Klein Vaarbewijs 1/2

Vaarbewijs 1

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Klein Vaarbewijs 1/2 Door Mind Map: Klein Vaarbewijs 1/2

1. 360gr wit (of gescheiden) top/hek

1.1. toplicht 1 meter hoger dan boordlichten

2. 50 Newton (5 kg) = zwemvest

3. 100 Newton = reddingsvest

3.1. Kinderen

3.2. Binnenwater

3.3. Normaal weer

4. Spring: van voor/achter schip naar midden wal

4.1. Tegen stroom/wind in: eerst voortros

4.2. Ideaal voor schepen 7-14 meter

5. Verbrandings

5.1. Brandstof

5.1.1. Benzine

5.1.1.1. Voor snelle boten

5.1.2. Diesel

5.1.2.1. Geen accu nodig/geen bougie

5.1.3. Problemen

5.1.3.1. Condens

5.1.3.1.1. Brandstoffilter

5.1.3.2. Troep/Sludge

5.1.3.3. Roest

5.2. Smering

5.2.1. Oliedruk

5.2.1.1. Laag: Te weinig koeling

5.2.2. Olie vervangen

5.2.3. Oliefilter

5.3. Zuurstof

5.3.1. Luchtfilter

5.3.2. Koeling

5.3.2.1. Koelwaterpomp (via wierfilter)

5.3.2.1.1. Impeller (zuigt water aan)

5.3.2.1.2. V-snaar

5.3.2.2. Gevaren

5.3.2.2.1. Verstopping

5.3.2.2.2. Bevriezing

5.4. Ontsteking

6. Zwemvest

6.1. Indien veel bewegingsruimte nodig

7. 2 punten in hoek ongeveer 90gr

8. Kleine schepen op nevenwater moeten medewerking verlenen

9. Motor niet in werking

10. R-schroef: aan bakboord

11. Theorie gehaald

12. Cardinale betonning

12.1. Aangeven obstakels

12.1.1. Noord: 2 zwarte punten omhoog

12.1.1.1. Boven zwart, onder geel

12.1.1.1.1. Doorlopend flikkeringen (VQ)

12.1.2. Oost: punten van elkaar af

12.1.2.1. Zwart-geel-zwart

12.1.2.1.1. 3 lichtflikkeringen (VQ(3) 5sec)

12.1.3. Zuid: 2 zwarte punten omlaag

12.1.3.1. Boven geel, onder zwart

12.1.3.1.1. 6 lichtflikkeringen + 1 lang (VQ(6) +LFl 10 sec)

12.1.3.1.2. 9 lichtflikkeringen (VQ(9) 10 sec)

12.1.4. West: punten naar elkaar toe

12.1.4.1. Geel-zwart-geel

13. Met lichte kleding

14. 6de uur daling van 1/12de van verval

14.1. = LW

15. Alle (<20km/h)

16. Achteruit

17. Hulpverlening en aanvaring

18. Nood/wrakboei

18.1. Geel/Blauw verticaal gestreept

18.1.1. Tijdelijk voor (nieuw) gevaar

19. RPR: Bij nadering schepen: zaklamp

20. Indien mogelijk tegen stroom/wind in

20.1. Achteruit op voorspring

21. Reddingsvesten (SOLAS-V verdrag)

21.1. Als in water dan belangrijk

21.1.1. Blijf drijven

21.1.2. Warmte vasthouden

21.2. Zitten op zijn plek

21.3. 150 Newton = reddingsvest

21.3.1. Open/Kustwater

21.3.2. Beperkt tegen bewusteloosheid met zware kleding

21.4. 275 Newton = reddingsvest

21.4.1. Oceaan

21.4.2. Zware kleding

22. Richting: Van zee naar land (Met vloedstroom mee)

23. max 180gr

24. Motorboten

24.1. Rechts heeft voorrang

24.2. Tegengestelde koers

24.2.1. Rechts passeren

24.3. Speciaal (sleep, duw, 12+ passagiers etc.)

25. Boten <7m en <13 km/h

25.1. 360gr wit

25.1.1. zaklamp bij gevaar aanvaring (niet voor SRW)

