Klein Vaarbewijs 1/2

Vaarbewijs 1

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Klein Vaarbewijs 1/2 Door Mind Map: Klein Vaarbewijs 1/2

1. Betonning

1.1. SIGNI (Binnenwateren)

1.1.1. In Europa

1.1.2. Richting: Van berg naar zee

1.1.3. Rechteroever met de stroom mee

1.2. IALA-A (Zeebetonning)

1.2.1. Eems - Dollard

1.2.2. Waddenzee

1.2.3. Westerschelde

1.2.4. Richting: Van zee naar land (Met vloedstroom mee)

1.3. Laterale betonning. Nummering gaat stroomopwaarts

1.3.1. Groen: oneven

1.3.1.1. Punt omhoog

1.3.2. Rood: even

1.3.2.1. Walbaken: punt naar beneden. Anders: cylinder

1.3.3. Rood/wit verticaal gestreept

1.3.3.1. SIGNI: Midwaterton

1.3.3.2. IALA-A: Aanloopton voor betond vaarwater

1.3.4. Geel

1.3.4.1. Verboden/gevaarlijke gebieden

1.4. Scheidingstonnen

1.4.1. SIGNI: Bolvormig rood/groen horizontaal (of vv)

1.4.1.1. Topteken

1.4.1.1.1. Groene kegel

1.4.1.1.2. Rode cylinder

1.4.2. IALA-A: Rood-groen-rood (of vv)

1.4.3. Vaarwater gelijk belang

1.4.3.1. SIGNI: Groen/rode gestreepte bol

1.4.3.2. IALA-A: Cardinale ton

1.5. Nevenwater

1.5.1. Je vaart tussen 2 gelijke kleuren door naar hoofdwater, waarvan 1 scheidingston

1.6. Lichtenlijn

1.6.1. Wit voorste lager

1.6.1.1. Geeft bijv. diepste aanloop naar haven aan

1.7. Sparboei

1.7.1. Dun cylindervormig

1.7.1.1. Kan beter tegen ijsgang

1.8. Nood/wrakboei

1.8.1. Geel/Blauw verticaal gestreept

1.8.1.1. Tijdelijk voor (nieuw) gevaar

1.9. Afzonderlijk (klein) gevaar

1.9.1. Zwarte boei met rode band in midden en 2 zwarte bollen

1.10. Racon

1.10.1. Radarantwoordbaken op boei

1.11. Cardinale betonning

1.11.1. Aangeven obstakels

1.11.1.1. Noord: 2 zwarte punten omhoog

1.11.1.1.1. Boven zwart, onder geel

1.11.1.2. Oost: punten van elkaar af

1.11.1.2.1. Zwart-geel-zwart

1.11.1.3. Zuid: 2 zwarte punten omlaag

1.11.1.3.1. Boven geel, onder zwart

1.11.1.4. West: punten naar elkaar toe

1.11.1.4.1. Geel-zwart-geel

2. Verdrinking

2.1. Reddingsboeien

2.1.1. Rond

2.1.1.1. 2/3 kg in beroepsvaart

2.1.2. Hoefijzer

2.2. Drijflijn

2.2.1. Blijft drijven

2.2.2. Houvast voor drenkeling

2.2.3. Kan in knoop raken

