1. Sputum is het materiaal dat ontstaat bij infecties van de diepere luchtwegen. Het is een pusachtig materiaal waarin leucocyten en de verwekkers van de infectie in grote hoeveelheden voorkomen
1.1. Het wordt door de patient opgehoest uit de longen of de bronchiën en is ook slechts in dat geval geschikt voor de kweek.
1.1.1. Een goede sputumkweek bij een diepere luchtweginfectie is erg belangrijk omdat de therapie voor een groot gedeelte bepaald wordt door de uit het sputum geïsoleerde bacteriën.
1.1.1.1. Het is daarom van groot belang dat een sputum van de juiste plaats afkomstig is, dat het snel wordt verwerkt en dat het sputum te erg verontreinigd is met speeksel en keelslijm
2. Urine
2.1. Praktijk / theorie
2.1.1. Microscopisch onderzoek
2.1.1.1. Centrifugeren van de urine 5 min op 2000rm
2.1.1.1.1. Grampreparaat maken en aflezen
2.1.1.2. Het kiemgetal bepalen
2.1.1.2.1. Uitstrijkmethode
2.1.1.2.2. Dipslidemethode
2.1.1.3. Verdere kweek
2.1.1.3.1. Bloedagar
2.1.1.3.2. MacConkey agar
2.1.1.3.3. Moutagar
2.1.1.4. Beoordeling
2.1.1.4.1. Telling m.b.v. Uricult
2.1.1.4.2. Telling m.b.v. uitstrijkmethode
2.2. Theorie
2.2.1. Infecties van de urinewegen
2.2.1.1. 1. Urethritis
2.2.1.1.1. Urinebuisontsteking
2.2.1.2. 2. Cystitis
2.2.1.2.1. Blaasontsteking
2.2.1.3. 3. Pyelonefitisis
2.2.1.3.1. Nierbekkenontsteking
2.2.1.4. Bij een ontsteking zijn in de urine meer dan 10^5 bacteriën per ml aanwezig en vrij veel leukocyten.
2.2.2. Afname urine
2.2.2.1. 1. Gewassen midstreamurine
2.2.2.1.1. De uitwendige genitaliën worden schoongemaakt met een steriele wattenprop of steriel gaasje met steriel fysiologisch zout. Bij de uiteindeljke urinelozing laat men het eerste deel van de stroom weglopen en vangt men het middeldeel van de lozing op. het laatste deel laat men ook weglopen. Er blijft echter een vrij grote kans op vereontreiniging met commensale flora aanwezig
2.2.2.2. 2. Blaaspunctie
2.2.2.2.1. Hierbij wordt met een holle naald door de buikwand in de volle blaas gestoken. De urine die met methode verkregen wordt, geeft exact weer wat zich in de blaas afspeelt. Deze methode wordt niet zo vaak toegepast.
2.2.2.3. 3. Katheterurine
2.2.2.3.1. Hierbij wordt een slangetje via de urinebui in de blaas geschoven. Groot nadeel van deze methode is dat juist de kans op het ontstaan van een blaasontsteking ten gevolge van de katheterisatie erg groot is. Met het slangetje worden namelijk ook bacteriën die zich in de urethramond bevinden mee naar binnen geschoven.
2.2.3. Wanneer urine inzetten?
2.2.3.1. Meer dan 10 bacteriën pg v van een soort aanwezig in het grampreparaat van het sediment, ongeacht het aantal leuko's
2.2.3.2. Meer dan 5 leuko's pgv aanwezig in het natief preparaat
2.2.3.3. Er is spraken van katheterurine of blaaspunctieurine
2.2.4. Uitwerken urine
2.2.4.1. Grampreparaat maken van verschillende kolonies
2.2.4.2. Antibiogram maken
2.2.4.2.1. Na identificatie van de bacteriën wordt een antibiogram van iedere bacterie bepaald m.b.v. de agardiffusiemethode (tijdens de les MH agar)
2.3. Determinatie van uit te werken soorten (evt. na reinkweek)
3. Sputum
3.1. Theorie
3.1.1. Diepere luchtwegen
3.1.1.1. Sputum dient zo snel mogelijk na opvang te worden verwerkt en kan in de koelkast slecht max. 3 uur bewaard worden. Onder invloed van amylase en andere enzymen uit het speeksel treedt autolyse van het sputum op waardoor het vervloeit tot een waterig slijm
3.1.1.1.1. Een vervloeid sputum is minder geschikt voor kweek omdat de commensale flora van de mondholte zich hierin sterk vermeerder waardoor het isoleren van de pathogene bacteriën bemoeilijkt wordt.
