Lagere schoolkinderen en faalangst.
por Sarah Dutry
1. 4. Wat zijn de oorzaken van faalangst?
1.1. Samenspel van aanleg, temperament en opvoedingsfactoren = laag zelfbeeld gekoppeld een hoge verwachtingen.
1.2. Kleuterperiode -> ontwikkeld het zelfbeeld, geweten en taalbewustzijn.
1.3. Ouders belangrijke rol = persoonlijkheidsopbouw
1.4. Ongunstige factoren: ziekte, negatieve ervaringen, ...
1.5. Schuldvragen = uit den boze.
1.6. Ouders moeten inspelen op de eigenheid van elk kind.
1.7. Ontplooien van het kind wordt verkeerd begrepen.
1.8. Kind spiegelt zich aan de ouders.
1.9. Bouwt onbewust een innerlijke structuur op: zijn geweten.
1.10. Wat ouders zeggen en doen leidt onvermijdelijk tot onzekerheid en angst.
1.11. Steun bieden = grenzen afbakenen.
1.12. Kind krijgt geen kans om capaciteiten en grenzen te ervaren.
1.13. Verplichtingen voor het kind maakt het kind onzeker.
1.14. Het lijken dat we andere zaken belangrijker vinden dan de kinderen
2. 5. Welke opvoedingstips zijn erbij kinderen met faalangst?
2.1. Proberen de angst en onzekerheid te begrijpen.
2.2. Vertrouwen loskoppelen van het lukken.
2.3. Gratis liefde
2.4. Het kind aanvaarden zoals het is.
2.5. Positieve verwachtingen.
2.6. Duidelijk zijn.
2.7. Steun bieden wil dus zeggen -> grenzen te ervaren.
2.8. Kind krijgt geen kans om capaciteiten en grenzen te ervaren.
2.9. Verplichtingen voor het kind maakt het onzeker.
2.10. Het lijken dat we andere zaken belangrijker vinden dan de kinderen.
3. 6. Welk onderzoek verrichte R. Rosenthal in het verband met faalangst bij lagere schoolkinderen?
3.1. Bezocht een aantal lagere schoolklassen.
3.2. Nam verschillende testen af.
3.3. Toonde aan de leerkracht welke leerlingen leerlingen forse vorderingen ging maken.
3.4. Veranderde de houding van de leerkracht.
3.5. Aangewezen leerlingen maakten enorme vorderingen -> ze werden eerste van de klas.
3.6. Objectieve intelligentietest -> leerlingen waren aanzienlijk gestegen.
3.7. Het onderzoek was het bewijzen van dat de houding die we aannemen onze verwachtingen uitspreekt zonder er bewust van te zijn.
4. 7. Persoonlijke mening over faalangst en duid een verband aan met de theorie.
4.1. Faalangst is iets dat meer en meer voorkomt. Je ziet dagelijks weel iets van faalangst. Dit komt volgens mij deels uit de maatschappij. Je ziet constant ideaal beelden via de sociale media. Het zorgt ervoor dat je nooit meer 100% jezelf kan zijn. Ik deed vroeger turnen, ik oefende dagelijks op de truckjes en elke keer als het moest gedaan worden in turnen lukte het niet. Al de anderen konden het na twee keer proberen. Je wordt gewoon gespiegeld aan iemand die het goed kan en die alles onder de knie heeft. Je komt naar voor als de ' duts' van de groep. Op den duur heb je gewoon geen zin meer. Door te blijven proberen voor mezelf in een beter beeld te zetten, lukte dit wel. Ook was het geen makkelijke jeugd... Ik kreeg verschillende woorden achter mijn hoofd gesmeten en voelde mij niet goed. Ik was mezelf niet. Tot op de dag van vandaag staan de woorden die ze tegen me zeiden en me kwetsten op mijn spiegel geschreven. Elke dag wil mezelf erover zetten en tonen wie ik echt ben. Ik wil mezelf bewijzen en tonen dat wat anderen zeggen mij niet boeit. Het is moeilijk om altijd even positief te zijn over jezelf als er andere meisjes dingen tegen je hebben gezegd en je er elke dag aan denkt. Ook op sociale media is niemand zichzelf. We proberen ons zo goed mogelijk voor te doen. We proberen er altijd gelukkig uit te zien en te tonen wat we hebben. Het is de maatschappij die ervoor zorgt dat alles zo 'fucked up' is zoals wij als jongeren het zouden zeggen. Niets is zoals het lijkt. Alles en iedereen doet zich anders voor. Ik denk dat dit is voor zelfbescherming. Het is onmogelijk dat iedereen altijd eerlijk is over zijn gevoel. Alles is anders dan vroeger. Sociale media is HET probleem van deze jeugd. Het maakt alles kapot. Niet allen jezelf, maar ook de omgeving. Iedereen is er het slachtoffer van.
5. 1. Waaraan kan men merken dat een kind de druk niet meer aankan.
5.1. Kind trekt zich terug, wordt depressief, wil niemand meer zien.
5.2. Stilstand in de ontwikkeling.
5.3. Achteruitgang van de schoolresultaten.
5.4. Regressie verschijnselen van vroeger stadia bv. bedplassen, duimzuigen, ...
5.5. Het kind is agressief en pest andere kinderen.
5.6. Psychosomatische klachten zoals: buikpijn, hoofdpijn, ...
5.7. Negatieve faalangst verlamd het gedrag helemaal.
6. 2. Wat is faalangst en welke soorten zijn er?
6.1. Wat: Angst om te falen.
6.2. Positieve faalangst (+)
6.2.1. Spanning op beter te presenteren.
6.2.2. Verhoogde spanning -> verhoogde inzet
6.2.3. Stimulans en motivatie
6.3. Negatieve faalangst (-)
6.3.1. Geheugen werkt trager
6.3.2. Hoe hoger de inzet hoe erger de faalangst
6.3.3. Gevoel: passief en depressief
6.3.4. Angst = reëel
6.3.5. Ouders = hopeloos
6.3.6. Verhoogde aandacht = belang van lukken en mislukken.
6.3.7. 1ste plaats angst verlies van liefde en aandacht.