variaties tussen organismen: genen en omgeving

Começar. É Gratuito
ou inscrever-se com seu endereço de e-mail
variaties tussen organismen: genen en omgeving por Mind Map: variaties tussen organismen: genen en omgeving

1. Useful links to fill in your lean canvas

2. Revenue Streams

3. Cost Structure

3.1. Fixed Costs

3.2. Variable Costs

4. Early Adopters

5. High-Level Concept

6. Channels

6.1. Channel

6.2. Channel

6.3. Channel

7. Key Metrics

8. onderzoek naar interactie tussen genen en omgeving:

8.1. tweelingenonderzoek

8.1.1. tweelingen onderscheiden tussen E.T. en T.T. voor erfelijkheidslonderzoek bij de mens zijn E.T belangrijkst. hebben dezelfde erfelijke informatie. 2 leden van tweeling meet overeenkomst voor fenotypische kenmerken. verschil tussen E.T en T.T kunnen bepaald worden door verschillen in omgeving en omgeving. concordatie E.T groter dan T.T

8.1.1.1. E.T.: - identieke genen. - gelijke omgeving

8.1.1.2. T.T: - gemiddeld 50% identieke genen. - gelijke omgeving.

8.2. adoptiestudies

8.2.1. kinderen die genetisch niet verwant zijn in hetzelfde adoptiegezin terechtkomen, zullen ze blootgesteld worden aan ongeveer dezelde omgeving. lichaamsgewicht geadopteerde kinderen meer overeenkomt met hun biologische ouders dan adoptieouders.

9. epigenetische effecten en omgeving:

9.1. epigenetische effecten zijn mechanismen die genen kunnen aan- of uitschakelen door:

9.1.1. de chromatinestructuur te wijzen.

9.1.2. DNA van genen chemisch te blokkere, zodat er geen transcriptie kan plaatsvinde.

9.1.3. de translatie van m-RNA te verhinderen.

9.2. effecten veranderen de erfelijke code niet, beïnvloeden wel werking van genen. Vb. epigenetische effecten door omgeving. vrouwen en kinderen met lage geboortegewicht. volgende generatie nooit hongersnood. VERKLARING: ontwikkeling van eicellen tijdens foetale leven van dochters epigenetische effecten onder invloed van voedseltekort zijn opgetreden.

10. modificaties: eigenschappen en omgeving:

10.1. overerving erfelijke factoren onveranderd door ouders naar nageslacht doorgegeven. verwachten genetische organismen perfecte overeenkomt in uiterlijk. individuen 1 zelfde genotype 1 zelfde fenotype vertonen. opbrengst cultuurgewassen kwaliteit gebruikte zaaigoed. ondergrond mineralen . zonneschij, temperatuur spelen een rol.

10.1.1. proef van Bonnier

10.1.1.1. milieuinvoeden belangrijke rol aangetoond door Bonnier. penwortel van paardenbloem in 2 snijden: 1 helft planten in hoogebergte, andere in de vlakte. ontwikkelen helemaal vrschillend. plant uit hoogebergte terug in vlakte geplant verdwijnen typische kenmerken van gebergteplant helemaal. toont aan dat oopgetrede wijzigingen in fenotype niet erfelijk waren.

10.1.2. modificaties in de natuur

10.1.2.1. honingbij: uit bevruchte eicellen ontstaan koninginnen of werksters naargelang de soort cel waarin de eitjes gelegd worden en naargelang de voeding die de larven krijgen.

10.1.2.2. pijlkruid kan 3 soorten bladeren vormen afhankelijk van het al dan niet stromen van water en de waterdiepte.

11. mutaties

11.1. Hugo De Vries vond kweekveld afwijkend exemplaar. bij kweken zaad bleek nakomelingen nieuwe eigenschappen vertoonden. door 1 of andere oorzaal blijkbaar plotse wijzigingen voordoen erfelijk materiaal waardoor genotype verandert.

11.2. mutaties kunnen gedefineerd worden als zijnde relatief permanente veranderingen op het niceau van het erfelijk materiaal.

11.2.1. mutaties: zijn veranderingen in het erfelijk materiaal.

11.2.2. mutanten: zijn de organismen waarin mutaties voorkomen.

11.2.3. muteren: is het proces waarbij mutaties geproduceerd worden.

11.3. oorzaken:

11.3.1. spontane mutaties:

11.3.1.1. fouten die vanzelf ontstaan in samenstelling van het DNA zelf. daarbij kan de sequentie van basen wijzigen. structuur van basen kan veranderen.

