F: Samenwerken en Onderhandelen (Klaar)

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
F: Samenwerken en Onderhandelen (Klaar) by Mind Map: F: Samenwerken en Onderhandelen (Klaar)

1. Speltheorie

1.1. Alleen als beide partijen dezelfde informatie hebben kan er een eerlijke keuze worden gemaakt. Gelijke informatie is dan ook heel belangrijk in de speltheorie.

1.2. Je kan de resultaten van de speltheorie op twee manieren weergeven.

1.2.1. Pay-off matrix: Meestal gebruikt bij simultaan spel.

1.2.1.1. Bij een simultaan spel kiezen beide partijen afzonderlijk van elkaar. Ze kennen elkaars keuzes niet.

1.3. Bij een nash-evenwicht heb je het best mogelijke resultaat, naar aanleiding van de keuzes van de andere partijen. Wellicht was er nog een beter resultaat, maar omdat je de keuze van andere partijen niet kan beïnvloeden, enkel die van jezelf, is dit het hoogste mogelijke resultaat, zonder dat andere partijen hun keuze wijzigen.

1.3.1. Spelboom: Meestal gebruikt bij sequentieel spel. Ook wel beslisboom genoemd.

1.3.1.1. Bij een sequentieel spel kiest de tweede partij na de eerste partij. De tweede partij weet wat de eerste partij gekozen heeft en zal haar keuze daarop aanpassen.

1.3.2. In het gevangenendilemma is er geen sprake van een optimaal nash-evenwicht, je krijgt nooit het beste resultaat. Beide partijen proberen om voor zichzelf de beste uitkomst te krijgen. Er is dan ook sprake van een sub-optimaal nash-evenwicht, de partijen krijgen niet het slechtste en niet het beste resultaat.

1.4. In sommige gevallen hebben de partijen geen behoefte om met elkaar te concurreren. In dat geval heeft het spel een andere uitkomst, dankzij sociale normen.

1.5. Bij zelfbinding kiest een partij er voor om vrijwillig een keuze te maken die niet overeenkomt met de domiante strategie. Om de concurrent te overtuigen dat bijvoorbeeld de prijzen niet verlaagd worden, kan een producent bijvoorbeeld een reclamecampagne starten waarin uitgelegd wordt dat lagere prijzen zorgen voor uitbuiting onder werknemers. Het nadeel hiervan is dat de prijzen niet op een later moment nog verlaagd kunnen worden.

2. Suboptimale situaties

2.1. Wanneer een ondernemer geld heeft uitgeven voor de productie van een product of gebouw en deze kosten zijn niet meer terug te incasseren, dan is er sprake van verzonken kosten. Denk bijvoorbeeld aan een vakantie, als jij last-minute griep krijgt, dan wordt dit niet vergoed door de annuleringsverzekering. Je hebt alleen baat van de geïnvesteerde kosten als je toch op vakantie gaat,.

2.1.1. Als je afhankelijk bent van meerdere partijen, dan kunnen deze partijen afdwingen dat jij meer betaalt, je hebt immers al kosten gemaakt en als het hele project niet doorgaat, lijd je veel verlies. Er kan dus bijvoorbeeld veel meer geld gevraagd worden voor grondstoffen, wanneer jij al veel geld geïnvesteerd hebt in research naar de beste productiemethode.

2.2. Bij collectieve goederen kan een tegenstelling tussen individueel en collectief belang ontstaan. Wanneer jij je baan kwijtraakt krijg je een uitkering. Stel dat totaal 2% van de bevolking een uitkering heeft. Dan hoeft het geld onder relatief weinig mensen verdeeld te worden en heb jij veel individueel belang. Er wordt immers voor gezorgd dat jij nog gewoon een inkomen hebt, hoewel je momenteel geen werk meer hebt. Wanneer plotseling 10% van de bevolking een uitkering nodig heeft, dan zal jij veel minder geld krijgen. Er moet immers minder geld over meer mensen verdeeld worden. Er is dan sprake van collectief belang, omdat er voor gezorgd wordt dat iedereen nog een inkomen heeft, hoewel dit niet veel meer is.

2.3. Bij organisaties zoals vakbonden vertonen veel mensen meeliftersgedrag. Als veel collega's lid zijn, wordt er waarschijnlijk toch wel iets geregeld, ongeacht of jij wel of niet lid bent. Wanneer veel mensen echter besluiten om geen lid te zijn, bereikt de vakbond minder, omdat deze minder leden heeft. Meeliften heeft dan niet alleen negatieve gevolgen voor de meelifters, maar ook voor de mensen die nog wel lid zijn van de vakbond.

2.4. Extern effecten zijn die gevolgen van bijvoorbeeld de productie van een product. Een negatief effect zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat de stoffen die vrijkomen bij de productie kunnen zorgen voor een versterkt broeikaseffect. Een positief effect kan echter de hogere werkgelegenheid zijn.