3.1.1.2. In de volgende gevallen heeft met te maken met een ongeschikt of niet goed gewassen sputum:
3.1.1.2.1. Meer dan 10 plaveisel-epitheelcellen pgv
3.1.1.2.2. Minder dan 25 leukocyten pgv ongeacht het aantal plaveiselcellen
3.1.1.2.3. Veel verschillende soorten bacteriën (sputum te oud of niet goed gewassen)
3.1.1.3. Een sputum is zondermeer voor kweek geschikt als meer dan 25 leuko pgv aanwezig zijn of als het gaat om een afgezogen of operatief verwijderd sputum
3.1.1.4. Onder normale omstandigheden bacterievrij
3.1.1.5. Drie grote luchtwegpathogenen
3.1.1.5.1. Streptococcus pneumoniae
3.1.1.5.2. Haemophilus influenzae
3.1.1.5.3. Moraxella catarrhalis
3.2. Praktijk
3.2.1. Macroscopisch onderzoek
3.2.1.1. Consistentie
3.2.1.1.1. Vervloeïing, dik, taai, dun, kleverig, slijmerig, schuimig
3.2.1.2. Kleur
3.2.1.2.1. Glazig, grauwwit, melkwit, crème-geel, groengeel, roestbruin etc.
3.2.2. Microscopisch onderzoek
3.2.2.1. Sputum eventueel gewassen
3.2.2.1.1. Grampreparaat
3.2.2.2. Sputum dat onderzocht wordt op Mycobacterium tuberculosis wordt van een ongewassen sputum een Ziehl-Neelsenpreparaat gemaakt, dat direct beoordeeld wordt.
3.2.2.3. Kweek
3.2.2.3.1. Bloedagar
3.2.2.3.2. Chocoladeagar
3.2.2.3.3. MacConkeyagar
3.2.2.3.4. Moutagar
4. Tuberculose
4.1. Is een ziekte veroorzaakt door infectie met bacteriën van het Mycobacterium tuberculosis-complex
4.1.1. De naam is ontleed aan de typerende tubercula (latijns meervoud voor knobbel) die worden aangetroffen in de aangedane weefsels en berusten op een granulomateuze ontstekingsreactie
4.2. Diagnostiek van tuberculose infectie door middel van de Mantouxtest
4.2.1. Een ooit doorgemaakte infectie met de tuberkelbacterie kan worden vastgesteld met behulp van de Mantoux of tuberculinetest
4.2.2. De betekenis van de Mantouxtest
4.2.2.1. Een positieve reactie bij een contactpersoon betekent dat recente infectie zeer waarschijnlijk is
4.2.2.2. Een positieve Mantouxreactie bij een patiënt met verdachte klinische en/of röntgenologische verschijnselen vormt niet meer dan een ondersteuning voor de diagnostiek
4.3. Besmettingsweg
4.3.1. Een besmetting met turberkelbacteriën komt, uitzonderingen daargelaten, aërogeen tot stand
4.3.1.1. Na hoesten, niezen, spreken of zingen kunnen besmette sputumdruppels indrogen tot druppelkenmerken van ca 5um die langere tijd in de lucht blijven zweven en bij inademing in de alveoli van de nieuwe gastheer doordringen.