2.3. Joon

2.3.1. Vlag van 3m met licht

2.4. Parachutelicht

2.5. Radarreflector

2.5.1. Min 4 meter boven water

3. Betonningslichten

3.1. Langer uit dan aan (VQ, Q, Fl, LFl)

3.1.1. Gevaar

3.2. (Iso) even lang aan dan uit

3.3. (Oc) Langer aan dan uit

3.4. (F) Altijd aan

3.4.1. Veilig havenhoofd

4. Verplicht

4.1. Snelle motorboten vanaf 18 jaar

4.1.1. Snelle boot >20kn/h

4.2. Schepen 15 < 25 m

4.2.1. Schepen <20 meter: boot of jacht

4.3. Schepen > 20 km/h

4.3.1. Algemeen geldende max is 20 km/h

4.4. Groot schip >20m

4.4.1. Uitzonderingen ook <20m

4.4.1.1. Passagiersschip

4.4.1.1.1. Gele ruit voor >12 personen

4.4.1.2. Vissersschip

4.4.1.3. Veerpont

4.4.1.4. Duwbak

4.4.1.5. Sleepboot

4.4.1.5.1. Moet groot schip slepen

4.4.2. Snel schip > 40 km/h

4.4.3. Marifoonplichtig

4.4.3.1. Geldt ook voor klein schip dat op radar vaart

5. Spant

5.1. Rondspant

5.1.1. Beste voor golven

5.2. (Multi) knikspant

5.2.1. Knikspant mindst geschikt voor ruim water

6. Roerblad

6.1. Roerkoning: waar blad aan stang vastzit

7. Zeekaarten 1800 serie

7.1. Wijzigingen gepubliceerd in: De Berichten aan Zeevarenden

7.2. 1:x schaal is in km (niet in mijl!)

7.3. LET OP: Icoontjes kaart kennen

8. Geldig

8.1. Rivieren

8.2. Kanalen

8.3. Meren

8.4. Vaarwater

8.4.1. Deel dat bevaarbaar is

8.5. Stilliggen

8.5.1. Anker

8.5.2. Gemeerd

8.5.3. NIET: drijvend of vastgevaren

8.6. Klein Vaarbewijs 2

8.6.1. Waddezee

8.6.2. IJsselmeer

8.6.3. Eems/Dollard

8.6.4. Wester/Oosterschelde

9. Uitreiking

9.1. Theorie gehaald

9.2. Medische geschiktheid

10. Uitrusting (niet verplicht) voor kleine schepen

10.1. Anker

10.2. Zeereling

10.3. Lens/Bilge pomp

10.4. Afsluiters

10.5. Binnenvaart politieregelement (BPR)

10.5.1. Fysiek of digitaal aanwezig

10.5.2. Geldt ook voor Handboek Marifonie

10.6. Snelle motorboten

10.6.1. Registratiebewijs (Ook voor RPR Rijnvaartgebied)

10.6.1.1. Verantwoordelijk

10.6.1.1.1. Schipper

10.6.1.1.2. Eigenaar (mede-)

10.6.2. Reddingsvesten (SOLAS-V verdrag)

10.6.2.1. Als in water dan belangrijk

10.6.2.1.1. Blijf drijven

10.6.2.1.2. Warmte vasthouden

10.6.2.2. 50 Newton (5 kg)

