My New Mind Map

Kom i Gang. Det er Gratis
eller tilmeld med din email adresse
Rocket clouds
My New Mind Map af Mind Map: My New Mind Map

1. Popmuziek

1.1. afterbeat

1.1.1. Accenten op de 2de en 4de tel in een vierkwartsmaat door de snaredrum. Ook wel Back beat.

1.2. back beat

1.2.1. Accenten op de 2de en 4de tel in een vierkwartsmaat door de snaredrum. Ook wel afterbeat

1.3. backing vocals

1.3.1. Achtergrondkoortje

1.4. beat

1.4.1. Beat is een strak ritme met accenten op de eerste en derde tel, door de bass drum.

1.5. bluesschema

1.5.1. Dit is een akkoordenschema van meestal 12 maten dat voortdurend herhaald wordt. Een bluesschema heet ook wel een chorus.

1.6. BPM

1.6.1. BPM is de afkorting voor Beats Per Minute

1.7. break

1.7.1. Korte onderbreking waarin de begeleiding stopt,

1.8. break beat

1.8.1. Bij deze onregelmatige beat komen accenten op steeds andere plekken in de maat

1.9. bridge

1.9.1. Een bridge is een vormonderdeel dat wat betreft melodie, akoordenschema, sound en tekst afwijkt van het refrein (chorus) en het couplet (verse).

1.10. call & response

1.10.1. Call & response is een vraag- en antwoordspel tussen een solist en backing vocals of andere instrumentalisten.

1.11. chorus

1.11.1. Chorus is Engelse voor refrein en de aanduiding voor één bluesschema.

1.12. chorus

1.12.1. Chorus is een geluidseffect dat gitaristen gebruiken.

1.13. cover

1.13.1. Een cover is een opnieuw uitgebrachte versie van een nummer, vaak in een andere sound.

1.14. dirty intonation

1.14.1. Dirty intonation is het te hoog of te laag intoneren van melodietonen.

1.15. distortion

1.15.1. Distortion is een elektronisch geluidseffect dat gitaristen gebruiken.

1.16. fade-out

1.16.1. Het volume van het einde van de opname geleidelijk zachter maken totdat het stil is.

1.17. fill

1.17.1. Een fill of fill in is een opvulling van een break, meestal door de drummer.

1.18. off beat

1.18.1. Accenten meteen na de tel. Elektrische gitaar, soms samen met de hi-hat, speelt deze accenten.

1.19. outro

1.19.1. naspel

1.20. pre-chorus

1.20.1. Een pre-chorus is een onderdeel van een nummer dat naar het refrein toewerkt

1.21. power chords

1.21.1. Een power chord is een gitaarakkoord dat bestaat uit een grondtoon en een kwint. De terts ontbreekt.

1.22. rap

1.22.1. Rapping is ritmisch zingen van een poëtische tekst.

1.23. riff

1.23.1. Een riff is een kort melodietje, soms meerstemmig, dat de basis is van de begeleiding.

1.24. slapping

1.24.1. Slapping is een techniek waarbij de basgitarist met zijn duim op de snaren slaat en met zijn vingers aan snaren trekt.

1.25. verse

1.25.1. engels voor couplet

2. Modern klassieke muziek

2.1. Atonaliteit

2.1.1. In de compositie ontbreekt het overwicht van een bepaalde toonsoort of een overwegend tooncentrum. In atonale muziek zijn de tonen alle gelijkwaardig.

2.2. Chromatiek

2.2.1. Het gebruik van halve toonsafstanden.

2.3. Cluster

2.3.1. Een complexe samenklank die bestaat uit een serie tonen die zeer dicht bij elkaar liggen, meestal grote en kleine secundes.

2.4. Compositietechnieken

2.4.1. Bij het componeren van muziek kunnen allerlei technieken worden toegepast waarmee je vorm geeft aan het muzikale materiaal. Enkele technieken zijn bijvoorbeeld: call & response, vergroting, verkleining, ostinato, sequens, canon, imitatie, variatie, tegenmelodie, spiegel, omkering.

2.5. Dissonanten

2.5.1. Samenklank die spanning opwekt.

2.6. Elektronische muziek

2.6.1. Muziek die niet voortgebracht wordt door muziekinstrumenten of de menselijke stem, maar door apparatuur.

2.7. Grafische partituur

2.7.1. Een grafische partituur bevat, naast de traditionele notatie zelfbedachte tekens. Een grafische partituur wordt onder andere gebruikt om het verloop van elektronische klanken weer te geven en de muzikanten aanwijzingen te geven die je niet met het traditionele notensysteem kunt vastleggen.

