constructiemethoden: de onderzochte heeft als taak iets te construeren op basis van iets wat hem wordt aangeboden, meestal een verhaal (ThematicApperceptionTest)

1.3. afmaakmethoden: de onderzochte krijgt een incomplete taak voor zich die door hem afgemaakt dient te worden (ZinAanvulTest)

1.4. keuze- of ordeningsmethoden: hierbij kan de onderzochte uit een aantal alternatieven datgene kiezen dat zijn voorkeur heeft, of moet de onderzochte een aantal stimuli rangschikken

1.5. expressieve methoden: de onderzochte krijgt bijvoorbeeld de opdracht om een boom, een persoon of een huis te tekenen

2. observaties

2.1. kunnen in de natuurlijke omgeving of in een gestandaardiseerde laboratoriumsituatie plaats vinden

2.2. In Nederland is er relatief weinig onderzoek gedaan naar de kwaliteit van observatiemethoden. Dit heeft waarschijnlijk mede te maken met het feit dat dergelijk onderzoek heel tijdrovend is. Mede daardoor worden de psychometrische kwaliteiten van de meeste observatiemethoden die er zijn, niet zo goed beoordeeld door de COTAN.

3. persoonlijkheidsvragenlijsten

3.1. Myers-Briggs Type Indicator (MBTI) (forces choice-items)

3.1.1. Extravert (E) versus Introvert (I): krijg je vooral energie van de dingen om je heen of ben je meer naar binnen gericht?

3.1.2. Sensing (S; waarnemend) versus iNuïtief (N): heb je een voorkeur voor feitelijke informatie of meer intuïtieve en globale informatie?

3.1.3. Thinking (T;denkend) versus Feeling (F; voelend): neem je beslissingen vooral op basis van logica of meer op basis van gevoelens?

3.1.4. Judging (J; beoordelend) versus Perceiving (P; waarnemend): houd je van een geordend en gestructureerd leven of meer van een flexibel en spontaan leven?

3.1.5. De COTAN heeft de MBTI zeer negatief beoordeelt: uitgangspunten, normen, begripsvaliditeit en criteriumvaliditeit zijn allemaal onvoldoende. De MBTI kan beter niet gebruikt worden in de praktijk, tenzij het bijvoorbeeld alleen zou zijn om een gesprek op gang te brengen.

3.2. De Minnesota Multiphasic Personality Inventory 2 (MMPI-2)

3.2.1. De test kent zeven validiteitsschalen, tien klinische schalen. vijftien inhoudsschalen en vijftien supplementaire schalen. De tien klassieke klinische schalen zijn: Hypochondrie, Depressie, Hysterie, Psychopathische Deviatie, Masculiniteit-Feminiteit, Paranoia, Psychasthenie, Schizofrenie, Hypomania en Sociale Introversie.

3.2.2. Een probleem met de MMPI-2 is dat deze relatief veel slecht geformuleerde vragen bevat. Een ander problematisch kenmerk is de grote itemoverlap tussen de schalen.

3.3. NEO-PI-R

3.3.1. De NEO-PI-R bestaat uit 240 items, die over vijf dimensies zijn verdeeld (48 vragen per schaal): Neuroticisme, Extraversie, Openheid, Altuïsme en Consciëntieusheid

3.3.1.1. neuroticisme: angst, ergernis, depressie, schaamte, impulsiviteit en kwetsbaarheid

3.3.1.2. extraversie: hartelijkheid, sociabiliteit, dominantie, energie, avonturisme en vrolijkheid

3.3.1.3. openheid: fantasie, esthetiek, gevoelens, veranderingen, ideeën en waarden

3.3.1.4. altruïsme: vertrouwen, oprechtheid, zorgzaamheid, inschikkelijkheid, bescheidenheid en medeleven

3.3.1.5. consciëntieusheid: doelmatigheid, ordelijkheid, betrouwbaarheid, ambitie, zelfdiscipline en bedachtzaamheid

3.4. Five-Factor Personality Inventory II (FFPI-II)

3.4.1. herziene versie van de FFPI-I

3.4.2. makkelijk afneembaar, makkelijk te beantwoorden, door jezelf maar ook door anderen in te vullen over jou, scoring kan alleen m.b.v. pc verwerkt worden

3.4.3. de psychometrische kwaliteiten van de FFPI-II zijn volgens de COTAN matig, met 'onvoldoende'-beoordelingen voor normen en criteriumvaliditeit

3.5. De Nederlandse Persoonlijheidsvragenlijst (NPV)

3.5.1. IN: inadequate of neuroticisme (hoge scores) versus emotionele stabiliteit (lage scores)

3.5.2. SI: sociale inadequatie of sociale angst (hoge scores) versus sociabiliteit (lage scores)

3.5.3. RG: rigiditeit (hoge scores) versus flexibiliteit (lage scores)

3.5.4. VE: verongelijktheid of vijandigheid (hoge scores) versus vriendelijkheid (lage scores)

3.5.5. ZE: zelfgenoegzaamheid of egoïsme (hoge scores) versus altruïsme (lage scores)

3.5.6. DO: dominantie (hoge scores) versus submissiviteit (lage scores)

3.5.7. ZW: zelfwaardering

3.6. NPV-2 (subschalen te onderscheiden)

3.6.1. IN: de facetten depressiviteit en angst

3.6.2. SI: de facetten verlegenheid en sociale vermijding

3.6.3. RG: de facetten ordelijkheid en inflexibiliteit

3.6.4. DO: de facetten leidinggeven en autonomie

3.7. NPV-J-2; kinderversie NPV; vijf schalen

3.7.1. Inadequate en Neuroticisme (IN)

3.7.2. Volharding of Prestatiemotivatie (VO)

3.7.3. Sociale inadequatie of Sociale Angst (SI)

3.7.4. Recalcitrantie (RE)

3.7.5. Dominantie (DO