10.6.2.2.1. Zwemvest

10.6.2.3. 100 Newton

10.6.2.3.1. Kinderen

10.6.2.3.2. Binnenwater

10.6.2.3.3. Normaal weer

10.6.2.3.4. Met lichte kleding

10.6.2.4. 150 Newton

10.6.2.4.1. Open/Kustwater

10.6.2.4.2. Beperkt tegen bewusteloosheid met zware kleding

10.6.2.5. 275 Newton

10.6.3. Motoronderbrekings-/dodemansknop

10.6.4. Brandblusser

10.6.5. Bestuurder

10.6.5.1. Zitten op zijn plek

10.6.5.2. Bij staan zwemvest aan

10.6.5.3. 18 jaar

10.6.5.4. Geen (geluids) hinder

10.6.5.5. Motor uit bij stilstand

10.6.5.6. Bij waterskiën moet er een 2de persoon >15 jaar zijn

11. Veiligheid

11.1. Brand

11.1.1. A: Vaste stoffen

11.1.1.1. Water/Schuim/Poeder

11.1.2. B: Vloeistoffen

11.1.2.1. Schuim/Poeder

11.1.2.1.1. Weinig schade

11.1.2.1.2. Kan bevriezen

11.1.3. C: Gas

11.1.3.1. Poeder

11.1.3.1.1. Schade aan electra

11.1.4. D: Metaal

11.1.5. F: Vet/Olie

11.1.5.1. Water

11.1.5.2. Pan: Deksel/Vochtige dweil

11.2. Preventie

11.2.1. Gasdetectie

11.2.1.1. In laagste gedeelte

11.2.2. Kooktoestel

11.2.2.1. Thermisch beveiligd

11.2.3. Gasleiding

11.2.3.1. Afsluiters

11.2.3.2. Rubberen slang om 3 jaar vervangen

11.2.4. Gasbun

11.2.4.1. In afzonderlijke ruimte

11.2.4.2. Belucht

11.2.5. Benzinemotor

11.2.5.1. Ventilatie met vonkvrije ventilator

11.2.6. Kortsluiting

11.2.6.1. Hoofdschakelaar uit

11.3. Blusser

11.3.1. Rijkskeurmerk/Type goedgekeurd

11.3.2. Minimaal 2 kg

11.3.3. Bij ingang kajuit

12. Motortechniek

12.1. Verbrandings

12.1.1. Brandstof

12.1.1.1. Benzine

12.1.1.1.1. Voor snelle boten

12.1.1.2. Diesel

12.1.1.2.1. Geen accu nodig/geen bougie

12.1.1.3. Problemen

12.1.1.3.1. Condens

12.1.1.3.2. Troep/Sludge

12.1.1.3.3. Roest

12.1.2. Smering

12.1.2.1. Oliedruk

12.1.2.1.1. Laag: Te weinig koeling

12.1.2.2. Olie vervangen

12.1.2.3. Oliefilter

12.1.3. Zuurstof

12.1.3.1. Luchtfilter

12.1.3.2. Koeling

12.1.3.2.1. Koelwaterpomp (via wierfilter)

12.1.3.2.2. Gevaren

12.1.4. Ontsteking

12.2. Elektrisch

12.2.1. Accu

12.2.1.1. Parallel: 2x zo lang mee

12.2.1.2. In serie: 24V

12.2.1.3. Capaciteit: A/h

12.2.1.4. Bij 12V dikkere kabels dan 230V

12.3. Aandrijving

12.3.1. Keerkoppeling (neutraal, voor-, achteruit)

12.3.2. Schroefas (en -koker) Gland (ring) houd water tegen

12.3.2.1. Vetgesmeerd

12.3.2.2. Watergesmeerd

12.3.3. Slipkoppeling

12.3.3.1. Als schroef grond raakt

12.3.4. Breekpen

13. Normaal Waterpeil

13.1. KP: Kanaalpeil

13.2. SP: Stuwpeil (rivieren)

13.3. NAP: Zeespiegel

14. Meteorologie

14.1. Krimpende wind

14.1.1. Weer verslechtert

14.2. Ruimende wind

14.3. Windwaarschuwing vanaf 6 Bf

14.4. Gem 1013 hPa

14.4.1. Hoge druk

14.4.2. Lage druk

14.5. Mist indien zicht < 1 km

14.6. (Achter) koufront