26. Hoefijzer

27. Vlag van 3m met licht

28. Tros: van schip naar voren/achteren

29. Rond

29.1. 2/3 kg in beroepsvaart

30. Reddingsboeien

31. Vooruit op achterspring

32. BVW: Binnenvaartwet

33. Grote boten >20m

33.1. Mag extra toplicht

33.2. 360gr Extra ankerlicht, voor hoger dan achter

33.3. Grote zeilschepen

33.3.1. Extra toplicht rood boven groen

34. Heklicht

35. Rood

35.1. Bakboord

36. Betonning

36.1. SIGNI (Binnenwateren)

36.1.1. In Europa

36.1.2. Richting: Van berg naar zee

36.1.3. Rechteroever met de stroom mee

36.2. IALA-A (Zeebetonning)

36.2.1. Eems - Dollard

36.2.2. Waddenzee

36.2.3. Westerschelde

36.3. Laterale betonning. Nummering gaat stroomopwaarts

36.3.1. Groen: oneven

36.3.1.1. Punt omhoog

36.3.2. Rood: even

36.3.2.1. Walbaken: punt naar beneden. Anders: cylinder

36.3.3. Rood/wit verticaal gestreept

36.3.3.1. SIGNI: Midwaterton

36.3.3.2. IALA-A: Aanloopton voor betond vaarwater

36.3.4. Wit ankerlicht, voorste hoger dan achterste

36.3.5. Geel

36.3.5.1. Verboden/gevaarlijke gebieden

36.4. Scheidingstonnen

36.4.1. IALA-A: Rood-groen-rood (of vv)

36.4.2. Vaarwater gelijk belang

36.4.2.1. SIGNI: Groen/rode gestreepte bol

36.4.2.2. IALA-A: Cardinale ton

36.4.3. SIGNI: Bolvormig rood/groen horizontaal (of vv)

36.4.3.1. Topteken

36.4.3.1.1. Groene kegel

36.4.3.1.2. Rode cylinder

36.5. Nevenwater

36.5.1. Je vaart tussen 2 gelijke kleuren door naar hoofdwater, waarvan 1 scheidingston

36.6. Lichtenlijn

36.6.1. Wit voorste lager

36.7. Sparboei

36.7.1. Dun cylindervormig

36.7.1.1. Kan beter tegen ijsgang

36.8. Afzonderlijk (klein) gevaar

36.8.1. Geeft bijv. diepste aanloop naar haven aan

36.8.2. Zwarte boei met rode band in midden en 2 zwarte bollen

36.9. Radarantwoordbaken op boei

36.10. Racon

37. Verdrinking

37.1. Drijflijn

37.1.1. Blijft drijven

37.1.1.1. Houvast voor drenkeling

37.1.2. Kan in knoop raken

37.2. Joon

37.3. Parachutelicht

37.4. Radarreflector

37.4.1. Min 4 meter boven water

38. Betonningslichten

38.1. Langer uit dan aan (VQ, Q, Fl, LFl)

38.1.1. Gevaar

38.2. (Iso) even lang aan dan uit

38.3. (Oc) Langer aan dan uit

38.4. (F) Altijd aan

38.4.1. Veilig havenhoofd

39. Verplicht

39.1. Snelle motorboten vanaf 18 jaar

39.1.1. Snelle boot >20kn/h

39.2. Schepen 15 < 25 m

39.2.1. Schepen <20 meter: boot of jacht

39.3. Schepen > 20 km/h

39.3.1. Algemeen geldende max is 20 km/h

39.4. Snel schip > 40 km/h

39.5. Groot schip >20m

39.5.1. Uitzonderingen ook <20m

39.5.1.1. Passagiersschip

39.5.1.1.1. Gele ruit voor >12 personen

39.5.1.2. Vissersschip

39.5.1.3. Veerpont

39.5.1.4. Duwbak

39.5.1.5. Sleepboot

39.5.1.5.1. Moet groot schip slepen

39.5.2. Marifoonplichtig

39.5.2.1. Geldt ook voor klein schip dat op radar vaart

40. Spant

40.1. Rondspant

40.1.1. Beste voor golven

40.2. (Multi) knikspant

40.2.1. Knikspant mindst geschikt voor ruim water

41. Roerblad

41.1. Roerkoning: waar blad aan stang vastzit

42. Zeekaarten 1800 serie

42.1. Wijzigingen gepubliceerd in: De Berichten aan Zeevarenden

42.2. 1:x schaal is in km (niet in mijl!)

