Verstandelijke beperking (verstandelijke ontwikkelingsstoornis) oa Down-syndroom

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Verstandelijke beperking (verstandelijke ontwikkelingsstoornis) oa Down-syndroom Door Mind Map: Verstandelijke beperking (verstandelijke ontwikkelingsstoornis) oa Down-syndroom

1. Wat?

1.1. het is een ontwikkelingsstoornis die begint gedurende de ontwikkelingsperiode met beperkingen in zowel het verstandelijke als het adaptieve functioneren(conceptuele, sociale en praktische domeinen) (bron: fiche verstandelijke beperking)

1.1.1. Conceptuele vaardigheden: geheugen, taal, schoolse vaardigheden, geldbegrip.

1.1.2. Sociale vaardigheden: interpersoonlijk contact, zich houden aan regels, weerstand bieden aan negatieve beïnvloeding

1.1.3. Praktische vaardigheden: ADL, geldbeheer, participatie ah maatschap leven bijv. werken, zich verplaatsen

2. tastzin basisinformatiebron voor het leren

2.1. concreet niveau

2.2. vertrekken vanuit concrete handeling ( 5+5 vingers of 2x 5 vingers = 10 tot ze materiaal kunnen loslaten en abstract kunnen voorstellen)

3. DSM V classificatiecriteria - gebaseerd op zowel klinische beoordeling als gestandaardiseerde tests van verstandelijke en adaptieve functies (bron: fiche verstandelijke beperking)

3.1. Deficiënties in adaptief functioneren, die ertoe leiden dat de betrokkene niet kan voldoen aan de ontwikkeling- en sociaal-culturele standaarden van persoonlijke onafhankelijkheid en sociale verantwoordelijkheid ->getest door klinische beoordeling in combinatie met vragenlijst vr ouders, leerkrachten,.... (PEDI-NL)

3.2. Bovenstaande deficiënties beginnen gedurende de ontwikkelingsperiode

4. Gevolgen functioneren op de verschillende domeinen en evt. ET interventies (bron: fiche verstandelijke beperking)

4.1. Mate van ernst van de verstandelijke beperking wordt bepaald door de mate van adaptief functioneren en niet volgens IQ-scores!!

4.1.1. Licht (gemid ontwikkleeftijd 6-12J), (IQ 50-75)

4.1.1.1. Conceptueel Domein

4.1.1.1.1. voorschools: geen prob

4.1.1.1.2. schoolgaand : prob met lezen, schrijven, rekenen, klokkijken, geldbeheer,... Steun nodig

4.1.1.1.3. Volwassenen: beperking in abstract denken, exec fcts, korte termijngeheugen, prioriteiten stellen, funcioneel gebruik voorgaande schoolse vaardigheden,... Functioneren op niveau van kind

4.1.1.2. Sociaal domein

4.1.1.2.1. onvolwassen gedrag in sociale interacties

4.1.1.2.2. minder volwassen communicatie, taalgebruik

4.1.1.2.3. niet ontwikkeld sociaal oordelingsvermogen (lichtgelovigheid)

4.1.1.3. praktisch

4.1.1.3.1. persoonlijke verzorging oke

4.1.1.3.2. enige ondersteuningsnood complexe dagtaken (boodschappen doen, eten bereiden, beheer geld,...) en bij grootbrengen kinderen

4.1.1.3.3. functioneren øke in job zonder nadruk op conceptvaardigheden

4.1.1.3.4. nood aan ondersteuning bij organisatie vrije tijd en bij beoordelen eigen welzijn

4.1.1.4. ET interventie onder andere op vlak van..

4.1.1.4.1. doelbewust gebruik zintuigen

4.1.1.4.2. aanleren vaardigheden en ondersteuning vlak lezen rekenen, klokkijken, geldbeheer, schoolvaardigheden, complexe taken

4.1.1.4.3. aanleren spelvaardigheden

4.1.1.4.4. aanleren cognitieve vaardigheden en ondersteuning ef

4.1.1.4.5. ondersteuning complexe taken (huishouden, geldbeheer, ...)

4.1.2. Matig (gemid ontwikkleeftijd 4-6j) (IQ35-55)

4.1.2.1. Conceptueel domein

4.1.2.1.1. voorschools: taal en voorschoolse vaardigheden ontwikkelen zich langzaam

4.1.2.1.2. schoolgaand: langzaam ontwikkelen rekenen, lezen,...

