2.3. Kan ver uiteenlopen van een paar maanden tot vele jaren
3. Betrokken bij de zorg
3.1. Artsen
3.2. Verpleegkundigen
3.3. Verzorgenden
3.4. Psychologen
3.5. Fysiotherapeuten
3.6. Ergotherapeuten
3.7. Diëtisten
3.8. Maatschappelijke werkers
3.9. Naasten
4. Verschil terminale zorg
4.1. Palliatieve zorg richt zich op kwaliteit van het leven en de terminale zorg richt zich op kwaliteit van het goede sterven.
4.2. Palliatieve zorg jaren kan duren, terwijl we pas van terminale zorg mogen spreken als het overlijden op korte termijn (drie maanden of minder) wordt verwacht.
5. Verschil van hospices bij volwassen en kinderen
5.1. Volwassen verblijven er voornamelijk in de laatste levensfase
5.2. Kinderen hospice worden gebruikt voor begeleiding en zorg van kinderen die zullen overlijden op zeer korte termijn
5.3. Kinderen hospice bieden ook respijtzorg
6. Een zo hoog mogelijk kwaliteit van het leven te geven
6.1. Op sociaal gebied
6.2. Op psychisch gebied
6.3. Op spiritueel gebied
6.4. Op pedagogisch gebied
6.5. Op lichamelijk gebied
7. Ongeneeslijke ziekte
7.1. COPD
7.2. Hartfalen
7.3. Kanker
7.4. Dementie
8. Emotionele steun voor de naasten is belangrijk
8.1. Leren omgaan met de rouwgevoelens
8.2. Leren omgaan met de ziekte
9. Belangrijke thema's in de palliatieve zorg
9.1. Kwaliteit van het leven
9.2. Anticiperen op mogelijke problemen in de toekomst
9.3. Autonomie
9.4. Symptoommanagement
10. De verscheidenheid van andere aandoeningen en chronische ziekte is bij kinderen groot
10.1. Moeilijk voor zorgverleners, er is vaak specifieke kennis en begeleiding nodig
11. In Nederland zijn er zo ongeveer 5.000 tot 7.000 kinderen die palliatieve zorg hebben
11.1. Stofwisselingsziekten
11.2. Neuromusculaire ziekten
11.3. Complexe aangeboren aandoeningen
11.4. Oncologische aandoeningen
11.5. Hart- en longziekten
11.6. Meeste zijn jonger dan 5 jaar
11.7. Jaarlijks overlijden er 1200 kinderen onder de 18