42.3. LET OP: Icoontjes kaart kennen

43. Geldig

43.1. Rivieren

43.2. Kanalen

43.3. Meren

43.4. Vaarwater

43.4.1. Deel dat bevaarbaar is

43.5. Stilliggen

43.5.1. Anker

43.5.2. Gemeerd

43.5.3. NIET: drijvend of vastgevaren

43.6. Klein Vaarbewijs 2

43.6.1. Waddezee

43.6.2. IJsselmeer

43.6.3. Eems/Dollard

43.6.4. Wester/Oosterschelde

44. Uitreiking

44.1. Medische geschiktheid

45. Uitrusting (niet verplicht) voor kleine schepen

45.1. Anker

45.2. Zeereling

45.3. Afsluiters

45.4. Binnenvaart politieregelement (BPR)

45.4.1. Fysiek of digitaal aanwezig

45.4.2. Geldt ook voor Handboek Marifonie

45.5. Lens/Bilge pomp

45.6. Registratiebewijs (Ook voor RPR Rijnvaartgebied)

45.6.1. Verantwoordelijk

45.6.1.1. Schipper

45.6.1.2. Eigenaar (mede-)

45.7. Snelle motorboten

45.7.1. Motoronderbrekings-/dodemansknop

45.7.2. Brandblusser

45.7.3. Bestuurder

45.7.3.1. Bij staan zwemvest aan

45.7.3.2. 18 jaar

45.7.3.3. Geen (geluids) hinder

45.7.3.4. Motor uit bij stilstand

45.7.3.5. Bij waterskiën moet er een 2de persoon >15 jaar zijn

46. Veiligheid

46.1. Brand

46.1.1. A: Vaste stoffen

46.1.1.1. Water/Schuim/Poeder

46.1.2. B: Vloeistoffen

46.1.2.1. Schuim/Poeder

46.1.2.1.1. Weinig schade

46.1.2.1.2. Kan bevriezen

46.1.3. C: Gas

46.1.3.1. Poeder

46.1.3.1.1. Schade aan electra

46.1.4. D: Metaal

46.1.5. F: Vet/Olie

46.1.5.1. Water

46.1.5.2. Pan: Deksel/Vochtige dweil

46.2. Preventie

46.2.1. Gasdetectie

46.2.1.1. In laagste gedeelte

46.2.2. Kooktoestel

46.2.2.1. Thermisch beveiligd

46.2.3. Gasleiding

46.2.3.1. Afsluiters

46.2.3.2. Rubberen slang om 3 jaar vervangen

46.2.3.3. Middenbolderspring: van midden schip naar voor/achter wal

46.2.4. Gasbun

46.2.4.1. In afzonderlijke ruimte

46.2.4.2. Belucht

46.2.5. Benzinemotor

46.2.5.1. Ventilatie met vonkvrije ventilator

46.2.6. Kortsluiting

46.2.6.1. Hoofdschakelaar uit

46.3. Blusser

46.3.1. Minimaal 2 kg

46.3.2. Bij ingang kajuit

47. Motortechniek

47.1. Elektrisch

47.1.1. Accu

47.1.1.1. Parallel: 2x zo lang mee

47.1.1.2. In serie: 24V

47.1.1.3. Capaciteit: A/h

47.1.1.4. Bij 12V dikkere kabels dan 230V

47.2. Aandrijving

47.2.1. Keerkoppeling (neutraal, voor-, achteruit)

47.2.2. Schroefas (en -koker) Gland (ring) houd water tegen

47.2.2.1. Vetgesmeerd

47.2.2.2. Watergesmeerd

47.2.3. Slipkoppeling

47.2.3.1. Als schroef grond raakt

47.2.4. Breekpen

48. Normaal Waterpeil

48.1. KP: Kanaalpeil

48.2. SP: Stuwpeil (rivieren)

48.3. WvK: Wetboek van Koophandel

48.4. NAP: Zeespiegel

49. Meteorologie

49.1. Krimpende wind