4.3.1.2. In vochtige warme lucht is overleving in druppelkernen gedurende uren mogelijk.
4.3.1.3. In pus of sputumcontainer meerdere dagen
4.3.2. Primarie infectie met M.Bovis vindt plaats via het drinken van ongepasteuriseerde melk van koeien met uiertuberculose
4.3.2.1. Tenslotte kan de verwonde huis of slijmvlies porte dé entree vormen door contact met besmet materiaal
4.4. Actieve immunisatie
4.4.1. Het BCG vaccin (Bacille Calmette guerin) is een levende verzwakte bovine stam. Vanaf ongeveer zes weken na intracutane injectie kan overgevoeligheid van het vertraagde type d.m.v. de Mantouxreactie worden aangetoond. Met Mantouxtest kan na BCG vaccinatie soms negatief blijven, er is geen aanwijzing dat dit ook duidt op een verminderende bescherming van het vaccin.
5. Commensalen en pathogenen, de wisselwerking tussen bacterie en mens
5.1. Pasgeborene
5.1.1. Tijdens geboorte
5.1.1.1. Eerste besmettimg
5.1.2. Vlak na geboorte
5.1.2.1. Maagdarmkanaal
5.1.2.1.1. E.coli, entrerokokken, lactobacillen
5.1.2.2. Huid/slijmvliezen
5.2. Commensalen
5.2.1. Vaste bewoners
5.3. Pathogenen
5.3.1. Bacterie die gastheer schade berokkent wanneer een invasie plaatsvindt
5.4. Residente flora
5.4.1. Vast
5.5. Transiënte flora
5.5.1. Tijdelijk
5.6. Koloniseren
5.6.1. Onevenredige groei van een soort bacteriën
5.6.1.1. Wanneer:
5.6.1.1.1. Extreme leeftijd
5.6.1.1.2. Ziekten
5.6.1.1.3. Langdurige behandeling met medicijnen
5.6.2. Kolonieresistentie
5.6.2.1. Weerstand tegen koloniseren van aerobe pathogene bacteriën
5.7. Infectie
5.7.1. Pathogeen:
5.7.1.1. Bacterie die gastheer schade berokkent wanneer een invasie plaatsvindt. Relatie gast-gastheer moet passend zijn
5.7.2. Reactie van gastheer: Ontsteking met
5.7.2.1. Roodheid
5.7.2.1.1. Rubor
5.7.2.1.2. Calor
5.7.2.2. Pijn
5.7.2.2.1. Dolor
5.7.2.2.2. Warmte
5.7.2.3. Zwelling
5.7.2.3.1. Tumor
5.7.3. Infectieziekte
5.7.3.1. Vast patroon van uitwendige symptomen
5.7.4. Huid
5.7.4.1. Spirillen, ziekte van Weil, Y,oestis , enkele schimmelsoorten
5.7.4.2. Passeren huid of slijmvliezen
5.7.4.3. Soms huid oorboren
5.7.4.3.1. Leptospiren
5.7.4.4. Brandwonden
5.7.4.4.1. Open wonden
5.7.4.5. Vaak vlak onder huid ontsteking
5.7.4.5.1. Furunkel
5.7.4.5.2. Karbonkel
5.7.5. Slijmvliezen
5.7.5.1. In luchtwegen - darmkanaal- urogenitaal stelsel
5.7.5.2. Aanhechting d.m.v. polysachariden
5.7.5.3. Onder slijmvlies in submucoase
5.7.5.3.1. Verspreiding naar organen
5.7.6. Weefsel
5.7.6.1. Als groei omstandigheden goed zijn
5.7.7. Lichaamsvloeistoffen
5.7.7.1. Bacteriëmie
5.7.7.1.1. Kortdurend in bloed
5.7.7.2. Sepsis
5.7.7.2.1. Vermenigvuldiging
5.7.8. Ziektebeeld
5.7.8.1. Klinische infectie
5.7.8.1.1. Volledig ziektebeeld
5.7.8.2. Subklinische infectie