4.1.2.1.3. volwassenen: basaal niveau schoolse vaardigheden. Volledige overname alledaagse conceptuele taken.

4.1.2.2. sociaal domein

4.1.2.2.1. communicatie minder complex als leeftijdsgenoten

4.1.2.2.2. wel in staat vriendschappen

4.1.2.2.3. inadequate interpretatie sociale signalen

4.1.2.3. praktisch

4.1.2.3.1. lange leerperiode nodig om te voorzien in persoonlijke behoeftes (eten, aankleden, hygiëne,...)

4.1.2.3.2. functioneren in job zonder nadruk op communicatie of conceptvaardigheden en met aanzienlijke ondersteuning

4.1.2.4. ET interventie oa op vlak van..

4.1.2.4.1. aanleren conceptuele vaardigheden

4.1.2.4.2. ondersteuning bieden schoolse vaardigheden, huishoudelijke taken, werkgerelateerde taken, vrijetijdstaken

4.1.2.4.3. Mediërende technieken (zelfinstructie, strategietraining, werkgeheugen training

4.1.2.4.4. zintuiglijke stimulatie

4.1.3. Ernstig (2-4jaar gemid ontwikkleeftijd) (IQ 20-40)

4.1.3.1. Conceptueel domein

4.1.3.1.1. beperkt vermogen om conceptuele vaardigheden te ontwikkelen (weinig begrip taal, getallen, geld, tijd,..)

4.1.3.2. Sociaal domein

4.1.3.2.1. gesproken taal beperkt, enkel één-woord zinnen met andere vormen van communicatie

4.1.3.2.2. Betrokkene begrijpt eenvoudige communicatie adv gebarentaal

4.1.3.3. praktisch

4.1.3.3.1. ondersteuningsnood vr alle dagelijkse activiteiten (maaltijden, wassen, stoelgang, ...

4.1.3.3.2. gedragsproblemen zoals automutilatie

4.1.3.4. ET interventie oa op vlak van ..

4.1.3.4.1. aanbieden van compensaties en hulpmiddelen

4.1.3.4.2. ondersteuning ADL, huishoudelijke taken, uitvoering job,...

4.1.3.4.3. zintuiglijke stimulatie

4.1.4. Zeer ernstig (grotere kans op bijkomende beperkingen op motorisch en zintuiglijk vlak) (Max ontwikkleeftijd 2 jaar) (IQ <25)

4.1.4.1. Conceptueel domein

4.1.4.1.1. conceptuele vaardigheden hebben betrekking op fysieke wereld en niet op symbolische processen

4.1.4.2. Sociaal domein

4.1.4.2.1. wensen worden grotendeels geuit door non-verbale, niet-symbolische communicatie

4.1.4.2.2. reactie op sociale interacties met gebaren , geluiden (brommen, grommen) en emotionele signalen(vaak lichaamstaal: agressief gedrag, gillen, automutilatie)

4.1.4.2.3. reageren niet of zwak op stimuli, vaak ook geen oogcontact

4.1.4.3. praktisch

4.1.4.3.1. afhankelijk van anderen voor alle aspecten van dagelijkse verzorging, gezondheid, veiligheid,...

4.1.4.3.2. vrijetijd plezier luisteren muziek, film, wandelen, snoezelen

4.1.4.3.3. motorisch vaak immobiel(bedlegerig) of ernstig beperkt

4.1.4.4. ET interventie oa op vlak van..

4.1.4.4.1. zintuiglijke stimulatie >dingen laten voelen (Sherborne, Snoezelen, klankschalen, dierenbeleving,...)

4.1.4.4.2. ondersteunende middelen voorzien voor non-verbale communicatie

4.1.4.4.3. concreet , op de fysieke wereld gerichte leersituaties (gaan fietsen wandelen, tekens aanleren voor wanneer bv honger heeft

4.1.4.4.4. (passief) bewegen blijft hier heel belangrijk

5. wat wordt verstaan onder intellectuele functies

5.1. VIQ, PIQ en TIQ

5.1.1. Verbaal IQ (VIQ)

5.1.1.1. meet talige intelligentie, zoals algemene kennis en verbaal redeneren

5.1.1.2. Opdracht waarbij het kind mondeling antwoord moet geven

5.1.2. Performaal IQ (PIQ)

5.1.2.1. meet niet-talige intelligentie, zoals visueel ruimtelijk inzicht

5.1.2.2. Opdracht waarbij het kind moet handelen

5.1.3. Totaal IQ-cijfer (TIQ)

5.1.3.1. zou weerspiegeling moeten zijn van algemene intelligentie, totaal cognitief vermogen.