49.1.1. Weer verslechtert

49.2. Windwaarschuwing vanaf 6 Bf

49.3. Gem 1013 hPa

49.3.1. Lage druk

49.4. Mist indien zicht < 1 km

49.4.1. Ruimende wind

49.5. (Achter) koufront

49.5.1. Heldere lucht, stapelwolken, buien, W/NW

49.6. Warmtefront

49.6.1. Polaire maritieme lucht

49.7. Hoge druk

49.8. Achter warmefront

49.8.1. Stratus en langdurige (mot)regen

49.8.2. Geen buien

49.9. Na passage trog

49.9.1. Buien, wind, windstoten

49.10. Polaire lucht

49.10.1. Komt uit 50-65gr. N

49.10.2. Rijkskeurmerk/Type goedgekeurd

49.11. Noorderwind

50. Varen

50.1. Draaipunt op 1/3 van boeg

50.2. Wieleffect (R-schroef)

50.2.1. Achterschip naar rechts

50.2.2. Kleinste draaicirkel over bakboord

50.2.3. Bij buitenboordmotoren geen effect

50.2.3.1. Bij hekdrive beweegt alleen de schroef

50.3. Boeg-/Hekschroef

50.3.1. Boegschroef stuurboord drukt boeg naar rechts

50.4. Rompsnelheid

50.4.1. Meest efficiënte snelheid

50.5. Dode hoek

50.5.1. Max 350m voor

50.6. Oevereffect

50.7. Achterschip wordt door oever aangetrokken

50.8. Bij tegenkoers: vertraging

50.9. Bij oplopen groot schip

50.9.1. Vertraging en naar elkaar toe getrokken

50.9.2. In smal water: wieleffect achteruit gebruiken

50.9.3. Vooral breedte schip veroorzaakt zuiging

50.10. Ankeren

50.10.1. Ankerpeiling: neem 2x 2 objecten die in elkaars verlengde staan

50.10.1.1. Krabben

50.10.1.2. Gieren

50.10.2. Voorloper: eerst ketting dan touw

50.10.3. Spudpaal: paal vanuit boot om te ankeren

51. Aankomen

51.1. Als het kan: tegen de stroom in

51.2. Situatie

51.2.1. Met stroom/wind mee: eerst achtertros

51.3. In sluis

52. Afvaren

52.1. Lagerwal: vooruit

52.1.1. Achterspring als laatste

52.2. Hogerwal: vooruit

52.2.1. Achtertros als laatste

52.3. Lagerwal: achteruit

52.3.1. Voorspring als laatste

53. Wetten/Regelementen

53.1. SVW: Scheepsvaartverkeerswet

53.1.1. Basiswet

53.1.2. Promillage < 0.5

53.2. BPR: Binnenvaart Politie Regelement

53.2.1. Bijna overal + Waddenzee

53.3. Hogerwal of box: eerst voorspring

53.4. RPR: Rijnvaart Politie Reglement

53.4.1. Aangegeven door Rijkshavenmeester Westerschelde

53.5. SRGM: Scheepvaart Reglement Gemeenschappelijke Maas.

53.6. SRE: ScheepvaartReglement Eemsmonding

53.6.1. Rijn/Waal/Lek/Pannerdensch kanaal

53.6.1.1. Niet verplicht stuurboordswal

53.6.1.2. Groot gaat ALTIJD voor klein

53.6.1.3. Gewone motorboten >16 jaar

53.6.1.4. Bij zeilboten <20m geen minimum leeftijd

53.6.1.5. Kleine schepen moeten snelle schepen voorrang geven

53.6.1.6. ALLE kleine zeilboten <20m