2.8. ostinato

2.8.1. Een constant herhaalde melodische of ritmische formule.

2.9. Twaalftoonstechniek, dodecafonie

2.9.1. Compositietechniek gebaseerd op een toonreeks die is opgebouwd uit twaalf tonen van de chromatische toonladder. Elk van de 12 tonen komt daarin maar eenmaal voor.

2.10. Vrije vormen

2.10.1. Vormen die afwijken van de bekende vaste vormen en verhoudingen uit de 'traditionele' klassieke muziek.

3. Romantiek

3.1. Coupletlied

3.1.1. Liedstructuur Het lied bestaat uit een aantal coupletten, die telkens een andere tekst hebben, maar allemaal dezelfde melodie.

3.2. Doorgecomponeerd lied

3.2.1. Liedstructuur Het doorgecomponeerde lied bestaat uit steeds verschillende melodieën die de gebeurtenissen in de tekst volgen.

3.3. Klankkleur kamermuziek

3.3.1. Binnen de kamermuziek zijn allerlei variaties mogelijk in aantal en soort musici: solisten, duo's, trio's, kwartetten, kwintetten en grotere ensembles.

3.4. lied

3.4.1. Het lied (kunstlied) met pianobegeleiding (in Duitsland: Klavierlied).

3.5. Melodievoering

3.5.1. Accelerando als middel om de melodie uitdrukking te geven; brede bogen voeren naar climax of rust; veel gebruik van crescendo, decrescendo en ritenuto.

3.6. Operette

3.6.1. De operette is luchtig muziektheater, de voorloper van de hedendaagse musical.

3.7. Romantische symfonie

3.7.1. In de romantische symfonie wordt niet alleen de omvang van de orkestbezetting groter, maar ook het aantal delen kan groter zijn dan vier. De tegenstellingen in karakter, beweging, klankkleur en dynamiek zijn groot. Nieuwe instrumenten zoals de harp en de saxofoon en buitenmuzikale thema's doen hun intrede. Ook vocale gedeeltes kunnen een plaats krijgen.

3.8. Romantisch symfonieorkest

3.8.1. fluit; piccolo; hobo; klarinet; fagot; hoorn; trompet; trombone; tuba; pauken; bekken; grote trom; kleine trom; klokken, harp en strijkers.

3.9. Rubato

3.9.1. Vrij in de maat spelen door te versnellen en te vertragen

3.10. wals

3.10.1. Van oorsprong Oostenrijkse volksdans in driekwartsmaat, die vanaf het einde van de 18de eeuw populair werd en andere gezelschapsdansen verdrong. Later met zijn karakteristiek dansritme en tempo kunstvorm geworden in pianowerken, balletten en orkestmuziek.

4. Classisisme

4.1. albertijnse bas

4.1.1. Uitgeschreven begeleiding in gebroken akkoorden

4.2. cadens

4.2.1. Vaste volgorde van akkoorden. In dit voorbeeld is de slotcadens met akkoordtrappen aangegeven.

4.3. melodische cadens

4.3.1. Gedeelte in een soloconcert waarin de solist een vaak geïmproviseerde, virtuoze solo-passage speelt.

4.4. Contrast

4.4.1. Contrastwerking ontstaat door muzikale eigenschappen naast elkaar te stellen, bijvoorbeeld: klankkleur: blazers / strijkers; tutti / solo dynamiek: forte / piano textuur: homofoon / polyfoon tonaliteit: majeur / mineur tempo: snel / langzaam harmonie: tonica / dominant samenklank: unisono / akkoord De spanning van de contrastwerking geeft structuur aan de muziek.

4.5. Drieklankmotieven

4.5.1. Melodisch motief gebaseerd op een drieklank.

4.6. Hoofdvorm

4.6.1. De Expositie heeft twee contrasterende thema's: thema A in de hoofdtoonsoort, dan een overgangszin en vervolgens thema B in de dominant- of paralleltoonsoort. De Doorwerking is een vrije verwerking van het materiaal, in de doorwerking vinden talrijke modulaties plaats naar verwante of verwijderde toonsoorten. In de Reprise komen de twee thema's terug, maar uiteindelijk via een verbindingszin in een en dezelfde toonsoort.