5.1.3.2. Tegenwoordig veel kritiek omdat kinderen met zelfde IQ-score totaal verschillende profiel van zwaktes en sterktes kunnen hebben. ->zie CHC-model

5.2. CHC-model (Cattell-Horn-Caroll model) : gaat uit van de algemene structuur van intelligentie (hiërarchie van verschillende cognitieve vaardigheden) = een assessment van cognitieve sterktes en zwaktes (cognitief profiel)

5.2.1. Vloeiende intelligentie: Gf Fluid Intelligence

5.2.1.1. vaardigheid om te redeneren in nieuwe situaties of met onbekende materialen

5.2.1.2. aanpassen als opdracht veranderd wordt - aanpassingsvermogen

5.2.2. Gekristalliseerde intelligentie (Gc crystallized I)

5.2.2.1. de vaardigheid om zich de kennis die in de cultuur aanwezig is eigen te maken en toe te passen

5.2.2.2. weetkennis

5.2.3. werkgeheugen

5.2.3.1. Kortetermijngeheugen : Gsm , short term memory

5.2.3.1.1. de vaardigheid om gedurende korte termijn info vast te houden en te begrijpen

5.2.3.2. Langetermijngeheugen (Glr, long-term memory)

5.2.3.2.1. de vaardigheid om info op te slaan en terug te vinden op lange termijn

5.2.3.2.2. de vaardigheid om kwantitatieve concepten en hun relaties te begrijpen

5.2.4. Kwantitatieve intelligentie (Gq, quantitative

5.2.4.1. achtergrond

5.2.5. Visuele informatieverwerking (Gv)

5.2.5.1. de vaardigheid om visueel ruimtelijke stimuli waar te nemen, te verwerken en te begrijpen

5.2.5.2. achtergrond

5.2.6. Auditieve informatieverwerking (Ga)

5.2.6.1. de vaardigheid om auditieve patronen waar te nemen, te verwerken en te begrijpen

5.2.6.2. achtergrond

5.2.7. Verwerkingssnelheid (Gs) speed

5.2.7.1. de vaardigheid om eenvoudige taken vloeiend en snel uit te voeren

5.2.7.2. achtergrond

5.2.8. Reactiesnelheid (Gt) reacting speed

5.2.8.1. de vaardigheid om snel de juiste oplossing te vinden bij problemen

5.2.8.2. achtergrond

5.3. globale overgang naar CHC-model

6. Welke vormen van onderwijs?

6.1. Regulier onderwijs

6.1.1. zorgcontinuüm

6.1.1.1. fase 1: basisaanbod

6.1.1.1.1. gemeenschappelijk curriculum

6.1.1.2. fase 2: verhoogde zorg met aanpassingen

6.1.1.3. fase 3: uitgebreide zorg met meer aandacht

6.1.1.3.1. iac- individueel aangepast curriculum

6.1.1.4. www.prodia.be

6.2. Buitengewoon onderwijs

6.2.1. Basisaanbod (type 1 en 8) in geval lichte beperking

6.2.1.1. doelstelling in normale arbeidsmilieu terechtkomen

6.2.2. Type 2 in geval matige tot ernstige beperking

6.2.2.1. doelstelling is matig beschermd of ernstig beschermd arbeidsmilieu

6.2.3. als kind meer aangepaste zorg nodig heeft

6.3. zie taak Duchenne

6.4. als onderwijs geen optie is...