53.6.1.6.1. Bij nadering andere schepen 2de wit licht

53.6.1.7. Alleen 360gr licht

53.6.1.8. Motorboten 360gr wit + boordlichten

53.6.1.9. Bij slecht zicht alleen met radar

53.6.1.10. Bij uitvaren haven/nevenwater

53.6.1.11. Sleepboot is ook groot zonder sleep

53.6.1.11.1. Moet rekening houden met alleen grote schepen

53.7. SRKGT: ScheepvaartReglement Kanaal van Gent naar Terneuzen

53.7.1. Bepaald door Rijkshavenmeester Westerschelde

53.7.1.1. zwarte cilinder

53.8. 3 rode 360gr lichten bovenelkaar

53.9. SRW: ScheepvaartReglement Westerschelde

53.9.1. Bovenmaats zeeschip

53.9.2. Werktuigelijk voortbewogen schip

53.9.2.1. Eigen voortstuwing

53.9.3. Hoofd/nevenvaargeul

53.9.4. Varende

53.9.4.1. Niet: Anker, gemeerd, aan de grond.

53.9.5. Marifoon

53.9.5.1. Verplicht > 20m

53.9.6. Radarreflector verplicht

53.9.7. Wachthouden

53.9.7.1. Altijd verplicht marifoon uitluisteren

53.10. BVA: Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee

53.11. SRTZ: ScheepvaartReglement Nederlandse Territoriale Zee

54. Leeftijd

54.1. Alle

54.1.1. BPR: Boten <7m zonder motor

54.1.2. RPR: Klein zeilschip

54.2. 12

54.2.1. Boten <7m motor <13km/h

54.3. 16

54.4. 18

54.4.1. Alle

55. Getijden

55.1. Per etmaal, 2x HW en 2x LW

55.2. Springtij

55.2.1. Groot verschil (verval) tussen HW en LW

55.2.2. 2 dagen na volle maan

55.2.3. 2 dagen na nieuwe maan

55.3. Doodtij

55.3.1. Klein verschil tussen HW en LW

55.3.2. 2 dagen na halve maan

55.4. Reductievlak (LAT)

55.4.1. Laagst berekende astronomische tij op kaart

55.4.2. In NL altijd onder NAP

55.4.3. Rijzing = water boven LAT

55.5. Boeken

55.5.1. HP33

55.5.1.1. Getij en Stroom

55.5.1.1.1. t.o.v. LAT

55.5.2. Wateralmanak deel 2

55.5.2.1. Getij

55.5.2.1.1. t.o.v. NAP

55.5.3. Getijtafel voor NL

55.5.3.1. Getij

55.5.3.1.1. t.o.v NAP

55.6. 1/12de regel

55.6.1. 1ste uur daling van 1/12de van verval

55.6.1.1. = HW

55.6.2. 2de uur daling van 2/12de van verval

55.6.3. 3de uur daling van 3/12de van verval

55.6.4. 4de uur daling van 3/12de van verval

55.6.5. 5de uur daling van 2/12de van verval

56. Lichten/Dagmerken

56.1. Groen

56.1.1. Stuurboord

56.2. Toplicht

56.2.1. Minimaal 1m hoger dan boordlichten

56.2.1.1. 2de toplicht moet hoger zijn

56.3. Ankerlicht

56.3.1. Rondom

56.3.2. Zwart bol

56.4. Motorboten <20m

56.4.1. Groen/Rood mogen in 1

56.4.2. SRW: <12m top/heklicht mag in 1 mits ook boordlichten

56.5. Zeilboten <20m

56.5.1. Toplicht niet verplicht (mits zeilend)

56.5.2. -kleuren licht mag

56.6. Zeilboot die op motor vaart

56.6.1. Zwarte kegel voor