4.7. kamermuziek

4.7.1. Onder kamermuziek wordt klassieke muziek verstaan voor kleine bezettingen, ensembles die bij wijze van spreken in een (grote) huiskamer zouden kunnen spelen.

4.8. Klassieke sonate

4.8.1. Meerdelige (meestal 4 delen) voor solo-instrument met of zonder begeleiding. De structuur van de sonate is vergelijkbaar met die van een symfonie.

4.9. Klassieke symfonie

4.9.1. Meerdelige (meestal 4 delen) compositie voor symfonieorkest. Het eerste deel staat doorgaans in de hoofdvorm; het tweede deel kan een variatievorm zijn; het derde deel is een menuet, naderhand een scherzo; het vierde deel is doorgaans een rondovorm of hoofdvorm.

4.10. Klassiek symfonieorkest

4.10.1. Het klassieke symfonieorkest, het orkest van de 18de eeuw, bestaat uit een kern van strijkers (strijkorkest), aangevuld met blaasinstrumenten (fluit, klarinet, hobo, fagot, trompet, hoorn) en pauken.

4.11. Menuet

4.11.1. Van oorsprong driedelige dans; derde deel van een symfonie. Meestal komt het Menuet als ABA-vorm voor: Menuet – Trio – Menuet.

4.12. Overgangszin

4.12.1. Een muzikaal gedeelte dat van thema A naar thema B leidt, inclusief de modulatie naar de betreffende toonsoort (parallel, of dominant)

4.13. Periodebouw

4.13.1. Zinsbouw, waarbij evenwichtige muzikale zinnen worden gevormd van min of meer dezelfde lengte (symmetrie). De standaard muzikale volzin (periode), bestaat een voorzin en een nazin, die even lang zijn.

4.14. Rondo

4.14.1. Een rondo is een muzikale vorm waarin een rondo-thema als een refrein afgewisseld wordt met coupletten.

4.15. Strijkkwartet

4.15.1. Het strijkkwartet was hét kamermuziekensemble in de periode van het classicisme bestaande uit eerste en tweede viool, altviool en cello. In het strijkkwartet zijn alle instrumenten gelijkwaardig.

4.16. Soloconcert

4.16.1. Compositie voor een solo-instrument en orkest, met drie of vier delen. Elk solo-instrument is daarbij mogelijk: piano, orgel, viool, cello, klarinet, fluit, fagot, hobo, trompet of hoorn.

5. Barok

5.1. Aria

5.1.1. De aria is een compositie voor zangstem met orkestbegeleiding. Een aria komt voor in een opera, oratorium, cantate en passie.

5.2. Barokke beweging

5.2.1. Het ritme heeft een sterke groove. Deze barokke beweging, ook wel barokke motoriek, wordt vooral aangedreven door de baslijn.

5.3. Barokorkest

5.3.1. Een barokorkest bestaat meestal uit ongeveer dertig personen, maar vaak ook minder. De kern is de strijkersgroep en de basso continuo. Het barokorkest is in principe aanpasbaar aan de compositie die gespeeld moest worden . In de laatbarok was de gebruikelijke bezetting: strijkers (violen, alten, celli en bassen), klavecimbel (het continuo-instrument), houtblazers (fluiten, hobo's en fagotten) en koperblazers (trompetten en hoorns). Meestal leidde de klavecinist van achter zijn instrument het orkest.

5.4. Basso continuo

5.4.1. De basso continuo. Meestal afgekort tot b.c. verzorgt de akkoordbegeleiding en de baslijn in barokmuziek. Akkoordinstrumenten zijn: klavecimbel, orgel, luit, gitaar. De basinstrumenten zijn: cello, (viola da) gamba, contrabas, theorbe (basluit), fagot.

5.5. Cantate

5.5.1. Meerdelige vocaal-instrumentale compositie, meestal op een religieuze tekst; minder lang dan een oratorium. Een cantate bestaat uit ouverture, recitatieven, aria's en koren. Voorbeeld:Cantata BWV 179 van Bach

5.6. Complementair ritme

5.6.1. Ritmische invulling loopt door in een andere stem: het ritme van de ene partij vult dat van de andere aan.

5.7. Concert, concerto

5.7.1. Compositie voor een solo-instrument en orkest, meestal in drie (soms vier) delen.

5.8. Concerto grosso

5.8.1. Instrumentale compositie waarin een groepje instrumenten (het concertino) solistisch optreedt. Door af te wisselen met het orkest (tutti) ontstaan interactie en contrast.

