Tendensen in de orthopedagogische praktijk

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Tendensen in de orthopedagogische praktijk Door Mind Map: Tendensen in de orthopedagogische praktijk

1. mondig en actief ipv ondergeschikt en machteloos

2. krachtgericht werken : er is een sterke focus op eigen krachten

2.1. Emancipatie:

2.1.1. sociale emancipatie

2.1.1.1. streeft naar verbetering van de positie van mensen in een achtergestelde sociale positie

2.1.2. individuele emancipatie

2.1.2.1. verzetten tegen beperkende en neerbuigende opvattingen

2.1.2.2. mensen in hun krachten en hun talenten laten groeien

2.1.2.3. emancipatorische visie: doel gericht zijn op ontvoogding, bevrijding

2.2. Empowerment:

2.2.1. proces van versterking waarbij individuen, organisatie en gemeenschappen zelf greep krijgen op de eigen situatie en hun omgeving

2.2.2. de begeleider moet vooral kritisch zijn ten aanzien van zijn eigen rol als begeleider

2.2.3. ondersteuner die de cliënt zijn capaciteiten te versterken, positief aanmoedigt om eigen problemen op te lossen.

2.3. subsidiariteit

2.3.1. subsidiariteitsprincipe = minst ingrijpende maatregel eerst toepassen.

2.3.2. bv: een tandarts gaat eerst kijken of hij het gaatje kan vullen/ redden de laatste stap is pas de tand trekken

3. preventie

3.1. 3 niveaus

3.1.1. primaire preventie

3.1.1.1. voorkomen van problemen

3.1.1.1.1. bv: vaccinatie tegen Rubella

3.1.1.2. wegnemen van risicofactoren

3.1.1.3. mensen weerbaarder maken voor risicofactoren

3.1.1.4. gevolg= minder nieuwe problemen

3.1.2. secundaire preventie

3.1.2.1. er is een probleem = beperking, stoornis of een vos ontstaan

3.1.2.1.1. bv: het vroegtijdig signaleren van moeilijk hanteerbaar gedrag bij peuters of kleuters

3.1.2.2. proberen zo goed mogelijk te herstellen, genezen

3.1.2.3. voorkomen van verdere negatieve ontwikkeling door : opsporen, maatregelen voor een gunstige ontwikkeling

3.1.3. tertiaire preventie

3.1.3.1. voorkomen maar zonder nog te werken aan herstel of genezing

3.1.3.2. aan het probleem kan je niets meer doen maar probeer bijkomende problemen te voorkomen

3.1.3.3. overgebleven functies optimaal inzetten

3.2. negatieve neveneffecten

3.2.1. risico's van preventie ingrepen

3.2.2. angstiger wereld beeld, bewuster van risico's

3.2.3. minder tolerantie naar afwijkingen

3.2.3.1. bv: minder tolerantie naar geboorte van kinderen met het syndroom van down door vroegtijdige opsporing

4. vermaatschappelijking

4.1. Caritas/ liefdadigheid

4.1.1. christelijke naastenliefde

4.1.2. is een religieuze motivatie of zelfs verplichting

4.1.3. keerzijde: vaak het betuttelende en negatieve mensbeeld

4.2. integratie en normalisatie

4.2.1. VROEGER : begeleiders waren alleen terug te vinden in de jeugdbeschermingssector

4.2.2. er was sprake van een totale scheiding of separatie/ segregatie tussen de wereld en de voorziening

4.2.3. NU: minder grote voorzieningen / meer dagopvang

4.2.3.1. integratie : mensen met een handicap moeten mogelijkheid hebben om deel te nemen aan de samenleving

4.2.3.1.1. school

4.2.3.1.2. werk

4.2.3.1.3. vrij tijd : hobby's

4.2.4. meer zorg aan huis/ kleinere tehuizen dit zorgt voor meer huiselijke sfeer en normalisatie

4.2.4.1. normalisatie : zo normaal mogelijk maken van de levensomstandigheden van mensen met een handicap

4.3. netwerken

4.3.1. mantelzorg

4.3.1.1. hulp aan medemens vanuit reeds bestaande relaties

4.3.1.2. bv: ouders zorgt voor kind met handicap kind voor ouder met dementie buurman voor zieke buurvrouw

4.3.2. vrijwilligerswerk

4.3.2.1. hulp aan medemens buiten reeds bestaande sociale relatie

4.3.2.2. bv: het eetmoment begeleiden in het rusthuis voor dementerende

4.3.3. lotgenotencontact - zelfhulpgroep

4.3.3.1. contacten tussen mensen met dezelfde problemen

4.3.3.1.1. praten

4.3.3.1.2. informatie delen

4.3.3.1.3. herkenning en erkenning

4.3.3.1.4. besef van niet alleen te zijn

4.3.3.2. 0 de lijnzorg : niet professionele hulp, gratis door medeburgers, steeds meer aandacht hiervoor

