Aardrijkskunde

Plan your projects and define important tasks and actions

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Aardrijkskunde Door Mind Map: Aardrijkskunde

1. Klimaat

1.1. Stabiel

1.1.1. Gemiddelde toestand van het weer over een lange periode (30 jaar) op een groter gebied

1.2. microklimaat

1.2.1. omstandigheden op een zeer kleine schaal dat een andere toestand vertoont dan je op basis v/h normaal klimaat zou verwachten

2. De atmosfeer

2.1. Ontstaan

2.1.1. 4.5 miljard jaar geleden

2.1.2. 3 atmosferen

2.1.2.1. van waterstof en helium

2.1.2.2. van waterdamp en kooldioxide. Deze had een kleine hoeveelheid stikstof, ammoniak en andere gassen. Maar geen zuurstof

2.1.2.3. Ozonlaag --> bescherming tegen de zonnestraling

2.2. Opbouw

2.2.1. meer dan 400 km dik

2.2.2. onderverdeeld in verschillende lagen met allemaal een andere functie, samenstelling en temperatuuropbouw

2.3. Troposfeer

2.3.1. start aan ons aardoppervlak en loopt tot ongeveer 15 km hoogte

2.3.2. tropo = verandering: Het dagelijkse, veranderlijke weer wordt gevormd in deze troposfeer.

2.3.3. Temperatuur neemt af met toenemende hoogte ( tussen 10°C en -50°C

2.4. Straposfeer

2.4.1. Strato = gelaagdheid

2.4.2. start rond 15 km hoogte en loopt door tot ongeveer 50 km boven het aardoppervlak.

2.4.3. door absorptie van zonne-energie (UV licht) door zuurstof en ozon --> stijgt de temperatuur in de stratosfeer met toenemende hoogte

2.4.4. Ozonlaag

2.5. Mesosfeer

2.5.1. laag in de atmosfeer boven de stratosfeer

2.5.2. temperatuur neemt af met de hoogte

2.5.3. Meteorieten verbranden

2.6. thermosfeer en exosfeer

2.6.1. thermosfeer = laatste en bovenste laag van de atmosfeer en bereikt een hoogte van 450 km tot 800 km boven het aardoppervlak.

2.6.2. interplanetaire ruimte = exosfeer

3. Het weer

3.1. Veranderlijk

3.1.1. Toestand van atmosfeer op bepaalde tijdstip, plaats en of regio over een korte periode

3.2. Elementen

3.2.1. Neerslag, windrichting, temperatuur, bewolking,zonneschijn

3.3. KMI = Koninklijk Meteorologisch Instituut

3.4. Weerelement Instrument Eenheid Verwerking zonneschijnduur heliograaf uur isohelenkaart temperatuur thermometer °C isothermenkaart (tempertuurscurve) luchtvochtigheid hygrometer % grafiek bewolking schatting met oog / weerkaart wolkensoort determinatie met oog / weerkaart neerslag pluviometer l/m² of mm isohyetenkaart (neerslagdiagram) luchtdruk barometer hPa of mbar isobarenkaart windsnelheid anemometer km/u weerkaart windrichting windvaan of windroos windstreek windroosl

4. Weerselementen + eenheden

4.1. Temperatuur --> °C

4.1.1. Beinvloedt door

4.1.1.1. Breedteligging

4.1.1.2. Bestralingsduur

4.1.1.3. Hoogte

4.1.1.4. Orientatie en hellingsgtraad

4.1.1.5. wolken

4.1.1.6. zee

4.1.1.7. luchtcirculatie

4.1.1.8. zeestroming

4.2. Neerslag --> mm

4.3. Luchtdruk --> hPa

4.4. Windrichting --> Bft

4.5. Luchtvochtigheid --> %

5. Luchtdruk

5.1. Hoge en Lage druk

5.1.1. Het gewicht van de atmosfeer drukt op de aarde, de lichamen of voorwerpen er onder

5.1.2. NORMALE LUCHTDRUK =

5.1.2.1. 1013 hPa

5.1.3. ISOBAREN

5.1.3.1. L en H

5.2. Wind en luchtcirculatie

5.2.1. Als lucht opwarmt dan zet het uit waardoor het volume toeneemt. Wanneer lucht afkoelt dan krimpt het in en neemt het volume af.

