hematologie

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
hematologie by Mind Map: hematologie

1. kliniek

1.1. hemiglobinurie

1.2. hemiglobinemie

1.3. hemosiderinurie

1.4. icterus

2. begrippen

2.1. MHC

2.1.1. MHC = Hb per RBC

2.2. reticulocyten

2.2.1. marker voor de aanmaak van ery's

2.2.2. hoog meestal gevolg van hemolyse

2.2.2.1. er moeten immers nieuwe erys gevormd worden

2.3. ferritinine

2.3.1. maat voor hoeveelheid ijzer

2.3.2. ook acutefaseeiwit

2.4. CRP

2.4.1. enkel acutefaseeiwit

2.5. beenmergcytologie

2.6. Hb

2.6.1. HbA

2.6.2. HbF

2.6.3. HbA2

2.7. MCHC

2.8. Ht

2.8.1. hematocriet = rbc's per volumeeenheid

2.9. BSE bepaling

2.9.1. BSE = bezinkingssnelheid rbc's (afstand/tijdseenheid)

2.10. Hb electroforese

2.11. Foliumzuurbepaling

2.12. Morfologisch onderzoek

2.13. PCR

2.13.1. mechanisme

2.13.1.1. verhitting tot bij kookpunt en afkoeing tot 60graden

2.13.2. controles

2.13.2.1. intern

2.13.2.2. positief

2.13.2.3. negatief

2.14. polyglobulie = te veel erys (E) en hoog Ht

2.15. GCSF granulocyten colony stimulating factor

2.16. GMCSF granulocyt-monocyt colony stimulating factor

2.17. leukocytose/leukopenie

2.17.1. lymfocyten

2.17.2. granulocyten

2.17.2.1. eosinofielen

2.17.2.2. basofielen

2.17.2.3. neutrofielen

2.17.3. monocyten

2.18. pancytopenie

2.18.1. anemie

2.18.1.1. (rood)

2.18.2. leukopenie

2.18.2.1. (wit)

2.18.3. trombopenie

2.18.3.1. (plaatjes)

2.19. pancocytose

2.19.1. inverse van pancocytopenie

2.20. anemie

2.20.1. laag Hb

2.21. polycytheamia

2.21.1. laag Ht

2.22. hemiglobinemie

2.22.1. hoog Hb in plasma

2.22.2. vaak gevolg van hemolyse

2.23. hemiglobinurie

2.23.1. hemoglobine plassen

2.23.2. rode urine

2.23.3. korte termijn

2.24. hemosiderinurie

2.24.1. hemosiderine plassen

2.24.2. bruine verkleuring urine

2.24.3. lange termijn

2.25. icterus

2.25.1. verhoogde Hb afbraak

2.25.2. geelkleuring huid

2.26. extravasale hemolyse

2.26.1. hemolyse in de milt

2.26.2. kliniek

2.26.2.1. icterus

2.26.2.2. anemie

2.27. intravasale hemolyse

2.27.1. hemolyse in de vaten

3. anemie

3.1. microcytair (MHC laag)

3.1.1. reticulocyten laag

3.1.1.1. ferritine laag

3.1.1.1.1. ijzergebreksanemie

3.1.1.2. ferritine normaal ofhoog

3.1.1.2.1. CRP hoog

3.1.1.2.2. CRP normaal of laag

3.1.2. reticulocyten hoog of normaal

3.1.2.1. waarschijnlijk aangeboren of verworven hemolyse, zie normocytair

3.1.2.2. m.n. bij sferocyten

3.1.2.2.1. auto-immuun hemolyse

3.1.2.2.2. congenitale sferocytose

3.2. macrocytair (MHC hoog)

3.2.1. reticulocyten normaal of laag

3.2.1.1. beenmergcytologie niet megaloblastair

3.2.1.1.1. hematologische maligniteit

3.2.1.1.2. alcoholmisbruik

3.2.1.1.3. hypothyreoidie

3.2.1.1.4. medicamenteneffect

3.2.1.2. beenmergcytologie megaloblastair

3.2.1.2.1. foliumzuur deficientie

3.2.1.2.2. vitamine B12 deficientie

3.2.2. reticulocyten hoog

3.2.2.1. gecorrigeerde/gecompenseerde anemie

3.2.2.2. waarschijnlijk aangeboren of verworven hemolyse, zie normocytair

3.3. normocytair (MHC normaal)

3.3.1. reticulocyten normaal of laag

3.3.1.1. chronische ziekte

3.3.1.1.1. beenmergremming, anemie niet gecompenseerd door hoog reti's

3.3.1.2. nierziekte

3.3.1.2.1. therapie: EPO

3.3.1.3. endocrinologische ziekte

3.3.1.4. hematologische maligniteit/aplasie (anemie secundair)