4.3.4. community building/ community care

4.3.4.1. community building : verbondenheid met mensen die je nog niet kent zo ga je je netwerk vernieuwen

4.3.4.2. het vertrekt vanuit de sterktes en capaciteiten en individuen en wat ze elkaar te bieden hebben

4.3.4.3. community care : of vermaatschappelijking mensen zijn met elkaar betrokken en op elkaar kunnen rekenen als het moeilijker gaat.

4.3.4.4. als mensen verbonden zijn nemen ze ook zorg op voor elkaar

4.3.4.4.1. professionele zorg

4.3.4.4.2. vrijwilligerszorg

4.3.4.4.3. informele zorg

4.4. contextgericht werken

4.4.1. aandacht voor context van de cliënt

4.4.2. meer gezinsgerichte begeleiding: taak voor alle begeleiders

4.4.3. de leefgroep begeleiders nemen de begeleiding van het gezin op zich

5. digitalisering

5.1. mediawijsheid

5.1.1. media gebruiken om om begeleidingsdoelen te bereiken

5.1.2. bv: aftermovie van groepsactiviteit

5.1.3. media om te professionaliseren

5.1.4. bv: linken op vakkennis op te volgen

5.1.5. media gebruiken als voorbeeldrol

5.1.6. bv: facebook groep met vrijwilligers

5.2. zorgtechnologie

5.2.1. hulp middelen die mensen in hun dagelijks leven ondersteunen

5.2.2. en worden ingezet als begeleiding

5.2.3. bv: tovertafel voor mensen met dementie

5.3. online hulpverlening

5.3.1. online hulpverlening is bij heel wat diensten beschikbaar

5.3.2. als ortho begeleider is het ook belangrijk om in deze vorm van hulpverlenen te plaatsen

6. vraaggestuurd

6.1. vraaggestuurd

6.1.1. vraaggestuurd

6.1.1.1. besef dat niet iedereen integratie en normalisatie wilt

6.1.1.2. groeiend besef van nood aan in te gaan op vraag van de cliënt zelf

6.1.1.3. samenhangend met tendensen emancipatie en mensenrechten

6.1.2. persoonsvolgende financiering

6.1.3. vraaggestuurde zorg

6.1.3.1. hulpverleningsaanbod kritisch bekijken en afstemmen op wat de cliënt vraagt

6.1.3.2. evolutie aanbodgestuurd naar vraaggestuurd

7. Professionalisering

7.1. evidence-based werken

7.1.1. je moet altijd handelen op basis van bewijs je moet efficiënt werken

7.1.1.1. omschrijving en situering

7.1.1.1.1. uitvoering op basis van de beste beschikbare informatie over doelmatigheid en doeltreffendheid

7.1.1.2. informatiebronnen of vormen van evidence

7.1.1.2.1. wetenschappelijke onderzoek

7.1.1.2.2. ervaringen en inzichten professioneel

7.1.1.2.3. informatie van gebruiker

7.1.1.2.4. Ethische overwegingen/ 'agogie'

7.1.1.3. onzekerheden bij de 4 informatiebronnen/evidence

7.1.1.3.1. research based evidence

7.1.1.3.2. practice/ expert based

7.1.1.3.3. informatie van ontevreden gebruiker hangt af van:

7.1.1.4. kritiek op EBP

7.1.1.4.1. methode is te nieuw of te kleinschalig om onderzoekmatig te bewijzen

7.1.1.4.2. RISICO vooral aandacht voor dure buitenlandse "bewezen" opvoedingsprogramma's

7.2. zorginnovatie

7.2.1. de zorg is essentieel om onze zorg te blijven garanderen

8. economisering

8.1. beschikbaarheid van hulp

8.1.1. steeds toenemende zorgnoden en afname van opvang

8.1.2. de vergrijzing langere levensverwachtingen singels en tweeverdieners

8.2. betaalbaarheid van hulp

8.2.1. steeds stijgende budgetten naar zorg die steeds minder volstaan

8.3. vermarkting van de zorg

8.3.1. de trend om het welzijnszorg te privatiseren en te commercialiseren

8.3.2. in hand met de verschuiving van aanbodfinanciering naar vraagfinanciering of persoonsvolgende financiering

8.3.3. kansen: meer vrijheid en creativiteit

8.3.4. risico's nog meer ongelijkheid en de zwakste die volledig uit de boot vallen door de werking van de markteconomie