5.2.2. De winden vormen dus een circulatiesysteem waarbij in de hogere luchtlagen de lucht van warm of lage druk naar koud of hoge druk gaat en aan het aardoppervlak de lucht van hoge druk naar lage druk gaat.

5.3. Regionale luchtcirculatie

5.3.1. In kustgebieden ontstaat er een lokale wind, anders dan de gewone circulatie. Door de ongelijke opwarming van land en zee zoals eerder gezien, waait er overdag een zeewind en 's nachts een landwind.

5.3.1.1. zelfde systeem op gebergten

5.4. Algemene luchtcirculatie

5.4.1. Door het rond draaien van de aarde ontstaan er verschillende circulatiecellen

5.5. Aan de polen

5.5.1. (H) door koude neerdalende lucht = polair maximum

5.6. Aan de evenaar

5.6.1. (L) door verticale stijgende opgewarmde lucht = equatoriaal minimum

5.7. Aan het subtropische maximum

5.7.1. Wind --> weg van de evenaar

5.7.2. FRONTON (botsingszone)

5.7.2.1. belangrijk vr/ht West-Europees weer

5.7.2.2. Lucht stijgt -> (L) subpolair minimum

5.7.3. Naar noorden: zuid west wind/ Naar zuiden: noord oost passaten

5.8. vanuit polair maximum

5.8.1. Naar zuiden: noord oost wind

5.8.2. Straal stomen = hevige wind van west naar oost op 15 km hoogte

5.9. Coriolis-effect

5.9.1. door aardrotatie

5.9.2. 1) naar evenaar weg = winden naar het oosten toe afgebogen

5.9.3. 2) naar evenaar toe = wind naar het westen toe afgebogen

6. Luchtvochtigheid en neerslag

6.1. Huidige atmosfeer (1) kometen, bestaande ijs kwamen op aarde terecht (2) leven op aarde "cyanobacterien" --> zuurstofproductie

6.2. Water en vormen neerslag

6.2.1. VAST: sneeuw, hagel, ijzel

6.2.2. VLOEIBAAR: mist, nevel, dauw, stromen

6.2.3. GAS: damp, stroom

6.2.4. (regencyclus)

6.3. Luchtvochtigheid

6.3.1. ABSOLUTE VOCHTIGHEID: massa waterdamp in een gegeven volume lucht -> afhankelijk van temp

6.3.1.1. gewenste waarde voor elk temperatuur -> verzadigde lucht

6.3.2. RELATIEVE VOCHTIGHEID: verhouding tussen absolute en maximale vochtigheid bij een gegeven temp

6.3.2.1. = 100% -> dauwpunt

6.4. Wolken

6.4.1. Cirrus = veegwolk

6.4.2. Stratus = aaneengesloten wolken

6.4.3. Cumulus = stapelwolk

6.4.4. Nimbus = natte wolk

6.4.5. Alto = voorvoegsel voor hoge wolken

6.5. Dauw en rijm

6.5.1. sublimatie van dauw = rijm

6.6. IJzel

6.6.1. regen op een opp dat onder het vriespunt is afgekoeld

6.7. Regen, sneeuw en hagel

6.7.1. IJskristallen

6.7.1.1. Smelten tijdens het vallen = regen

6.7.1.2. Vallen als vlokken = sneeuw

6.7.1.3. Ijskorrels bevriezen en blijven aangroeien = hagel

7. Fronton en depressie

7.1. Een front = overgangszone tussen 2 verschillende luchtsoorten

7.2. Warmtefront: rode lijn met bolletje

7.3. Koude luchtsoort dringt onder de warme luchtsoort

7.3.1. Koufront: blauwe lijn met driehoeken

7.3.2. Occlusiefront: paarse lijn met driehoeken en bolletjes

7.4. Het weer <-> fronten

7.4.1. (zie schets)

8. Het weerbericht

8.1. Weersymbolen

8.2. Het weer bij lage druk (L)

8.2.1. bewolking en neerslag

8.2.2. isobaren dicht bij elkaar = storm

8.2.3. windrichting is in tegenwijzerzin rondom de (L) kern

8.3. Het weer bij hoge druk (H)

8.3.1. zonnig en rustig weer

8.3.2. isobaren ver uit elkaar = rusting weer

8.3.3. windrichting is in wijzerzin rondom (H) kern