1. paragraaf 13.4
1.1. fosiele brandstoffen
1.1.1. Brandstoffen die afkomstig zijn uit fossiele energiebronnen zoals steenkool, petrol en aardgas.
1.2. broeikaseffect
1.2.1. Een verhoging van de atmosferische temperatuur door een toename van de concentratie broeikasgassen, zoals koolstofdioxide, in de atmosfeer.
1.3. trage koolstofkringloop
1.3.1. Het proces waarbij koolstofdioxide (CO2) wordt afgezet in de aarde en water en gedurende lange tijd wordt opgeslagen.
1.4. fotosynthese
1.4.1. Het proces waarbij lichtenergie wordt gebruikt door planten om koolstofdioxide om te zetten in zuurstof en andere organische moleculen.
1.5. snelle koolstofkringloop
1.5.1. Het proces waarbij koolstofdioxide (CO2) direct wordt omgezet in andere organische moleculen, zoals glucose, en wordt gebruikt voor fotosynthese.
1.6. CO²-neutraal
1.6.1. Een systeem waarin de uitstoot van koolstofdioxide (CO2) gelijk is aan de hoeveelheid CO2 die wordt opgenomen door het systeem.
1.7. biobrandstoffen
1.7.1. Brandstoffen die worden gemaakt van biologische materialen, zoals planten, dieren of mest.
1.8. biodiesel
1.8.1. Een soort biobrandstof die wordt gemaakt uit plantaardige oliën of vetten.
1.9. om-esteren
1.9.1. Het proces waarbij plantaardige oliën of vetten worden omgezet in biodiesel.
1.10. bio-ethanol
1.10.1. Een soort biobrandstof die wordt gemaakt door de gisting van suiker, granen of maïs.
1.11. biogas
1.11.1. Een mengsel van gassen, waaronder methaan, dat wordt geproduceerd door de gisting van organisch afval.
1.12. stookwaarde
1.12.1. De hoeveelheid energie die vrijkomt bij de verbranding van een bepaalde hoeveelheid brandstof.
1.13. C/H-verhouding
1.13.1. De verhouding tussen koolstof (C) en waterstof (H) in een molecuul.
1.14. hernieuwbare grondstoffen
1.14.1. Grondstoffen die verkregen kunnen worden uit hernieuwbare energiebronnen, zoals zonlicht, wind, water of biologische materialen.
1.15. biomassa
1.15.1. Organisch materiaal dat afkomstig is van levende organismen, zoals planten, dieren of mensen.
1.16. waterstof
1.16.1. Een element dat als gas voorkomt en bestaat uit een enkel waterstofatoom.
2. paragraaf 13.5
2.1. elektriciteitscentrales
2.1.1. installaties waar elektriciteit wordt geproduceerd door middel van thermische, nucleaire of andere energiebronnen.
2.2. stoom
2.2.1. waterdamp die wordt gecreëerd wanneer water verhit wordt en gaat koken.
2.3. dynamo
2.3.1. een elektrisch apparaat dat gebruikt wordt om mechanische energie om te zetten in elektrische energie.
2.4. pyrolyse
2.4.1. een chemische reactie waarbij organisch materiaal wordt afgebroken door verhitting zonder toevoeging van zuurstof.
3. voorkennis
3.1. blokschema
3.1.1. Een blokschema is een grafisch hulpmiddel om processen te visualiseren door middel van vakken die met elkaar verbonden zijn.
3.2. reactiewarmte
3.2.1. Reactiewarmte is de warmte die vrijkomt bij een chemische reactie.
3.3. katalysator
3.3.1. Een katalysator is een chemisch ingrediënt dat de snelheid van een chemische reactie verhoogt. Het verandert niet in de reactie en wordt aan het einde van de reactie onveranderd uitgescheiden.
4. paragraag 13.1
4.1. duurzame ontwikkeling
4.1.1. Duurzame ontwikkeling is een manier van leven waarbij de huidige behoeften worden voldaan zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om hun eigen behoeften te voldoen te beperken, met als uitgangspunten het behoud van een gezonde natuurlijke omgeving en het verminderen van de milieueffecten van menselijke activiteiten
4.2. principes van groene energie
4.2.1. energie die op een milieuvriendelijke manier wordt opgewekt, zoals windenergie, waterkracht en zonne-energie.