3.3.1.4.1. Hodgekin (ingewikkelde oorzaak)

3.3.1.4.2. splenomegalie bij NHL

3.3.1.5. beenmerginvasie

3.3.1.5.1. AML

3.3.1.5.2. ALL

3.3.1.5.3. CML

3.3.1.5.4. CLL

3.3.1.5.5. MM

3.3.1.5.6. gevorderd stadium NHL

3.3.1.6. beenmergbeschadiging

3.3.2. reticulocyten hoog

3.3.2.1. gecorrigeerde/gecompenseerde anemie

3.3.2.2. hemolyse

3.3.2.2.1. aangeboren

3.3.2.2.2. verworven

4. polycythaemia

4.1. hoog erythrocytenaantal

4.1.1. polycythaemia vera

4.1.1.1. kliniek

4.1.1.1.1. myeloproliferatie

4.1.1.1.2. splenomegalie

4.1.1.1.3. leuko/trombocytose

4.1.1.1.4. erythromelalgie

4.1.1.1.5. myelofibrose

4.1.1.2. therapie

4.1.1.2.1. aderlatingen 500mL

4.1.1.2.2. evt. interferon-alpha

4.1.2. secundaire polyglobulie

4.1.2.1. oorzaak opheffen is beste therapie

4.1.2.2. soms aderlaten om complicaties voor te zijn

4.2. normaal erythrocytenaantal

4.2.1. polycythaemia spuria

4.2.1.1. relatief hoog erys tgv

4.2.1.1.1. dehydratie

4.2.1.1.2. roken

4.2.1.1.3. stress

4.2.1.2. oorzaak opheffen, soms aderlaten

5. granulocytopenie

5.1. definitie

5.1.1. granulocyten < 1.0x10^9

5.2. vatbaarheid omhoog

5.2.1. granulocyten < 0.5x10^9

5.3. ernstig

5.3.1. granulocyten < 0.1x10^9

5.4. oorzaak

5.4.1. vaak medicijngeinduceerd

5.5. therapie

5.5.1. opname bij tekenen van infectie

5.5.2. profylaxtisch antibiotica&antivirale middelen

5.5.3. /R filgrastim 1dd 5mg/kg s.c.

6. lymfocytopenie

6.1. definitie

6.1.1. lymfocyten < 1.0x10^9

6.2. oorzaak

6.2.1. meestal tijdelijk bij beginnende infectie

6.2.2. immuunsupressie

6.2.3. cytostatica

6.2.4. HIV/AIDS

7. "globulinopenie"

7.1. hypo-/agammaglobulinemie

7.1.1. aangeboren

7.1.1.1. weinig frequent

7.1.2. verworven

7.1.2.1. meestal lymfatische maligniteit (bijv. CLL)

7.1.2.2. secundair aan infectie

7.1.3. therapie

7.1.3.1. bactericide antibiotica (bijv. breedspectrum penicillines)

7.1.3.2. evt. IgG infusie

7.2. IgA deficientie

7.2.1. aangeboren afwijking

7.2.2. niet ernstig

7.2.3. antistoffen worden gevormd tegen IgA

7.2.4. complicatie is shock bij bloedtransfusie tgv immuunrespons tegen IgA

7.2.5. uitsluitend IgA-vrije bloedproducten toedienen

8. "globulinocytose"

8.1. MGUS

8.1.1. 5% v.d. oudere bevolking

8.1.2. halfjaarlijks controle M-proteine

8.2. multipel myeloom (m. Kahler)