14.6.1. Heldere lucht, stapelwolken, buien, W/NW

14.7. Warmtefront

14.7.1. Stratus en langdurige (mot)regen

14.8. Achter warmefront

14.8.1. Geen buien

14.9. Na passage trog

14.9.1. Buien, wind, windstoten

14.10. Polaire lucht

14.10.1. Komt uit 50-65gr. N

14.11. Noorderwind

14.11.1. Polaire maritieme lucht

15. Varen

15.1. Draaipunt op 1/3 van boeg

15.2. Wieleffect (R-schroef)

15.2.1. Achterschip naar rechts

15.2.2. Kleinste draaicirkel over bakboord

15.2.3. In smal water: wieleffect achteruit gebruiken

15.2.4. Bij buitenboordmotoren geen effect

15.2.4.1. Bij hekdrive beweegt alleen de schroef

15.3. Boeg-/Hekschroef

15.3.1. Boegschroef stuurboord drukt boeg naar rechts

15.4. Rompsnelheid

15.4.1. Meest efficiënte snelheid

15.5. Dode hoek

15.5.1. Max 350m voor

15.6. Oevereffect

15.6.1. Achterschip wordt door oever aangetrokken

15.7. Bij oplopen groot schip

15.7.1. Vertraging en naar elkaar toe getrokken

15.7.2. Bij tegenkoers: vertraging

15.7.3. Vooral breedte schip veroorzaakt zuiging

15.8. Ankeren

15.8.1. Wit ankerlicht, voorste hoger dan achterste

15.8.2. Ankerpeiling: neem 2x 2 objecten die in elkaars verlengde staan

15.8.2.1. Krabben

15.8.2.2. Gieren

15.8.3. Voorloper: eerst ketting dan touw

15.8.4. Spudpaal: paal vanuit boot om te ankeren

16. Aankomen

16.1. Tros: van schip naar voren/achteren

16.2. Spring: van voor/achter schip naar midden wal

16.2.1. Ideaal voor schepen 7-14 meter

16.3. Middenbolderspring: van midden schip naar voor/achter wal

16.4. Als het kan: tegen de stroom in

16.5. Situatie

16.5.1. Tegen stroom/wind in: eerst voortros

16.5.2. Met stroom/wind mee: eerst achtertros

16.5.2.1. R-schroef: aan bakboord

16.5.3. Hogerwal of box: eerst voorspring

16.6. In sluis

16.6.1. Motor niet in werking

17. Afvaren

17.1. Indien mogelijk tegen stroom/wind in

17.1.1. Vooruit op achterspring

17.1.2. Achteruit op voorspring

17.2. Hogerwal: vooruit

17.2.1. Achtertros als laatste

17.3. Lagerwal: achteruit

17.3.1. Voorspring als laatste

17.4. Lagerwal: vooruit

17.4.1. Achterspring als laatste

18. Wetten/Regelementen

18.1. SVW: Scheepsvaartverkeerswet

18.1.1. Basiswet

18.1.2. Promillage < 0.5

18.2. BVW: Binnenvaartwet

18.3. WvK: Wetboek van Koophandel

18.3.1. Hulpverlening en aanvaring

18.4. BPR: Binnenvaart Politie Regelement

18.4.1. Bijna overal + Waddenzee

18.5. RPR: Rijnvaart Politie Reglement

18.5.1. Rijn/Waal/Lek/Pannerdensch kanaal

18.5.1.1. Niet verplicht stuurboordswal

18.5.1.2. Groot gaat ALTIJD voor klein

18.5.1.3. Gewone motorboten >16 jaar

18.5.1.4. Bij zeilboten <20m geen minimum leeftijd

18.5.1.5. Kleine schepen moeten snelle schepen voorrang geven

18.5.1.6. ALLE kleine zeilboten <20m