56.7. SRW: Grote boten > 110m

56.7.1. Moet extra toplicht

56.8. Langszij gekoppelde schepen

56.8.1. Beiden top- en heklicht

56.8.2. Binnenste boordlichten uit

56.9. Sleepboten

56.9.1. Overdag: Gele cilinder met boven/onder een zwart/witte band

56.9.1.1. Gesleepte boten een gele bol

56.9.2. 'S Nachts: 2 toplichten, boordlichten en GEEL heklicht

56.9.2.1. Gesleepte boten 360gr wit licht. Laatste heklicht.

56.9.3. Indien niet in kiellinie

56.9.3.1. Alle slepers: 3 toplichten, boordlichten, geel heklicht

56.9.3.2. 100m afstand

56.9.4. SRW: Indien groot binnenvaartschip sleept

56.9.4.1. GEEL heklicht

56.10. (Bagger)werktuigen

56.10.1. Aan bak- of stuurboord

56.10.1.1. Dubbelgroen

56.10.1.1.1. Doorvaart vrij aan die kant

56.10.1.2. Rood wit

56.10.1.2.1. Doorvaart vrij maar je mag geen golfbeweging veroorzaken

56.10.1.3. Enkel rood

56.10.1.3.1. Doorvaart niet vrij aan die kant

56.10.2. Bezig met werkzaamheden

56.10.2.1. Geel knipperlicht (extra)

56.11. Toplichten mogen opzelfde hoogte als als boordlichten (als ze gescheiden zijn) (niet voor SRW)

56.12. Duwstel

56.12.1. toplichten in driehoek

56.12.2. heklichten

56.13. Gevaarlijke stoffen

56.13.1. blauw licht/kegel

56.13.1.1. 10m afstand

56.13.2. blauwe lichten/kegels

56.13.2.1. 50m afstand

56.13.3. blauwe lichten/kegels

56.14. Snelle schepen >40km/h

56.14.1. gele knipperlichten

56.15. Toezichthoudend/brandweer/reddingsmaatschappijen

56.15.1. Blauw knipperlicht

56.15.1.1. SRW: Indien meerdere dan mag je er niet tussendoor varen

56.16. Beperkt manoeuvreerbaar

56.16.1. Overdag: zwarte bol, ruit, bol

56.16.2. 's Nachts: rood, wit, rood

56.16.3. Dubbel rood of dubbele bollen

56.16.3.1. Vaarwater niet vrij aan die kant

56.16.4. Dubbel groen of dubbele ruiten

56.16.4.1. Vaarwater vrij aan die kant

56.17. SRW: Onmanoeuvreerbaar

56.17.1. 2 bollen

56.17.2. 2 rode lichten bovenelkaar

56.18. Visserschip

56.18.1. Overdag: zwarte diabolo

56.18.2. 's Nachts: groen/wit toplicht (SRW: Optioneel)

56.18.2.1. + basisverlichting

56.19. Veerpont (aan kabel)

56.19.1. Groen/wit toplicht

56.19.1.1. Geen boord/heklicht

56.20. Veerpont (vrijvarend)

56.20.1. Groen/wit toplicht

56.21. Duikers

56.21.1. Met boord/heklicht

56.21.2. Blauw/wit bord

56.22. SRW: Gezonken/Gegrond

56.22.1. Ankerlichten + 2 rode lichten onderelkaar

56.22.2. 3 verticale ballen

56.22.3. Indien gevaar door golfslag

56.22.3.1. Rood boven wit licht

56.22.3.2. Rood/wit bord

57. Geluiden

57.1. Grote schepen moeten gelijktijding 360gr geel licht tonen

57.2. 1 kort (1 sec)