8.2.1. kliniek

8.2.1.1. C

8.2.1.1.1. calcium verhoogd

8.2.1.2. R

8.2.1.2.1. renaal falen

8.2.1.3. A

8.2.1.3.1. anemie

8.2.1.4. B

8.2.1.4.1. botpijn

8.2.2. pathogenese

8.2.2.1. beenmergwoekering

8.2.2.1.1. anemie

8.2.2.1.2. Bence Jones eiwit depositie

8.2.2.2. overexpressie RANKL in beenmerg

8.2.2.2.1. osteoclasten activatie

8.2.2.2.2. botafbraak

8.2.3. diagnose

8.2.3.1. bloed M-proteine

8.2.3.2. verhoogd BSE

8.2.3.3. MRI

8.2.3.3.1. botmetastasen

8.2.3.4. beenmergpunctie

8.2.4. therapie

8.2.4.1. curatief

8.2.4.1.1. patienten < 65 jr

8.2.4.1.2. chemotherapie

8.2.4.1.3. autologe stamcel transplantatie

8.2.4.1.4. evt. allogene transplantatie bij recidief

8.2.4.2. klassiek

8.2.4.2.1. patienten > 65 jr en bij slchte nierfunctie

8.2.4.2.2. melfalan + prednison gedurende 5d elke 4-6wken

8.2.4.2.3. thalidomide

8.2.4.3. onderhoud

8.2.4.3.1. bifosfonaten voor verbetering bottoestand

8.2.4.3.2. bactericide AB bij infecties

8.2.4.3.3. EPO bij anemie

8.2.4.3.4. fysio+pijnbestrijding

9. granulocytose

9.1. definitie

9.1.1. granulocyten > 10x10^9

9.2. oorzaak

9.2.1. infectie

9.2.2. myeloide maligniteit

9.3. DD

9.3.1. linksverschuiving afwezig

9.3.1.1. trauma

9.3.1.2. zwangerschap

9.3.1.3. roken

9.3.2. linksverschuiving aanwezig

9.3.2.1. infectie

9.3.3. linksverschuiving ernstig

9.3.3.1. ernstige infectie

9.3.3.2. myeloide maligniteit

9.3.3.2.1. CML

9.3.3.2.2. AML

10. lymfocytose

10.1. definitie

10.1.1. lymfocyten > 4x10^9

10.2. oorzaak

10.2.1. meestal kortdurend bij virale infectie

10.2.2. aanhoudend

10.2.2.1. chronische lymfatische leukemie CLL

10.2.2.1.1. kliniek

10.2.2.1.2. doodsoorzaak meestal ouderdomsziekte

10.2.2.1.3. risico op deze ziekten (mn maligniteit) wel verhoog door CLL

10.2.2.1.4. 5-10% maligne ontaarding (NHL)

10.2.2.2. non-hodgkin lymfoom

10.2.2.2.1. (pathologische celwoekering - geen normaal celbeeld)

10.3. diagnose

10.3.1. immuunologie

10.3.2. beenmergcytologie

11. leukocytose

11.1. definitie

11.1.1. leukocyten > 10x10^9

11.2. oorzaak

11.2.1. chronische myeloide leukemie CML

11.2.1.1. diffuse myeloproliferatie

11.2.1.2. BCR-ABL t9;22

11.2.1.2.1. klein c22: philadelphia chromosoom

11.2.1.2.2. verhoogde tyrosinekinase activiteit

11.2.1.3. beloop in stadia

11.2.1.3.1. chronische fase (±4jr)

11.2.1.3.2. blastencrise

11.2.1.4. kliniek

11.2.1.4.1. splenomegalie

11.2.1.5. therapie

11.2.1.5.1. imatineb (glivec) in chronische fase

11.2.1.5.2. blastencrise slechte prognose

12. pancytopenie

12.1. perifere bloedstrijkje m.n. jong

12.1.1. beenmergcytologie woekering lymfoblast

12.1.1.1. ALL

12.1.1.1.1. m.n. kinderen

12.1.1.1.2. kliniek

12.1.1.1.3. therapie

12.1.1.1.4. prognose

12.1.2. beenmergcytologie woekering myeloblast

12.1.2.1. AML

12.1.2.1.1. volwassenen

12.1.2.1.2. auer staafjes in myeloblasten

12.1.2.1.3. kliniek

12.1.2.1.4. subtypering

12.1.2.1.5. therapie

12.1.2.1.6. prognose

12.2. met name oud (normaal)

12.2.1. myelodisplasie

12.2.1.1. uitrijpingsstoornissen in 2-3 myeloide cellijnen

12.2.1.2. macrocytaire anemie

12.2.1.3. in beenmerg toename jonge cellen

12.2.1.4. voorloper van AML

12.2.1.5. meestal ouderen

12.2.1.6. therapie

12.2.1.6.1. ondersteundend (transfusie, trombocyten, AB)

12.2.1.6.2. bij jongeren intensieve behandeling zoals bij AML

12.2.2. aplastische anemie

12.2.2.1. falen beenmerg

12.2.2.2. oorzaak

12.2.2.2.1. soms congenitaal (Falconi)

12.2.2.2.2. verworven

12.2.2.3. therapie

12.2.2.3.1. oorzakelijk

12.2.2.3.2. supportive

13. pancytose

13.1. myelofibrose

13.1.1. oorzaak

13.1.1.1. idiopatisch

13.1.1.2. polycythaemia vera

13.1.2. kliniek

13.1.2.1. extramedulaire hematopoise

13.1.2.1.1. hepatomegalie

13.1.2.1.2. splenomegalie

13.1.2.1.3. klieren groot

13.1.2.2. beenmerg niet op te zuigen (dry tap)