18.5.1.6.1. Alleen 360gr licht

18.5.1.6.2. Bij nadering andere schepen 2de wit licht

18.5.1.7. Motorboten 360gr wit + boordlichten

18.5.1.8. Bij slecht zicht alleen met radar

18.5.1.9. Bij uitvaren haven/nevenwater

18.5.1.9.1. Moet rekening houden met alleen grote schepen

18.5.1.10. Sleepboot is ook groot zonder sleep

18.6. SRKGT: ScheepvaartReglement Kanaal van Gent naar Terneuzen

18.7. SRGM: Scheepvaart Reglement Gemeenschappelijke Maas.

18.8. SRE: ScheepvaartReglement Eemsmonding

18.9. SRW: ScheepvaartReglement Westerschelde

18.9.1. Bovenmaats zeeschip

18.9.1.1. Bepaald door Rijkshavenmeester Westerschelde

18.9.1.1.1. zwarte cilinder

18.9.1.1.2. 3 rode 360gr lichten bovenelkaar

18.9.2. Werktuigelijk voortbewogen schip

18.9.2.1. Eigen voortstuwing

18.9.3. Hoofd/nevenvaargeul

18.9.3.1. Aangegeven door Rijkshavenmeester Westerschelde

18.9.4. Varende

18.9.4.1. Niet: Anker, gemeerd, aan de grond.

18.9.5. Marifoon

18.9.5.1. Verplicht > 20m

18.9.6. Radarreflector verplicht

18.9.7. Wachthouden

18.9.7.1. Altijd verplicht marifoon uitluisteren

18.10. BVA: Bepalingen ter Voorkoming van Aanvaringen op zee

18.11. SRTZ: ScheepvaartReglement Nederlandse Territoriale Zee

19. Leeftijd

19.1. Alle

19.1.1. BPR: Boten <7m zonder motor

19.1.2. RPR: Klein zeilschip

19.2. 12

19.2.1. Boten <7m motor <13km/h

19.3. 16

19.3.1. Alle (<20km/h)

19.4. 18

19.4.1. Alle

20. Getijden

20.1. Per etmaal, 2x HW en 2x LW

20.2. Springtij

20.2.1. Groot verschil (verval) tussen HW en LW

20.2.2. 2 dagen na volle maan

20.2.3. 2 dagen na nieuwe maan

20.3. Doodtij

20.3.1. Klein verschil tussen HW en LW

20.3.2. 2 dagen na halve maan

20.4. Reductievlak (LAT)

20.4.1. Laagst berekende astronomische tij op kaart

20.4.2. In NL altijd onder NAP

20.4.3. Rijzing = water boven LAT

20.5. Boeken

20.5.1. HP33

20.5.1.1. Getij en Stroom

20.5.1.1.1. t.o.v. LAT

20.5.2. Wateralmanak deel 2

20.5.2.1. Getij

20.5.2.1.1. t.o.v. NAP

20.5.3. Getijtafel voor NL

20.5.3.1. Getij

20.5.3.1.1. t.o.v NAP

20.6. 1/12de regel

20.6.1. 1ste uur daling van 1/12de van verval

20.6.1.1. = HW

20.6.2. 2de uur daling van 2/12de van verval

20.6.3. 3de uur daling van 3/12de van verval

20.6.4. 4de uur daling van 3/12de van verval

20.6.5. 5de uur daling van 2/12de van verval

20.6.6. 6de uur daling van 1/12de van verval

20.6.6.1. = LW

21. Lichten/Dagmerken

21.1. Groen

21.1.1. Stuurboord

21.2. Rood

21.2.1. Bakboord

21.3. Toplicht

21.3.1. Minimaal 1m hoger dan boordlichten

21.3.1.1. 2de toplicht moet hoger zijn

21.4. Heklicht

21.5. Ankerlicht

21.5.1. Rondom

21.5.2. Zwart bol

21.6. Boten <7m en <13 km/h

21.6.1. 360gr wit

21.6.1.1. zaklamp bij gevaar aanvaring (niet voor SRW)