5.7.8.2.1. Symptomen niet of nauwelijks zichbaar
5.7.8.2.2. Belemmering groei in lichaamsvloeistoffen in:
5.7.8.3. Latente infectie
5.7.8.3.1. Ziekteverwekker is inactief aanwezig (verstopt zich in lichaam)
5.8. Voorwaarden pathogeniteit
5.8.1. Hechten aan huid/slijmvliezen
5.8.2. Lichaam binnendringen
5.8.3. Handhaven en vermenigvuldigen
5.8.4. Schadelijke stoffen produceren (enzymen, toxinen)
5.9. Virulentie
5.9.1. Mate van pathogeniteit (virus = gif), kwantitatief
5.9.1.1. Dus het aantal middelen die een bacterie heeft om binnen te komen/ zich te handhaven in een gastheer
5.9.1.1.1. Afhankelijk van:
5.9.2. Verzwakken
5.9.2.1. Door stam steeds over te enten
5.9.2.1.1. Vaccins
5.9.3. Versterken
5.9.3.1. Door overenten in proefdieren
5.9.3.1.1. Sterk virulente overleven
5.10. Voorbeelden pathogeen vermogen;
5.10.1. Binnendringen m.b.v. enzymen
5.10.2. Toxinen
5.10.2.1. Exotoxinen
5.10.2.2. Endotoxinen
5.10.2.2.1. Ips van de celwand, komt vrij als bacterie lyseert
5.11. E.coli
5.11.1. 160 soorten
5.11.1.1. Niet alle E.coli soorten zijn pathogeen
5.11.2. STEC
5.11.2.1. Shigatoxine vormende E.coli
5.11.2.1.1. Bij deze groep hoort ook de EHEC grep
5.11.3. EHEC:
5.11.3.1. Entero Hemoragische Escherichia coli. Hieronder valt ook de E.coli 0157: H7 (veroorzaker van o.a. bloederige diarree / nierschade )
5.11.3.1.1. Vinders zijn op de bacterie
6. Pus en punctaten
6.1. Theorie
6.1.1. Infecties van de luchtwegen
6.1.1.1. Bovenste luchtwegen
6.1.1.1.1. Primair
6.1.1.1.2. Secundair
6.1.1.2. Mond
6.1.1.2.1. Menginfecties
6.1.1.3. Keel, neus en oor
6.1.1.3.1. De keelholte en de neusholte worden gerekend tot de bovenste luchtwegen en men kan er een groot aantal soort micro- organismen in aantreffen. Enkele van deze bacteriesoorten die normaal in kleine hoeveelheden in de neus en de keel voorkomen, kunnen onder bepaalde omstandigheden infecties veroorzaken. Daarnaast zijn vooral virussen veroorzakers van keel- en neus infecties
6.1.1.4. Neus- en bijholten
6.1.1.4.1. Primaire neusinfectie
6.1.1.5. Oor
6.1.1.5.1. Bij oorontsteking onderscheiden we:
6.1.1.6. Ogen
6.1.1.6.1. Traanvocht heeft een antibacteriële werking
6.1.1.7. Diepere luchtwegen
6.1.1.7.1. Onder normale omstandigheden
6.1.2. Pus is het product van een ontsteking
6.1.2.1. Het is vaak dikke gelig gekleurde vloeistof waarin lekocyten (PMN'S ), weefselcellen en vaak de oorzaak van de ontsteking aanwezig zijn
6.1.2.1.1. Pus hoeft niet te worden voorbehandeld
6.1.2.1.2. Pus is direkt voor kweek geschikt
6.1.3. Enkele belangrijke punctaten:
6.1.3.1. Liquor cerebrospinalis
6.1.3.1.1. Bevindt zich tussen de hersenvliezen (meningen), in de hersenkamers en het ruggemergkanaal en is onder normale omstandigheden helder en steriel.
