1.1. Goederen die direct in de behoeften van consumenten voorzien
2. investeren
2.1. Middelen inzetten met het doel om kapitaal/productie op lange termijn te vergroten
3. afschrijvingen
3.1. De waardevermindering over een bepaalde periode als gevolg van technische en economische slijtage
4. arbeidsintensief
4.1. Wanneer bij het produceren relatief veel arbeid wordt gebruikt. De productiefactor arbeid overheerst. Als er daarentegen een relatief grote inzet van arbeid is, is het productproces arbeidsintensief.
5. arbeidsverdeling
5.1. is het opsplitsen van de productie van een goed of een dienst in deeltaken binnen of buiten een bedrijf
6. productie capaciteit
6.1. Maximale productie (goederen en diensten) in een bepaalde tijd.
7. arbeidsproductiviteit
7.1. Aantal eenheden product dat per werknemer per tijdseenheid wordt gemaakt.
8. interne arbeidsverdeling
8.1. Dit is de arbeidsverdeling binnen een bedrijf. dit betreft over hoe de verschillende productie taken zijn verdeeld over de werknemers.
9. externe arbeidsverdeling
9.1. De arbeidsverdeling tussen bedrijven. Dit betreft de verdeling van de productie van de verschillende goederen en diensten tussen bedrijven.
10. Kapitaalintensief
10.1. Veel geld kostend, er is veel geënvesteerd in productie machines, gebouwen apparatuur.