21.6.1.2. RPR: Bij nadering schepen: zaklamp

21.7. Motorboten <20m

21.7.1. 360gr wit (of gescheiden) top/hek

21.7.1.1. toplicht 1 meter hoger dan boordlichten

21.7.2. Groen/Rood mogen in 1

21.7.3. Toplichten mogen opzelfde hoogte als als boordlichten (als ze gescheiden zijn) (niet voor SRW)

21.7.4. SRW: <12m top/heklicht mag in 1 mits ook boordlichten

21.8. Zeilboten <20m

21.8.1. Toplicht niet verplicht (mits zeilend)

21.8.2. -kleuren licht mag

21.9. Zeilboot die op motor vaart

21.9.1. Zwarte kegel voor

21.10. Grote boten >20m

21.10.1. Mag extra toplicht

21.10.2. 360gr Extra ankerlicht, voor hoger dan achter

21.10.3. Grote zeilschepen

21.10.3.1. Extra toplicht rood boven groen

21.11. SRW: Grote boten > 110m

21.11.1. Moet extra toplicht

21.12. Langszij gekoppelde schepen

21.12.1. Beiden top- en heklicht

21.12.2. Binnenste boordlichten uit

21.13. Sleepboten

21.13.1. Overdag: Gele cilinder met boven/onder een zwart/witte band

21.13.1.1. Gesleepte boten een gele bol

21.13.2. 'S Nachts: 2 toplichten, boordlichten en GEEL heklicht

21.13.2.1. Gesleepte boten 360gr wit licht. Laatste heklicht.

21.13.3. Indien niet in kiellinie

21.13.3.1. Alle slepers: 3 toplichten, boordlichten, geel heklicht

21.13.4. SRW: Indien groot binnenvaartschip sleept

21.13.4.1. GEEL heklicht

21.14. (Bagger)werktuigen

21.14.1. Aan bak- of stuurboord

21.14.1.1. Dubbelgroen

21.14.1.1.1. Doorvaart vrij aan die kant

21.14.1.2. Enkel rood

21.14.1.2.1. Doorvaart niet vrij aan die kant

21.14.1.3. Rood wit

21.14.1.3.1. Doorvaart vrij maar je mag geen golfbeweging veroorzaken

21.14.2. Bezig met werkzaamheden

21.14.2.1. Geel knipperlicht (extra)

21.15. Duwstel

21.15.1. toplichten in driehoek

21.15.2. heklichten

21.16. Gevaarlijke stoffen

21.16.1. blauw licht/kegel

21.16.1.1. 10m afstand

21.16.2. blauwe lichten/kegels

21.16.2.1. 50m afstand

21.16.3. blauwe lichten/kegels

21.16.3.1. 100m afstand

21.17. Snelle schepen >40km/h

21.17.1. gele knipperlichten

21.18. Toezichthoudend/brandweer/reddingsmaatschappijen

21.18.1. Blauw knipperlicht

21.18.1.1. SRW: Indien meerdere dan mag je er niet tussendoor varen

21.19. Beperkt manoeuvreerbaar

21.19.1. Overdag: zwarte bol, ruit, bol

21.19.2. 's Nachts: rood, wit, rood

21.19.3. Dubbel rood of dubbele bollen

21.19.3.1. Vaarwater niet vrij aan die kant

21.19.4. Dubbel groen of dubbele ruiten

21.19.4.1. Vaarwater vrij aan die kant

21.20. SRW: Onmanoeuvreerbaar

21.20.1. 2 bollen

21.20.2. 2 rode lichten bovenelkaar

21.21. Visserschip

21.21.1. Overdag: zwarte diabolo

21.21.2. 's Nachts: groen/wit toplicht (SRW: Optioneel)

21.21.2.1. + basisverlichting

21.22. Veerpont (aan kabel)

21.22.1. Groen/wit toplicht

21.22.1.1. Geen boord/heklicht

21.23. Veerpont (vrijvarend)

21.23.1. Groen/wit toplicht

21.23.1.1. Met boord/heklicht

21.24. Duikers

21.24.1. Blauw/wit bord

21.25. SRW: Gezonken/Gegrond

21.25.1. Ankerlichten + 2 rode lichten onderelkaar

21.25.2. 3 verticale ballen

21.25.3. Indien gevaar door golfslag

21.25.3.1. Rood boven wit licht

21.25.3.2. Rood/wit bord

22. Geluiden

22.1. Grote schepen moeten gelijktijding 360gr geel licht tonen

22.2. 1 kort (1 sec)

22.2.1. Stuurboord

22.2.1.1. SRW: 1 lang 1 kort

22.3. 2 kort

22.3.1. Bakboord

22.3.1.1. SRW: 1 lang 2 kort

22.4. 3 kort

22.4.1. Achteruit

22.5. 4 kort

22.5.1. Kan niet manoeuvreren

22.5.1.1. Verplicht voor klein schip

22.6. 1 lang (4 sec)