13.1.2.3. beenmergbiopt toont fibrose

13.1.3. therapie

13.1.3.1. ondersteunend transfusie bij anemie

13.1.3.2. splenectomie/bestraling milt

13.1.3.3. chemo bij ernstige lymfocytose

13.1.4. prognose max enkele jaren

14. trombocytopenie

14.1. definitie

14.1.1. trombocyten < 100 x 10^9/L

14.2. kliniek

14.2.1. gestoorde stolling

14.2.2. verhoogde bloedingsnijging

14.2.2.1. < 50 x 10^9

14.2.3. verlenging bloedingstijd

14.2.4. pseudotrombocytopenie

14.2.4.1. labartefarct EDTA bloedmonster

14.2.4.2. bij+ 1e bevinding altijd herhalen

14.3. oorzaak

14.3.1. aanmaakstoornis

14.3.1.1. maligne bloedziekte

14.3.1.1.1. beenmerg infiltratief NHL

14.3.1.1.2. AML

14.3.1.1.3. ALL

14.3.1.1.4. CLL

14.3.2. splenomegalie

14.3.2.1. levercirrose

14.3.2.2. hematologische maligniteit met miltinvasie

14.3.3. verdunning

14.3.3.1. bij massale transfusie van niet trombocythoudende concentraten

14.3.4. verhoogde afbraak

14.3.4.1. meest frequent

14.3.4.2. medicamenten

14.3.4.3. idiopatische trombocytopenische purpura (ITP)

14.3.4.3.1. diagnose per exclusiom

14.3.4.3.2. idiopatische autoantistoffen

14.3.4.3.3. meestal passagere, soms chronisch

14.3.4.3.4. mild en sluipend

14.3.5. overig

14.3.5.1. HELLP syndroom bij zwangeren

14.3.5.2. trombotische trombocytopenische purpura (TTP)

14.3.5.2.1. verhoogd verbruik

14.3.5.2.2. hemolytische anemie

14.3.5.2.3. nierfunctiestoornissen

14.3.5.2.4. cerebrale stoornissen

14.3.5.2.5. hoge koorts

14.3.5.3. diffuse intravasale stolling (DIS)