57.2.1. Stuurboord

57.2.1.1. SRW: 1 lang 1 kort

57.3. 2 kort

57.3.1. Bakboord

57.3.1.1. SRW: 1 lang 2 kort

57.4. 3 kort

57.5. 4 kort

57.5.1. Kan niet manoeuvreren

57.5.1.1. Verplicht voor klein schip

57.6. 1 lang (4 sec)

57.6.1. Attentie

57.6.1.1. Verplicht voor klein schip

57.6.1.2. Mistsein: 1x per min

57.7. 1 lang + 1/2 kort

57.7.1. Keren

57.8. 2 lang + 1/2 kort

57.8.1. Inhalen

57.9. 3 lang + 1/2 kort

57.9.1. In/uitvaren

57.9.1.1. Moet indien gevaar

57.10. 1 lang, 1 kort, 1 lang

57.10.1. Bediening brug/sluis

57.11. Reeks lang

57.11.1. Noodsein

57.11.1.1. Verplicht voor klein schip

57.12. 3 lang

57.12.1. Oversteken

57.13. Reeks zeer kort

57.13.1. Gevaar aanvaring

57.13.1.1. Moet voor grote schepen/mag voor klein

57.13.1.2. Ook bij slecht zicht en stlliggen 1x per min klokslagen

57.14. Reeks lang + kort

57.14.1. Blijf weg

57.14.1.1. Bijv. bij lekkage gevaarlijke stoffen

58. Voorrang

58.1. Zeilboten

58.1.1. Bakboord heeft voorrang

58.1.2. Loef wijkt voor lij

58.1.3. Oplopen

58.1.3.1. Voorste boot heeft voorrang

58.1.3.1.1. Inhalen bij voorkeur over loef (In RPR gebied verplicht)

58.1.3.2. Grote boot zorgt voor afremming en vertraging

58.2. Hoofdvaarwater

58.3. Gestrekte koers stuurboord

58.4. Klein/klein

58.4.1. Zeilboot gaat voor roeiboot gaat voor motorboot

58.4.1.1. Voorrang op alles

58.4.1.2. (BPR gebied) Stroom mee heeft voorrang

58.4.2. Bij niet geregelde sluis/brug

58.4.2.1. Voor de wind zeilen heeft voorrang

58.5. Engtes

58.5.1. Met stroming

58.5.2. Zonder stroming

58.5.2.1. Groot voor klein

58.5.2.2. Zeilboot voor roeiboot voor motorboot

58.5.2.3. Opkruisende zeilboot heeft geen voorrang

58.6. Groot gaat voor klein

58.6.1. >20m

58.6.1.1. Uitzondering: Snel schip >40km/h

58.7. Keren

58.7.1. Moet groot schip voorrang verlenen

58.7.2. Mag medewerking van kleine boten verwachten

58.8. Pont

58.9. BPR: Bijzondere bepalingen (bepaalde

58.9.1. Kleine schepen

58.9.1.1. Moet (bij slecht zicht) marifoon uitluisteren

58.9.1.2. Bij rode marifoonborden uitluisteren (niet verplicht melden)

58.9.2. Moet checken of overgang veilig kan op alle schepen

58.9.2.1. Voorrang op alle kleine schepen

58.9.2.1.1. Mag medewerking groot schip verlangen

58.9.3. Bijlage 9

58.9.3.1. Bij slecht zicht: radar verplicht

58.9.3.2. Indien op radar wordt gevaren moeten er inlichtingen per marifoon worden gegeven

58.9.3.3. Kleine schepen met marifoon: uitluister en communicatieplicht

58.9.4. Bijlage 15A

58.9.4.1. Laveerverbod

58.9.4.2. Verboden zonder motor <6km/h

58.9.4.3. Verplicht Stuurboordzijde

58.9.4.3.1. Geldt niet voor RPR

58.9.5. Bijlage 15B

