1. zelfmanagement
1.1. Individuele vermogen van de cliënt om goed om te gaan met:
1.2. leefstijl aanpassingen
1.2.1. sociale consequenties
1.2.1.1. lichamelijke consequenties
1.2.1.1.1. behandeling
2. Behandeling
2.1. Herseninfarct, hersenbloeding of TIA
2.1.1. <- medicijnen
2.1.1.1. bloeddrukverlagers
2.1.1.1.1. Trandate
2.1.1.1.2. thiazide (plaspillen)
2.1.1.2. Plaatjesremmers
2.1.1.2.1. acetylsalicylzuur
2.1.1.2.2. carbasalaatcalcium
2.1.1.2.3. clopidogrel
2.1.1.3. antistolling
2.1.1.3.1. acenocoumarol
2.1.1.4. cholesterolverlagers
2.1.1.4.1. Statines
2.2. hersenbloeding
2.2.1. coilen of clippen van het verwijde bloedvat
2.2.2. operatief verwijderen, coilen of bestralen bij een misvormd bloedvat.
2.3. herseninfarct
2.3.1. Acute trombolyse
2.3.2. revalidatie
2.3.3. voorkomen
2.3.3.1. ECG (hartfilmpje)
2.3.3.1.1. echo bloedvaten in de hals
2.4. TIA
2.4.1. Zo snel mogelijk: CT scan en soms ook MRI scan
2.4.2. daarna: bloed onderzoek, ECG (hartfilmpje), Echo (duplex) van de bloedvaten in de hals en nogmaals een CT scan
2.4.3. sommige gevallen zijn de bloedvaten te ver dicht geslipt dat er geopereerd moet worden
2.4.4. door verwijzing: Cardioloog
2.4.5. na een TIA horen er geen klachten meer te zijn, heb je die wel dan is het een herseninfarct.
3. Soorten
3.1. Herseninfarct
3.1.1. Meest voorkomend 80%
3.1.1.1. Trombose
3.1.1.1.1. Embolie
3.2. Hersenbloeding
3.2.1. Lek in hersenbloedvat
3.3. Transien Ischmaemic Attack
3.3.1. Tijdelijk
4. Signalen
4.1. scheve mond
4.2. Verwarde spraak
4.3. Verlamde arm
5. succesfactoren
5.1. Cliënt kan een aanspraak doen op EVV' er
5.1.1. EVV= Eerst Verantwoordelijke Verzorgende
5.2. Cliënt beschikt over een individueel plan
5.2.1. zoals een zorgplan
5.3. De cliënt heeft toegang tot informatie op maat, relevante hulpmiddelen en weet op welke zorgverleners hij of zij een beroep kan doen.
5.3.1. Zorgverleners kunnen dus alle vragen beantwoorden van de cliënt, en zo ook beter zorg leveren.