14.3.5.3.1. verhoogd verbruikd

14.3.6. e causa incognata

14.3.6.1. autoimmuun trobocytopenie

14.4. therapie

14.4.1. oorzakelijk

14.4.2. trombocyten concentratie transfusie

14.4.3. tranexaminezuur

14.4.4. splenectomie

14.4.4.1. transfusie geen zin bij splenomegalie

14.4.5. bij autoimmuun trombocytopenie

14.4.5.1. prednison

15. trombocytopathie

15.1. definitie

15.1.1. aantal normaal

15.1.2. verminderde functie

15.2. kliniek

15.2.1. bloedingsnijging

15.2.2. verlengde bloedingstijd

15.3. oorzaak

15.3.1. verworven

15.3.1.1. medicamenteus

15.3.1.2. uremie

15.3.2. aangeboren

15.3.2.1. ziekte van Glanzman is een ernstige aggregatiestoornis

15.4. diagnose

15.4.1. trombocytentelling

15.4.2. aggregatietest

15.4.3. bloedingstijd

15.5. therapie

15.5.1. uremie

15.5.1.1. dialyse

15.5.2. aangeboren

15.5.2.1. trombocytenconcentraat transfusie

15.5.3. staking causale medicamenten

16. trombocytose

16.1. definitie

16.1.1. trombocyten > 400x10^9

16.2. oorzaken

16.2.1. secundaire trombocytose

16.2.1.1. ijzergebrek

16.2.1.1.1. compensatoire door stimulering nieren EPO te maken

16.2.1.1.2. EPO stimuleert op zijn beurt de trombopoese

16.2.1.2. infecties

16.2.1.3. maligniteit

16.2.1.3.1. Hodgekin

16.2.1.4. overig

16.2.2. primair

16.2.2.1. essentiele trombocytose

16.2.2.1.1. hyperactieve megakaryopoese

16.2.2.1.2. kliniek

16.2.2.2. PV

16.2.2.3. CML

16.3. therapie

16.3.1. bij essentiele trombocytemie interferon alpha of hydroxyureum

17. lymfomen

17.1. Hodgekin lymfoom

17.1.1. zeer grote Reed Steinberg (RS) cellen

17.1.2. reactieve lymfocyten

17.1.3. 30% van lymfomen

17.1.4. lymfekliergezwel in hals, oksel of mediastinum

17.1.5. kliniek

17.1.5.1. hepatosplenomegalie

17.1.5.2. leverinvasie

17.1.5.2.1. hoog gamma GT

17.1.5.3. hoog BSE

17.1.5.4. leukopenie

17.1.5.5. anemie

17.1.5.6. trombocytose

17.1.6. therapie

17.1.6.1. chemoradiatie

17.1.6.1.1. involved field radiatie

17.1.6.1.2. BEACOPP

17.1.6.2. 80-90% curatie

17.1.6.3. stadium I

17.1.6.3.1. > 90% curatie

17.1.6.4. stadium I-IV extranodaal

17.1.6.4.1. > 70%

17.1.6.4.2. BEACOPP

17.1.6.5. kinderen alleen chemo

17.2. non-Hodgekin lymfoom

17.2.1. B-cel lymfoom

17.2.1.1. kleincellig NHL

17.2.1.1.1. indolent lymfoom

17.2.1.1.2. meestal t14;18

17.2.1.1.3. therapie

17.2.1.1.4. maligne ontaarding

17.2.1.1.5. kliniek

17.2.1.2. grootcelling NHL

17.2.1.2.1. aggressief lymfoom

17.2.1.2.2. oorzaak

17.2.1.2.3. therapie

17.2.2. T-cel lymfoom

17.2.2.1. weinig frequent

17.2.2.2. meestal extra-nodaal

17.2.3. kliniek

17.2.3.1. splenomegalie

17.2.3.2. verhoogd LDL

17.2.3.3. anemie

17.2.3.4. leukopenie

17.2.3.5. soms trombocytopenie bij beenmerginfiltratie

17.3. Arbor stadiering

17.3.1. I

17.3.1.1. 1 lymfeklierstation

17.3.2. I-E

17.3.2.1. 1 extranodale locatie

17.3.3. II

17.3.3.1. > 1 klierstation maar eenzijdig van het middelrif

17.3.4. II-E

17.3.4.1. 1 extranodale locatie met >1 klierstation eenzijdig van het middenrif

17.3.5. III

17.3.5.1. lymfeklierstations over hele lichaam

17.3.6. IV

17.3.6.1. 1 of meer extranodale organen

18. bloedtransfusie

18.1. ABO-systeem

18.1.1. O

18.1.1.1. universele donor

18.1.2. AB

18.1.2.1. universele ontvanger

18.1.3. verwacht Hb stijging van 0,5 mmol/L per eenheid

18.1.4. meerdere bloedgroepen kan voorkomen bij

18.1.4.1. stamceltransplantaties van andere bloedgroep

18.1.4.2. transfusie met andere bloedgroe[

18.1.5. bij plasma geld omgekeerde, ie.

18.1.5.1. AB = universele donor

18.1.5.2. O = universele ontvanger

18.2. Rhesus-systeem

18.2.1. RhesusD negatieve mensen altijd alleen RhesusD negatief bloed geven

18.2.2. Rh- persoon kan antistoffenvormen tegen Rh antigeen bij contact

18.3. transfusiereacties

18.3.1. acuut hemolytisch

18.3.1.1. bij de eerste druppels bloed

18.3.1.2. IgM reactie - direct intravasale hemolyse

18.3.1.3. incompatibiliteit ABO

18.3.1.4. direct koorts en koude rillingen = alarm

18.3.2. uitgesteld hemolytisch

18.3.2.1. IgG reactie - uitgesteld extravasale hemolyse (tgv opsonisatie)

18.3.2.2. mild beloop - soms geelzucht

18.3.3. antistoffen tegen donorleuko's

18.3.3.1. enkele uren na transfusie koorts & koude rilling

18.3.4. antistoffen tegen donortrombo's

18.3.4.1. verminderde opbrengst

18.3.4.2. zelden klinisch probleem

18.3.4.3. oorzaak

18.3.4.3.1. HLA antistoffen

18.3.4.3.2. HPA antistoffen

18.3.4.3.3. verbruik trombo's voor DIS

18.3.5. antistoffen tegen donoreiwit

18.3.5.1. zelden

18.3.5.2. belangrijk is IgA reactie bij IgA-deficiente ontvanger

18.3.5.2.1. klinisch: shock!

18.3.6. reaginen tegen donoreiwit

18.3.6.1. IgE (reaginen) in ontvanger

18.3.6.2. allergische reactie

18.3.7. therapie

18.3.7.1. shock

18.3.7.1.1. adrenaline

18.3.7.2. allergie

18.3.7.2.1. antihistamine