6.1.3.2. Pleuravocht
6.1.3.2.1. Bevindt zich tussen de borstvliezen (pleura).
6.1.3.3. Synoviaalvlo
6.1.3.3.1. Bij ontsteking van gewrichten (antritis) kan zich in het gewricht veel vocht ophopen.
6.1.3.4. Pericardvocht
6.1.3.4.1. Bij ontsteking van het hartzakje (pericarditis)
6.2. Praktijk
6.2.1. De manier waarop pus of punctaat wordt uitgewerkt hangt af van de herkomst van het materiaal en van de klinische gegevens van de patiënt
6.2.2. In grote lijnen komt het onderzoek neer op:
6.2.2.1. Ophoping door centrifuge
6.2.2.1.1. Bij vloeibare monsters
6.2.2.2. Microscopisch onderzoek
6.2.2.2.1. D.m.v. grampreparaat
6.2.2.3. Aerobe en/of anaerobe kweek
6.2.2.4. Interpretatie van de kweekresultaten en uitwerken en uitwerken alle relevante bacteriën
6.2.2.5. Gevoeligheidsbepaling van de gekweekte bacterie
6.2.3. Kweek:
6.2.3.1. Bloedagar
6.2.3.1.1. 2x 24 uur 35-37 °C, aeroob met CO2
6.2.3.2. Chocoladeagar
6.2.3.2.1. 2x 24 uur 35-37 °C, aeroob met CO2
6.2.3.3. MacConkeyagar
6.2.3.3.1. Indien grampositieve bacteriën
6.2.3.4. Moutagar
6.2.3.4.1. Indien gisten aanwezig zijn
7. Feces
7.1. Theorie
7.1.1. Infecties van de spijsverteringsorganen
7.1.1.1. Commensale flora
7.1.1.1.1. Mond/keel:
7.1.1.1.2. Slokdarm, maag, duodenum, jejunum, ilieum:
7.1.1.1.3. Eind ileum:
7.1.1.2. Natuurlijke afweer
7.1.1.2.1. Kolonisatieresistentie
7.1.1.3. Maaginfecties
7.1.1.3.1. 99.9% van de bacteriën wordt in de maag gedood
7.1.1.3.2. Helicobacter pylori
7.1.1.4. Selectieve toxiciteit
7.1.1.4.1. Vergiftigen bij lage concentratie ene soort wel andere niet
7.1.1.4.2. Selectiviteit veroorzaakt door verschil in structuur en biochem. processen van verschillende micro-organismen
7.1.1.5. Darminfecties
7.1.1.5.1. 99.9% hiervan bestaat uit anaëroben en minder dan 0.1% van de voorkomende bacteriën behoren tot de enterobacteriaceae
7.1.1.6. Infecties
7.1.1.6.1. 1. Waterige diarree
7.1.1.6.2. 2. Dystenterie
7.1.1.6.3. 3. Koorts met buikklachten
7.1.2. Salmonella en Shigella
7.1.2.1. Selectieve voedingsbodem
7.1.2.1.1. SS agar
7.1.3. Campylobacter jenuni
7.1.3.1. Selectief medium
7.1.3.1.1. CCDA
7.1.4. Yersinia enterolytica
7.1.4.1. Groeit langzaam, aëroob en fac, anaëroob
7.1.4.1.1. Bloedagar
7.1.4.1.2. Ophopingsmedium
7.1.4.1.3. CIN agar
7.1.5. Escherichia coli
7.1.5.1. Voor de isolisatie van E.coli 0157 wordt sorbitol-MacConkeu gebruikt, waarmee serotype E.coi 0157:H7 kan worden onderscheiden van andere E.coli's , doordat 0157 geen sorbitol vergist terwijl de meeste andere stammen dat wel doen
8. Antibiotica
8.1. Vroeger
8.1.1. Antibioticum
8.1.1.1. Een door een micro-organisme geproduceerde stof die andere micro-organismen dood of in hun groei belemmert, ook in zeer lage concentraties
8.1.2. Chemotherapeuticum
8.1.2.1. Een chemische stof die in staat is om in geringe concentratie bacteriën te doden of in hun groei te belemmeren
8.2. Tegenwoordig
8.2.1. Antibioticum
8.2.1.1. Door micro-organismen geproduceerde of (semi) synthetische substantie die beschikt over een selectieve activiteit tegen bacteriën