11.3.2. geïnduceerde mutaties:

11.3.2.1. gevolg van de inwerking van milieufactoren. die kunnen milieumutaties doen ontstaan, noemen ze mutagene factoeren of mutagenen, zijn bepaalde chemische stoffen en stralingen. ook virussen kunnen mutaties veroorzaken Bv. HPV baarmoederhalskanker veroorzaken.

11.4. soorten mutaties volgens de omvang van het gewijzigde DNA:

11.4.1. genmutaties

11.4.1.1. beperkt de wijziging tot 1 gen. verandering van 1 base in de DNA ladder spreekt man van puntmutatie of worden 1 of merder basen in DNA weggelaten. het zijn alle mutaties die het DNA slechts aangrijpen op 1 punt. genduplicatie gentranspositie en genamplictie zijn genmutaties.

11.4.2. chromosoommutaties

11.4.2.1. heeft men te maken met verandering in de structuur van afzonderlijk chromosomen. bij meisoe gebeurt maar dat stukken afbreken, bijgevoegd og omgedraaid worden. dit verschijnsel van chromosoommutatie is niet te verwarren met 'overkruising', waarbij vergelijkbare delen uitgewisseld worden en elk homologe chromosomen achteraf genen bevat. een gen afhangt van de plaats die het in het chromosoom inneemt. eigenschappen van een organisme hangen niet alleen af van de aanwezige genen, maar ook volgerde ervan op de chromosomen.

11.4.3. genoommutaties

11.4.3.1. ondergaat het ganse chromosoomstel een wijziging. mutanten bevatten aantal chromosomen dat afwijkt van normaal aantal. haploïd aantal in de gameten, diploïd aantal in de lichaamscellen wordt euploïd genoemd.

11.4.3.1.1. aneuploïdie of heteroploïdie

11.4.3.1.2. polyploïdie

11.5. gevolgen van mutaties:

11.5.1. genmutaties:

11.5.1.1. verliesmutaties:

11.5.1.1.1. zijn genmutaties in coderend DNA die resulteren in een proteïnedefect. proteïnen hun specifieke functie niet meer of gebrekkig uitvoeren. ontstaan ziekten of afwijkingen.

11.5.1.2. het proteïnedefect kan het gevolg zijn van:

11.5.1.2.1. foutieve aminozuren die worden ingebouwd.

11.5.1.2.2. aminozuren die wegvallen

11.5.1.2.3. aminozuren die teogevoegd worden

11.5.1.2.4. een proteïne die wordt ingekort omdat er een stopcodon in het m-RNA is ontstaan.

11.5.1.3. X-gebonden recessief:

11.5.1.3.1. hemofilie of bloederziekte

11.5.1.3.2. daltonisme of rood-groenkleurenblindheid.

11.5.1.3.3. ziekte van Duchenne

11.5.1.4. autosomaal - recessief:

11.5.1.4.1. albinisme:

11.5.1.4.2. cretinisme (= dwerggroei):

11.5.1.4.3. fenylketonurie (P.K.U.)

11.5.1.4.4. galactosemie:

11.5.1.4.5. mucoviscidose of taaislijmziekte (cyctische fibrose)

11.5.1.5. autosomaal - dominant:

11.5.1.5.1. familiale hypercholesterolemie:

11.5.1.5.2. chorea van huntington

11.5.1.6. winstmutaties:

11.5.1.6.1. zijn genmutaties in coderend DNA, beter functionerend proteïne oplevert. zowel stille als winstmutaties verhogen de genetische variatie.

11.5.1.7. polymorfisme:

11.5.1.7.1. zogenaamde junk-DNA geen duidelijke functie. ze veranderen het genotype, maar niet het fenotype.

11.5.2. chromosoommutaties:

11.5.2.1. deletie:

11.5.2.1.1. cri du chat'-syndroom

11.5.2.2. translocatie:

11.5.2.2.1. transloctie-downsyndroom

11.5.2.2.2. philadelphiachromosoom

11.5.3. genoommutaties:

11.5.3.1. autosomen:

11.5.3.1.1. monosomie

11.5.3.1.2. trisomie- 21 syndroom van down

11.5.3.1.3. syndroom van edwards (= trisomie - 18

11.5.3.1.4. geslachtschromosomen:

11.5.3.1.5. syndroom van turner (= XO -syndroom)

11.5.3.1.6. syndroom van klinefelter(= XXY-syndroom)

11.5.3.1.7. XYY-syndroom (XYY-mannen)

12. Customer Segments

12.1. Segment

12.2. Segment

12.3. Segment

13. Existing alternatives

13.1. Alternative

13.2. Alternative