22.6.1. Attentie

22.6.1.1. Verplicht voor klein schip

22.6.1.2. Mistsein: 1x per min

22.7. 1 lang + 1/2 kort

22.7.1. Keren

22.8. 2 lang + 1/2 kort

22.8.1. Inhalen

22.9. 3 lang + 1/2 kort

22.9.1. In/uitvaren

22.9.1.1. Moet indien gevaar

22.10. 3 lang

22.10.1. Oversteken

22.11. 1 lang, 1 kort, 1 lang

22.11.1. Bediening brug/sluis

22.12. Reeks lang

22.12.1. Noodsein

22.12.1.1. Verplicht voor klein schip

22.13. Reeks zeer kort

22.13.1. Gevaar aanvaring

22.13.1.1. Moet voor grote schepen/mag voor klein

22.13.1.2. Ook bij slecht zicht en stlliggen 1x per min klokslagen

22.14. Reeks lang + kort

22.14.1. Blijf weg

22.14.1.1. Bijv. bij lekkage gevaarlijke stoffen

23. Voorrang

23.1. Zeilboten

23.1.1. Bakboord heeft voorrang

23.1.2. Loef wijkt voor lij

23.1.3. Oplopen

23.1.3.1. Voorste boot heeft voorrang

23.1.3.1.1. Inhalen bij voorkeur over loef (In RPR gebied verplicht)

23.1.3.2. Grote boot zorgt voor afremming en vertraging

23.2. Motorboten

23.2.1. Rechts heeft voorrang

23.2.2. Tegengestelde koers

23.2.2.1. Rechts passeren

23.2.3. Speciaal (sleep, duw, 12+ passagiers etc.)

23.3. Hoofdvaarwater

23.3.1. Kleine schepen op nevenwater moeten medewerking verlenen

23.4. Gestrekte koers stuurboord

23.4.1. Voorrang op alles

23.5. Groot gaat voor klein

23.5.1. >20m

23.5.2. Uitzondering: Snel schip >40km/h

23.6. Klein/klein

23.6.1. Zeilboot gaat voor roeiboot gaat voor motorboot

23.6.2. Bij niet geregelde sluis/brug

23.6.2.1. Voor de wind zeilen heeft voorrang

23.7. Engtes

23.7.1. Met stroming

23.7.1.1. (BPR gebied) Stroom mee heeft voorrang

23.7.2. Zonder stroming

23.7.2.1. Groot voor klein

23.7.2.2. Zeilboot voor roeiboot voor motorboot

23.7.2.3. Opkruisende zeilboot heeft geen voorrang

23.8. Keren

23.8.1. Moet groot schip voorrang verlenen

23.8.2. Mag medewerking van kleine boten verwachten

23.9. Pont

23.9.1. Voorrang op alle kleine schepen

23.9.2. Mag medewerking groot schip verlangen

23.9.3. Moet checken of overgang veilig kan op alle schepen

23.10. BPR: Bijzondere bepalingen (bepaalde

23.10.1. Kleine schepen

23.10.1.1. Moet (bij slecht zicht) marifoon uitluisteren

23.10.1.2. Bij rode marifoonborden uitluisteren (niet verplicht melden)

23.10.2. Bijlage 9

23.10.2.1. Bij slecht zicht: radar verplicht

23.10.2.2. Indien op radar wordt gevaren moeten er inlichtingen per marifoon worden gegeven

23.10.2.3. Kleine schepen met marifoon: uitluister en communicatieplicht

23.10.3. Bijlage 15A

23.10.3.1. Verboden zonder motor <6km/h

23.10.3.2. Laveerverbod

23.10.3.3. Verplicht Stuurboordzijde

23.10.3.3.1. Geldt niet voor RPR

23.10.4. Bijlage 15B

23.10.4.1. Bij slecht zicht: radarreflector verplicht