8.2.2. Bactericide
8.2.2.1. Bacteriedodend
8.2.2.1.1. Sulfanilamiden, tetracyclinen, chlooramfenicol
8.2.3. Bacteriostatisch
8.2.3.1. Bacterieremmend
8.2.3.1.1. Penicillinen, cefalosporinen, aminoglycosiden
8.2.4. MRC
8.2.4.1. Minimaal remmende concentratie
8.2.4.1.1. De laagste concentratie van een antimicrobieel middel die nog juist bacetriestatisch werkt
8.2.5. MBC
8.2.5.1. Minimaal bactericide concentratie
8.2.5.1.1. Laagste concentratie waarbij nog 99.9% van alle aanwezige bacteriën gedood wordt.
8.2.6. Men noemt een antimicrobieel middel bactericide als de MRC en de MBC er dicht bij elkaar liggen en en bacteriostatisch als deze concentraties erg ver uit elkaar liggen
8.3. Anitibioticum producerende organismen:
8.3.1. Schimmels
8.3.1.1. Penicillines
8.3.1.1.1. Cefalosporines
8.3.2. Actinomyceten (straalschimmel, draadvormige G+ bacterie)
8.3.2.1. Tetracyclines
8.3.2.1.1. Chlorramfenicol
8.3.3. Bacillus species
8.3.3.1. Polymixines
8.3.3.1.1. Bacitracine
8.4. Antimicrobiële middelen
8.4.1. Maken gebruik van verschil in celstructuur en biochem. mechanismen tussen mensen en micro-organismen en mensen
8.5. Werkingsmechanisme antimicrobiële middelen: Op welke manier zorgt antibiotica dat de bacterie gedood/geremd wordt in zijn groei?
8.5.1. De werking van antimicrobiële middelen berust op het verstoren van de enzymwerking van de bacteriecel. Ontregeling van die enzymwerking kan op de volgende manieren plaatsvinden:
8.5.1.1. 1. Competitieve remming
8.5.1.1.1. Door de verwante structuur van een therapeuticum met een enzymsubstraat kan het betreffende enzym in zijn functioneren belemmerd worden. Hierdoor wordt de bacteriegroei geremd.
8.5.1.2. 2. Remming van de celwandsynthese
8.5.1.2.1. β-lactan-antibiotica blokkeren de werking van het transpeptidase, dat verantwoordelijk is voor het aanleggen van de peptidedwarsverbindingen in de peptidoglycaanstructuur. Hierdoor ontstaat een inferieure celwand. Vindt voornamelijk plaats bij grampositieven
8.5.1.3. 3. Beschadiging van de cytoplasmamembraan
8.5.1.3.1. Antibiotica verstoren de selectieve permeabiliteit van de membraan, waardoor deze essentiële stoffen laat wegdekken
8.5.1.4. 4. Remming van de eiwitsynthese
8.5.1.4.1. Antibiotica binden aan de 50S en 30S ribosomen. De ribosomen worden inactief. Er kan geen eiwitsynthese meer plaatsvinden
8.5.1.5. Aantallen en soorten kolonies
8.5.1.6. 5. Remming van de nucleïnezuursynthese
8.5.1.6.1. A. Verstoring van de werking van het RNA polymerase, waardoor de transcriptie niet goed verloopt
8.5.1.6.2. B. Onwerkzaam maken van het enzym gyrase. Dit enzym is betrokken bij de winding en ontwinding van het DNA in de bacterie. Eukaryote cellen missen dit enzym.
