Biologie 11.4
von Zita Vluggen
1. gen= klein stukje van een chromosoom.
2. erfelijke eigenschappen= eigenschap die vastligt in de genen, ouders kunnen deze doorgeven aan hun kinderen.
3. fenotype= Dat wat je ziet van een eigenschap, bijvoorbeeld zwart haar.
4. syndroom van down= Mensen met deze aandoening hebben een chromosoom te veel in hun cellen.
5. chromosomenparen= Elk chromosoom komt twee keer voor.
6. genotype= Informatie van de twee allelen voor een eigenschap; je noteert het genotype met 2 letters. Genotype wordt ook gebruikt als het gaat om de informatie op al je genen.
7. aangeboren aandoening= aandoening die je vanaf je geboorte hebt.
8. chromosomen= soort draden in de kern van cellen; bevatten de hele 'bouwbeschrijving' van een mens.
9. genoom= alle genen van een organisme.
10. niet-erfelijke eigenschappen= Een eigenschap die niet door je genen, maar volledig door je omgeving bepaald wordt.
11. DNA= Onderdeel van een chromosoom. DNA bevat de 'bouwbeschrijving' voor alle erfelijke eigenschappen van een organisme.
12. allel= Verschillende varianten van een gen; ze coderen voor dezelfde eigenschappen, bijvoorbeeld het allel voor de oogkleur.
13. aanleg= Van sommigen eigenschappen is alleen de aanleg erfelijk, je moet nog wel goed oefenen om de eigenschap (bijvoorbeeld judoën) echt goed te kunnen.
14. erfelijke aandoening= Aandoening die vastligt op de genen; het erft van ouders op kinderen over.