6.4.1. zinvolle dagbesteding

6.4.1.1. in multifunctionele centrum

6.4.1.2. reguliere arbeid met begeleiding van jobcoach

6.4.1.3. beschutte werkplekken

6.4.2. recreatie

6.4.2.1. G-sport

7. Hoe verloopt het leren (rekenen)?(normale ontwikkeling)

7.1. Algemene eigenschappen en vaardigheden

7.1.1. Taalbeheersing

7.1.2. Inzicht in verhouding van hoeveelheden, abstract voorstellingsvermogen

7.1.3. Voldoende capaciteit van werkgeheugen

7.1.4. Ruimelijk-Visuee inzicht / ruimtelijke begrippen

7.2. Wat is rekenen?

7.2.1. afhankelijk van neurale ontwikkeling

7.2.2. verloopt eerst via tastbare en zichtbare ervaring van hoeveelheden (bal is klein of groot, ..) = de verworven ervaring

7.3. Rekenkundige basisvaardigheden

7.3.1. één-één-relatie (elk voorwerp mag maar 1x geteld worden)

7.3.2. Seriatie (classificatie/logisch rangschikken)

7.3.3. Conservatie (hoeveelheid blijft behouden onafhank van de vorm)

7.4. Specifieke gevorderde rekenvaardigheden(verworven in stijgende lijn - tellen /doortellen/terug tellen/....)

7.4.1. Getalbegrip

7.4.2. Bewerkings- en leerstrategieën (=begrijpen hoe je te werk moet gaan)

7.4.3. Automatiseren(bewerkingen, sommen, resultaten)

8. Secundaire gedragskenmerken

8.1. bij licht tot matige beperking

8.1.1. ernstige leerachterstand

8.1.2. ongebrip uit omgeving

8.1.3. binnen gezin: stress, ruzies tussen ouders, Brussen voelen zich tekort gedaan

8.1.4. onzekerheid, angst en laag zelfbeeld

8.1.5. groter risico om gemanipuleerd of misbruikt te worden

8.2. bij ernstig of zeer ernstige beperking

8.2.1. deficiënties in de intellectuele functies (redeneren, probleemoplossing, plannen, abstract denken...), ->getoetst door afname IQ-test zoals Wechsler Intelligence scale for chrildren (WISC) en klinische beoordeling

8.2.2. vertonen vaker zelfbeschadigend gedrag

8.2.3. Zelfbeschadigende stereotiepe bewegingen : zich in gezicht slaan, herhaaldelijk met hoofd bonken,...

8.2.4. Niet - zelfbepalende stereotype bewegingen: ritmisch schommelen met lichaam, met de handen fladderen,..

9. Down-syndroom

9.1. vaak door extra chromosoom 21 (trisomie 21)

10. specifieke leer(reken)moeilijkheden bij Down

10.1. waarnemen: voor alle zintuigen maar vooral auditief (dus info visueel verstrekken)

10.2. gerichte aandacht en volgehouden aandacht

10.3. beperkt werkgeheugen (niveau 3-4 jarige)(kunnen info niet lang vasthouden om het te bewerken)

10.4. sequentieel denken, handelen, onthouden en oproepen =>automatiseren

10.4.1. bijv tafels uit hoofd kennen

10.5. bewerkings- en leer stategieën (begrijpen en onthouden hoe je te werk moet gaan)

10.5.1. op vingers tellen

10.5.2. optellen ipv aftrekken

10.5.3. gebruiken strategieën die enkel van jonge kinderen verwacht wordt

10.6. onthouden enkel 3 eenheden

10.7. zeer moeilijk voor Down

10.8. zie nog op www.stichtingscope.be

11. hoe leren (rekenen)met kinderen met Down?

11.1. vertrekken vanuit kind

11.2. vertrekken vanuit situatie die kind interesseert =>intrinsieke motivatie

11.3. kleine stapjes

11.4. voldoende tijd laten om te reageren!!!

11.5. automatisering bevorderen (uit het hoofd op en aftellen)

11.6. eenvoudige hulpmiddelen/ spelletjes gebruiken

11.7. verwoorden wat je doet (die toren is groter dan de jouwe, dit zijn minder kraaltjes dan deze ...)

11.7.1. kind stimuleren zelf te verwoorden

11.7.2. zo kan kind zijn taal verbeteren

11.8. benoem aantallen systematisch (alledaagse dingen) =>trappen tellen, aantal popjes,...

11.9. HANDELING, VISUALISATIE, VERWOORDING, AUTOMATISERING =>4 principes gevorderd rekenen!!!

11.9.1. Gal'perin

12. 15 principes van rekenen

12.1. 15 principes voor rekenen met Down - zie stichtingscope

13. begeleiding ET

13.1. functietraining

13.1.1. snoezelen

13.2. functionele/vaardigheidstraining

13.2.1. smog

13.2.2. zie hc

13.3. psychosociale educatie

13.4. aanpassing aan sociale en fysieke context