4.3. biomassa
4.3.1. een stof die wordt geproduceerd door de vertering van plantaardig en dierlijk materiaal, zoals hout, vezels, afval, mest, biogas en alcohol.
5. paragraaf 13.2
5.1. recyclen
5.1.1. het proces waarbij afvalstoffen worden verwerkt tot nieuwe grondstoffen.
5.2. stofkringloop
5.2.1. een proces waarbij stoffen in de natuur steeds opnieuw worden gebruikt en hergebruikt.
5.3. levensloop
5.3.1. de levensduur van een product, vanaf de productie tot en met het einde van de levensduur.
5.4. atoomeconomie (binas tabel 37H)
5.4.1. Streven om zoveel mogelijk atomen uit de beginstoffen te hergebruiken in de moleculen van het beoogde reactieproduct
5.4.1.1. formule: Atoomeconomie = (Massa product / Massa beginstoffen) x 100%. Deze formule geeft de atoomeconomie weer, wat de verhouding is tussen het eindproduct en de oorspronkelijke beginstoffen. Het is een maatstaf om de hoeveelheid energie die nodig is om een bepaalde reactie te voltooien te bepalen. Atoomeconomie wordt vaak gebruikt om de efficiëntie van een chemische reactie te meten. Het is de verhouding van de massa van het eindproduct tot de massa van de beginstoffen. In het geval van deze formule, betekent dit dat je de massa van het eindproduct deelt door de massa van de beginstoffen en vermenigvuldigd met 100%, waardoor de atoomeconomie wordt uitgedrukt als een percentage.
6. paragraaf 13.3
6.1. energiebalans
6.1.1. een vergelijking van energiebronnen en energieverbruik om te bepalen of de balans van de energiehuishouding in evenwicht is.
6.2. warmtewisselaars
6.2.1. apparaten die warmte overdragen van de ene stroom naar de andere, waardoor de temperatuur van de stroom wordt gereguleerd.
6.3. energiehuishouding
6.3.1. het beheer van energiebronnen om energieverbruik en energieproductie op een optimaal niveau te houden.
6.4. syntheseroute
6.4.1. een stapsgewijze methode waarbij chemische stoffen worden samengesteld door middel van chemische reacties.
6.5. E-factor
6.5.1. een cijfer dat aangeeft hoeveel verontreinigde stoffen er worden geproduceerd bij een chemische reactie, in verhouding tot de geproduceerde verbruikte stoffen.
6.5.1.1. formule: E factor= [(massa beginstoffen - massa opbrengst product) / massa opbrengst product] x 100%. In de formule wordt de massa van de beginstoffen vermenigvuldigd met 100% en vervolgens afgetrokken van de massa van het eindproduct. De uitkomst moet dan worden vermenigvuldigd met de massa van het eindproduct. De E-factor geeft aan in hoeverre de reactie efficiënt is. Hoe hoger de E-factor, hoe efficiënter de reactie. Een hoge E-factor betekent dat er weinig materiaal verloren gaat in de reactie.
6.6. rendement
6.6.1. het verhoudingsgetal tussen de hoeveelheid energie die wordt geproduceerd en de hoeveelheid energie die wordt verbruikt.
6.6.1.1. formule: rendement= (werkelijke opbrengst / theoretische opbrengst) x 100%. De formule geeft het rendement van een bepaalde activiteit weer. Het is de verhouding tussen de werkelijke opbrengst en de theoretische opbrengst, uitgedrukt als een percentage. De werkelijke opbrengst is de hoeveelheid output die wordt geproduceerd, terwijl de theoretische opbrengst de hoeveelheid output is die wordt verwacht op basis van de investeringen. Het rendement wordt bepaald door de verhouding van de werkelijke opbrengst tot de theoretische opbrengst te vermenigvuldigen met 100%. Het rendement geeft aan hoe efficiënt de investeringen zijn gebruikt om de gewenste output te produceren.