5.9. Fuga

5.9.1. De fuga is een polyfone compositie op basis van (meestal) één thema

5.10. Imitatie

5.10.1. Een compositietechniek waarbij ritmes, motieven of melodische fragmenten van de ene stem vrij kort daarna (of zelfs overlappend) in andere stemmen terugkomen.

5.11. Menuet

5.11.1. Een sierlijke dans, rustig tempo, in driekwartsmaat.

5.12. Majeur en mineur

5.12.1. In de barok verdwijnen de kerktoonsoorten. Majeur en mineur worden de hoofdtoonsoorten.

5.13. Muziekinstrumenten in de barok

5.13.1. Enkele specifieke instrumenten van de barokmuziek zijn klavecimbel, luit en gamba

5.14. Opera

5.14.1. Muziektheaterstuk voor zangstemmen, koor, ballet en orkest.

5.15. Oratorium

5.15.1. Grote, meerdelige vocaal-instrumentale compositie op een meestal religieuze tekst. Onderdelen: ouverture, recitatieven, aria's, koren en instrumentale tussenspelen.

5.16. Orgelpunt

5.16.1. Een lang aangehouden bastoon waarboven andere stemmen zich bewegen. Voorbeeld: een orgelpunt komt bijvoorbeeld voor aan het eind van de fuga.

5.17. Ostinate bas

5.17.1. Een gegeven basmelodie als uitgangspunt voor een reeks melodische variaties.

5.18. Ouverture

5.18.1. Openingsmuziek van een opera, suite, oratorium.

5.19. Passie

5.19.1. Oratorium met als onderwerp het leven en sterven van Jezus Christus. Grote, meerdelige vocaal-instrumentale compositie waarin ook koralen voorkomen.

5.20. Recitatief

5.20.1. Het recitatief is een syllabisch gezang waarbij vooral het spreekritme wordt nagevolgd.

5.21. Sarabande

5.21.1. Een expressieve dans, langzaam en driedelig; heeft vaak een lange noot op de tweede tel.

5.22. Sequens

5.22.1. Een herhaling van een motief of melodie op een andere toonhoogte.

5.23. Soloconcert

5.23.1. Concert voor één solist en orkest

5.24. Sonate

5.24.1. Een sonate bestaat uit meerdere delen, meestal drie of vier, voor één of twee solo-instrumenten met begeleiding van basso continuo.

5.25. Suite

5.25.1. De baroksuite voor klavecimbel of orkest bestaat uit een reeks van dansen, bijvoorbeeld sarabande en menuet. De opening is dikwijls een Ouverture.

5.26. Terrassendynamiek

5.26.1. Wisselingen in de klanksterkte van hard naar zacht en andersom, zonder geleidelijke overgang. Echodynamiek: men speelt plotseling zachter, als een soort echo Registerdynamiek: de muziek klinkt plotseling zachter/harder doordat een andere groep instrumenten erbij komt of wegvalt.