8.4. sociaal ondernemerschap

8.4.1. meer bewegingsvrijheid voor voorzieningen als ondernemer

8.4.2. voorheen gesubsidieerde voorzieningen worden sociale ondernemingen

8.4.3. steeds meer privé- alternatieve

9. diversiteit

9.1. culturele sensitiviteit

9.1.1. competent zijn om met etnische-culturele minderheden te gaan

9.1.2. 9 facetten van interculturele competentie

9.1.2.1. culturele zelfkennis

9.1.2.2. culturele flexibiliteit

9.1.2.3. culturele veerkracht

9.1.2.4. culturele ontvankelijkheid

9.1.2.5. culturele kennisverwerving

9.1.2.6. culturele relationele competentie

9.1.2.7. culturele communicatieve competentie

9.1.2.8. culturele conflicthantering

9.1.2.9. multiperspectiviteit

9.1.3. het verwijst naar algemene competenties waarbij rekening wordt gehouden als kennisverwerving dit noemen we XL-HULPVERLENING

9.2. superdiversiteit

9.2.1. diversiteit binnen de diversiteit

9.2.2. er zijn steeds meer bevolkingsgroepen in de samenleving

9.2.3. het is enorm gestegen de laatste jaren dat noemen we nu superdiversiteit

9.3. D4A/ Design for all

9.3.1. een open toegankelijke samenleving voor iedereen

9.3.2. mooi en functioneel voor een zo groot mogelijke groep

9.3.3. gelijkwaardigheid en volwaardig burgerschap

9.3.4. non discriminatie van personen met een handicap,

9.4. Universal Design for learning

9.4.1. toegepast in onderwijs : een flexibel en inclusieve onderwijscontext

9.4.2. opgebouwd rond 3 principes doel: iedereen kan deelnemen aan onderwijs

9.4.2.1. informatie aanbieden

9.4.2.2. actie en expressie

9.4.2.3. betrokkenheid

9.4.3. UDL :

9.4.3.1. Proactief te werk gaan

9.4.3.2. flexibel omspringen

9.4.3.3. onderwijs universeel toegankelijk maken

10. sectoroverschrijdende zorg

10.1. integraal beleid

10.1.1. hierdoor is er steeds meer vraag naar afgestemde sectoroverstijgende hulpverlening

10.1.2. de verschillende sectoren moeten gestimuleerd worden om elkaars werking te leren kennen en overleggen

10.1.3. bv: het sociaal huis huis van het kind project zorggezinnen

10.2. outreach tussen sectoren

10.2.1. voorzieningen gaan steeds meer werken met projecten buiten de muren van hun sector

10.2.2. advies en begeleiding opnemen

10.3. integrale jeugdhulpverlening

10.3.1. was een belangrijkste aanzet van het integraal welzijnsbeleid

10.3.2. wordt besproken in H5

10.4. organisatie van de zorg

10.4.1. VROEGER: aparte sectoren, aparte diensten, aparte specialisaties, aparte vormen van buitengewoon onderwijs

11. mensenrechten

11.1. inspraak

11.1.1. logisch als je aandacht wil voor emancipatorisch werken en rechten

11.1.2. verantwoordelijk en zelfredzaam kunnen opstellen ipv afhankelijk en volgzaam

11.1.3. actieve partner ipv passief

11.2. self-advocacy

11.2.1. beweging die er voor ijvert om mensen met een verstandelijke handicap voor zichzelf te laten opkomen

11.2.2. zijn eigen advocaat leren zijn.

11.3. recht op inclusie

11.3.1. mensen met een handicap zodanig omringen in een ondersteunend netwerk dat zij zonder voorwaarden

11.3.2. op hun eigen unieke wijze deel uit maken van de gewone samenleving

11.3.3. er is een verschil tussen inclusie en integratie

11.4. kwaliteit van leven/ QOL

11.4.1. is een principe van Shalock

11.4.2. het is een soort check list voor mensen met een beperking

11.4.3. ik heb recht op een kwalitatief leven

11.4.4. objectief en subjectief

11.4.5. wordt positief beïnvloed door zelfbepaling , hulpbronnen, levensdoel en gevoel van verbondenheid

11.4.6. meerdere dimensies dat bestaat als geheel om een kwalitatief leven te weerspiegelen

11.5. recht op ondersteuning

11.5.1. vanuit de VRPH wordt het recht van ondersteuning aangekaart, zoals het GRIP vzw

11.5.2. VRPH = verdrag inzake de rechten van personen met een handicap

11.5.3. GRIP = gelijke rechten voor iedere persoon met een handicap