8.5.1.6.3. C. Onstabiel maken van het gevormde DNA. Het DNA valt uiteen
8.5.2. Combinatie van antimicrobiële middelen:
8.5.2.1. Spoedbehandeling
8.5.2.2. Groter effect
8.5.2.3. Menginfectie
8.5.2.4. Combinatie kan leiden tot:
8.5.2.4.1. Synergisme
8.5.2.4.2. Antagonisme
8.6. Resisentiemechanismen
8.6.1. Op welke manieren kunnen bacteriën resistent worden:
8.6.1.1. 1. Wijziging in permeabiliteit celmembraan
8.6.1.2. 2. Naar buiten pompen van binnengedrongen antibioticum
8.6.1.2.1. Door de eenvoud van deze methode wordt dit principe zeer vaak toegepast om de gevoeligheid van een bacterie voor een antibioticum te bepalen
8.6.1.3. 3. Productie van enzymen die het antibioticum inactiveren (inter-of extracellulair)
8.6.1.3.1. Bijv. β0lactamase, penicilinase
8.6.1.4. 4. Wijziging ribosomale structuur, waardoor antibioticum aangrijpingspunt verliest
8.6.1.5. 5. Wijzing in stofwisselingsprocessen
8.6.1.5.1. Bijv. in foliumzuursynthese
8.6.2. Oorsprong resistentiemechanismen: Hoe kan bovengenoemde resistentie ontstaan?
8.6.2.1. Natuurlijke resitentie
8.6.2.1.1. Van nature aanwezig bij soort
8.6.2.2. Veworven resistentie
8.6.2.2.1. Verkrijgen van resistentie van individuele cel (bacterie)
8.6.2.2.2. Niet genetisch:
8.6.2.2.3. Overbrengen resistentie uit plasmiden door contact via sexpilus
8.6.2.2.4. Genetisch:
8.6.3. Eisen klinische toepasbaarheid antimicrobieel middel:
8.6.3.1. Grote activiteit
8.6.3.2. Geen/geringe vermindering van activiteit door eiwitten
8.6.3.3. Specificiteit
8.6.3.4. Geen/geringe toxiciteit
8.6.3.5. Gunstige farmacologische eigenschappen
8.6.3.5.1. Absorptie, diffusie, extrectie
8.6.3.6. Stabiliteit
8.6.3.7. Stof mag geen (of langzaam) aanleiding geven tot resistentie
8.7. Soorten antibiotica
8.7.1. Breedsprectrum
8.7.1.1. Werken tegen grote groepen bacteriën tegelijk. Inzetten als niet precies bekend is welke bacterie de klachten veroorzaakt. Omdat ook (onschuldige) commensalen bacteriën aangetast worden is er bij het gebruik van breedspectrum antibiotica meer kans op bijwerkingen
8.7.2. Smalspectrum
8.7.2.1. Alleen inzetten als bacteriesoort al bekend is. Gericht tegen specifieke bacteriesoorten. Minder bijwerkingen omdat bijvoorbeeld commensale darmbacteriën bespaard blijven
8.8. Gevoeligheidsbepalingen
8.8.1. Voor de bepaling van de gevoeligheid van een bacterie voor een bepaald antimicrobieel middel zijn verschillende methode
8.8.1.1. MRC en MBC
8.8.1.1.1. De MRC van de onderzochte stam is de laagste concentratie waarbij op het oog geen groei heeft plaatsgevonden
8.8.1.1.2. Minimaal remmende concentratie (MRC/MIC)
8.8.1.1.3. Minimaal dodende concentratie (MBC)
8.8.1.2. Agardiffusietest
8.8.1.2.1. Ongevoelig
8.8.1.3. Aflezing:
8.8.1.3.1. Gevoelig
8.8.1.3.2. Matig gevoelig
8.9. VITEK
9. Klinische materialen
9.1. Onder klinische materialen verstaat men patiëntmaterialen die voor onderzoek voor worden aangeboden
9.2. Kort gezegd komt het er echter altijd op neer dat men:
9.2.1. 1. De medische relevante bacteriën die in het patiëntmateriaal aanwezig zijn isoleert en
9.2.2. 2. Identificeert en
9.2.3. 3. Van die bacterien de gevoeligheid voor anti-microbiële middelen bepaalt