1. gewoontevorming
1.1. kind bepaald gedrag aanleren
1.1.1. later uitleggen
1.2. bepaalde gewoonten ontstaan
1.3. kind doet handeling zonder uitleg
1.4. gestimuleerd door herhaling + oefening
2. leren door imitatie
2.1. opvoeders zijn voorbeeld
2.2. belangrijk voor: motorische activiteiten, gevoelens en houdingen
2.3. kind neemt attitudes en emotionele gedragingen over
2.4. gebeurt zowel doelbewust als onbewust
3. structuur bieden
3.1. opvoeder laat kind duidelijk maken hoe wereld eruitziet
3.1.1. kind kan opgroeien tot zelfstandig persoon
3.2. situaties worden voorspelbaar
3.3. bepaalde manieren
3.3.1. duidelijke afspraken en regels
3.3.2. tijd
3.3.2.1. bv. dagindelingen
3.3.3. plaats
3.3.3.1. bv. vaste plaatsen waar iets kan en niet kan
3.3.4. duidelijke grenzen
4. informatieoverdracht
4.1. uiteg aan kinderen
4.2. opvoeder geeft informatie om tot bepaalde mening/ overtuiging te bekomen
5. belonen en straffen
5.1. soorten gedragingen
5.1.1. positief resultaat = herhaling negatief resultaat = vermijding
5.2. beloning
5.2.1. functie
5.2.1.1. kind aanmoedigen om goed gedrag te verkrijgen
5.2.2. vormen
5.2.2.1. sociale beloning
5.2.2.1.1. bv. schouderklopje
5.2.2.2. activiteitenbeloning
5.2.2.2.1. bv. samen op reis
5.2.2.3. materiële beloning
5.2.2.3.1. bv. cadeautje
5.2.2.4. beloningssysteem
5.2.2.4.1. bv. na lange periode sparen = grote beloning
5.2.3. aandachtspunten
5.2.3.1. kijk en benoem wat kind goed doet
5.2.3.2. niet 'verwennen'
5.3. straf
5.3.1. functie
5.3.1.1. ongewenst verdrag proberen voorkomen
5.3.2. vormen
5.3.2.1. zeggen wat en waarom dit niet mag
5.3.2.1.1. maak oogcontact + rustige stem
5.3.2.2. ongewenst gedrag negeren
5.3.2.3. time-out
5.3.2.3.1. plaats = neutraal + duur = leeftijd
5.3.2.4. iets leuks onthouden
5.3.2.4.1. materieel of activiteit
5.3.3. aandachtspunten
5.3.3.1. duidelijkheid
5.3.3.2. snel straffen
5.3.3.3. consequent zijn = doe wat afgesproken is
5.3.3.4. schone lei na straf
5.3.3.5. niet persoonlijk raken
5.3.3.6. straffen geeft nadelen
5.3.3.6.1. straf beperken tot minimum