58.9.5.1. Bij slecht zicht: radarreflector verplicht

58.9.6. Mag medewerking verlangen van groot schip

58.10. Verkeerde wal varen

58.10.1. Gelderse IJssel/Maas

58.10.1.1. Blauwbord (eventueel met 2 korte stoten)

58.10.1.1.1. Stuurboord/stuurboord passeren

58.10.2. Binnenbocht stroomopwaarts

58.11. SRW (Westerschelde)

58.11.1. Groot zeilschip wijkt voor groot werktuigelijk schip

58.11.2. Als je voorrang hebt mag je snelheid veranderen (maar koers houden)

58.11.3. "Opdraaien" heeft voorrang

58.11.3.1. Van voor naar tegen de stroom in draaien

58.11.4. "Kop voor nemen" heeft GEEN voorrang

58.11.4.1. Van tegen naar voor de stroom draaien

58.11.5. In smalle hoofdvoorgeulen geen <12m boten

58.11.6. In hoofdvaargeul: Motor standby voor <12m (min 6 km/h)

58.11.7. Krachtige motor >12m verplicht

58.11.8. Bocht zonder stroom, buitenbocht heeft voorrang

58.11.9. Geel schitterlicht Vlissingen

58.11.9.1. Er komen schepen uit Oost/Sardijngeul

58.11.9.2. Voorzorgsgebied

58.11.9.2.1. Niet ankeren

58.12. Engte met stroom, stroomopwaarts moet doodvaren indien gevaar aanvaring

59. Navigatie

59.1. Meridianen

59.1.1. Lengtecirkels

59.2. Parallellen

59.2.1. Breedtecirkels

59.2.1.1. max 90gr

59.3. 1 graad = 60 min

59.3.1. 1 min = 1 zeemijl (1,85 km)

59.3.1.1. 1 knoop = 1 mijl/h

59.4. Mercatorprojectie

59.4.1. Bol op cilinder

59.4.1.1. Hoeken op kaart zijn even groot als echt

59.4.1.2. Alleen staande rand geschikt voor maatvoering

59.4.1.3. Koerslijn is recht

59.5. GPS (32 satellieten, 4 in zicht)

59.5.1. XTE

59.5.1.1. Afwijking v/d koerslijn

59.5.2. COG

59.5.2.1. Verschil geografische en magnetische noorden

59.5.2.1.1. Afhankelijk van plaats

59.5.3. SOG

59.5.3.1. Snelheid over grond

59.5.3.1.1. Afstand naar volgende waypoint

59.5.4. DST

59.5.5. ETA

59.5.5.1. Tijd tot aankomst

59.6. Koersafwijkingen

59.6.1. Deviatie

59.6.1.1. Afwijking door stalen schip

59.6.1.1.1. Afhankelijk van koers

59.6.1.1.2. Koers over grond

59.6.2. Variatie

59.6.2.1. KK+dev=MK+var=WK+drift=BWK+stroom=GrK

59.6.2.1.1. Afwijking tegen wijzers van klok in

59.6.3. Miswijzing

59.6.3.1. Deviatie + Variatie

59.6.3.1.1. Afwijking met wijzers van klok mee

59.6.4. Drift

59.6.5. Stroom

59.7. Koersformule

59.8. Van GK naar KK

59.8.1. Zet stroom bij vertrekpunt

59.9. Van KK naar GK

59.9.1. Zet stroom bij eindpunt

59.10. Gegist bestek

59.10.1. Elk uur koers en snelheid op een kaart plotten

59.10.1.1. Schatting positie

59.10.1.1.1. Afgelezen peiling

59.10.1.1.2. (Indien met stuurkompas) Voorliggende koers

59.10.1.1.3. Tijd

59.10.1.1.4. Logstand

60. Peiling

60.1. Peilingformule

60.1.1. KP+dev=MP+var=WP