5.27. Tutti

5.27.1. Allemaal, alle spelers van het orkest.

5.28. Versieringen

5.28.1. Omspeling van een hoofdtoon.

5.29. Voortspinnen

5.29.1. Steeds verder uitwerken van een motief door bijvoorbeeld sequensen en herhalingen.

6. Middeleeuwen

6.1. Bourdonbegeleiding

6.1.1. Begeleiding waarbij steeds een toon en soms een kwint wordt aangehouden.

6.2. Gregoriaans

6.2.1. Eenstemmig a capella in het Latijn gezongen kerkmuziek

6.3. Kunstlied

6.3.1. Het middeleeuwse kunstlied (ook wel chanson) is hofmuziek gebaseerd op een gedicht

6.4. Melismatisch gezang

6.4.1. In een lied worden op één lettergreep meerdere tonen gezongen

6.5. Middeleeuwse meerstemmigheid

6.5.1. Deze is gebaseerd op samenklanken die bestaan uit voornamelijk kwarten en kwinten

6.6. Instrumenten

6.6.1. Draailier

6.6.2. Doedelzak

6.6.3. Portatief

6.6.4. Psalterium

6.6.5. Vedel

6.7. Syllabisch gezang

6.7.1. Per lettergreep wordt één toon gezongen

6.8. Volksliederen

6.8.1. Eenvoudig te zingen, algemeen bekende liedjes, ze worden mondeling verspreid. 

6.9. Vrije ritmiek

6.9.1. Ritme dat niet gebaseerd is op maatsoorten, maar op woordaccenten. Je treft dit aan in het gregoriaans.

7. Renaissance

7.1. Canon

7.1.1. Meerstemmige compositie waarin het thema door twee of meer stemmen exact wordt geïmiteerd. 

7.2. Consonante intervallen

7.2.1. Letterlijk: welluidende samenklanken. In de renaissance is de meerstemmigheid vooral door terts en sext gekleurd

7.3. Dubbelkorigheid

7.3.1. De componisten stelden meerdere koren en groepen instrumentalisten op verschillende plaatsen in de kerk op. Hierdoor ontstonden stereo-effecten en de kenmerkende dubbelkorigheid.

7.4. Gaillarde

7.4.1. Levendige hofdans,springdans, met driedelig ritme en snel tempo

7.5. Geïntegreerd gebruik stemmen en instrumenten

7.5.1. In de renaissance staat vocale muziek centraal. Muziekinstrumenten die met de zangstemmen gaan meespelen, nemen soms de rol van de zangstem over. 

7.6. Imitatie

7.6.1. Imitatie (nabootsing) is een compositietechniek waarbij de verschillende partijen dezelfde melodie, hetzelfde thema of hetzelfde motief van elkaar overnemen

7.7. Instrumenten

7.7.1. Luit

7.7.2. Gamba

7.7.3. Kromhoorn

7.7.4. Blokfluit

7.7.5. Klavecimbel

7.7.6. Sackbut

7.8. Pavane

7.8.1. Statige Italiaanse wandeldans met een tweedelig ritme en een langzaam tempo.

7.9. Polyfonie

7.9.1. Vorm van meerstemmigheid waarbij de afzonderlijke stemmen een hoge mate van zelfstandigheid hebben.

7.10. Stemparen, paarsgewijze stemvoering

7.10.1. Compositietechniek waarbij in polyfone vocale muziek telkens twee stemmen samenklinken.

8. Muziek

8.1. Jazz

8.1.1. big band

8.1.1.1. Een big band is een jazzcombo van 16 personen, dat bestaat uit een ritmesectie, saxofoons, trompetten en trombones.

8.1.2. Bluesschema

8.1.2.1. Dit is een meestal 12-matig akkoordenschema dat de hele blues herhaald wordt.

8.1.3. Chorus

8.1.3.1. Chorus is een ander woord voor bluesschema.

8.1.4. Jazzcombo

8.1.4.1. Een jazzcombo kan diverse samenstellingen hebben. In de regel bestaat een combo uit drums; contrabas; piano/gitaar en een of meerdere melodie-instrumenten

8.1.5. Melodiesectie

8.1.5.1. Een melodiesectie is een onderdeel van een big band dat bestaat uit melodie-instrumenten zoals trompet, trombone en saxofoon.

8.1.6. Ritmesectie

8.1.6.1. De ritmesectie in de jazz bestaat meestal uit drums; slaggitaar; contrabas/basgitaar en toetsen.

8.1.7. Standard

8.1.7.1. Een jazz standard is een jazznummer dat bij het standaardrepertoire van de jazz hoort.

8.1.8. Straight & Swing

8.1.8.1. Straight: je speelt alle achtste noten even lang. Swing: je speelt de eerste achtste iets langer dan de tweede, het ritme gaat schommelen, swingen

8.1.9. Triolenfeel

8.1.9.1. Triolenfeel wil zeggen dat je achtste noten niet speelt zoals ze genoteerd staan, maar alsof ze deel uitmaken van een triool. Het voelt als een 12/8-ste maat

8.1.10. Vrije improvistaie

8.1.10.1. Wanneer er weinig of geen regels lijken te gelden bij het improviseren, er zijn bijvoorbeeld geen afspraken over het akkoordenschema of over de vorm gemaakt, dan spreek je van vrije improvisatie.

8.1.11. Walking bass

8.1.11.1. Walking bass is een onderdeel van de ritmische motor van de jazz. De contrabas speelt op elke tel van de maat een kwartnoot.