23.10.5. Mag medewerking verlangen van groot schip

23.11. Verkeerde wal varen

23.11.1. Gelderse IJssel/Maas

23.11.1.1. Blauwbord (eventueel met 2 korte stoten)

23.11.1.1.1. Stuurboord/stuurboord passeren

23.11.2. Binnenbocht stroomopwaarts

23.12. SRW (Westerschelde)

23.12.1. Groot zeilschip wijkt voor groot werktuigelijk schip

23.12.2. Als je voorrang hebt mag je snelheid veranderen (maar koers houden)

23.12.3. "Opdraaien" heeft voorrang

23.12.3.1. Van voor naar tegen de stroom in draaien

23.12.4. "Kop voor nemen" heeft GEEN voorrang

23.12.4.1. Van tegen naar voor de stroom draaien

23.12.5. In smalle hoofdvoorgeulen geen <12m boten

23.12.6. In hoofdvaargeul: Motor standby voor <12m (min 6 km/h)

23.12.7. Krachtige motor >12m verplicht

23.12.8. Engte met stroom, stroomopwaarts moet doodvaren indien gevaar aanvaring

23.12.9. Bocht zonder stroom, buitenbocht heeft voorrang

23.12.10. Geel schitterlicht Vlissingen

23.12.10.1. Er komen schepen uit Oost/Sardijngeul

23.12.10.2. Voorzorgsgebied

23.12.10.2.1. Niet ankeren

24. Navigatie

24.1. Meridianen

24.1.1. Lengtecirkels

24.1.1.1. max 180gr

24.2. Parallellen

24.2.1. Breedtecirkels

24.2.1.1. max 90gr

24.3. 1 graad = 60 min

24.3.1. 1 min = 1 zeemijl (1,85 km)

24.3.1.1. 1 knoop = 1 mijl/h

24.4. Mercatorprojectie

24.4.1. Bol op cilinder

24.4.1.1. Hoeken op kaart zijn even groot als echt

24.4.1.2. Alleen staande rand geschikt voor maatvoering

24.4.1.3. Koerslijn is recht

24.5. GPS (32 satellieten, 4 in zicht)

24.5.1. XTE

24.5.1.1. Afwijking v/d koerslijn

24.5.2. COG

24.5.2.1. Koers over grond

24.5.3. SOG

24.5.3.1. Snelheid over grond

24.5.4. DST

24.5.4.1. Afstand naar volgende waypoint

24.5.5. ETA

24.5.5.1. Tijd tot aankomst

24.6. Koersafwijkingen

24.6.1. Deviatie

24.6.1.1. Afwijking door stalen schip

24.6.1.1.1. Afhankelijk van koers

24.6.2. Variatie

24.6.2.1. Verschil geografische en magnetische noorden

24.6.2.1.1. Afhankelijk van plaats

24.6.3. Miswijzing

24.6.3.1. Deviatie + Variatie

24.6.3.1.1. Afwijking met wijzers van klok mee

24.6.3.1.2. Afwijking tegen wijzers van klok in

24.6.4. Drift

24.6.5. Stroom

24.7. Koersformule

24.7.1. KK+dev=MK+var=WK+drift=BWK+stroom=GrK

24.8. Van GK naar KK

24.8.1. Zet stroom bij vertrekpunt

24.9. Van KK naar GK

24.9.1. Zet stroom bij eindpunt

24.10. Gegist bestek

24.10.1. Elk uur koers en snelheid op een kaart plotten

24.10.1.1. Schatting positie

24.10.1.1.1. Afgelezen peiling

24.10.1.1.2. (Indien met stuurkompas) Voorliggende koers

24.10.1.1.3. Tijd

24.10.1.1.4. Logstand

25. Peiling

25.1. 2 punten in hoek ongeveer 90gr

25.2. Peilingformule

25.2.1. KP+dev=MP+var=WP