Belevingsonderwijs

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Belevingsonderwijs Door Mind Map: Belevingsonderwijs

1. Film

1.1. Het is belangrijk om je af te vragen wat het leerdoel is van het filmpje dat je laat zien, omdat dat de effectiviteit van het laten zien van een filmpje verhoogd.

1.2. Denk goed aan de doelgroep waaraan je het filmpje laat zien! Dit komt omdat je niet een te kinderachtig filmpje moet laten zien aan ouderen en andersom werkt het laten zien van een complex filmpje aan een jongere doelgroep ook niet.

1.3. Denk om de taal. Veel filmpjes zijn Engelstalig en niet iedere leerling heeft een goede beheersing van het Engels.

1.4. Filmpjes moeten niet te lang duren en ten koste gaan van de rest van de les. Het liefst een filmpje waarin het zo snel en duidelijk mogelijk uitgelegd wordt.

1.5. Er moet een duidelijke relatie met de leerstof zijn.

2. Concretiseren P. 153 - 158 Handboek vakdidactiek AK

2.1. Visualiseren

2.1.1. Visualiseren is een belangrijke manier om lln te motiveren voor het vak Aardrijkskunde. Beelden spreken letterlijk tot de verbeelding.

2.1.2. Beelden helpen leerlingen zich te oriënteren: Als je veel met beelden werkt gaan leerlingen de processen op de afbeeldingen herkennen en toekennen aan locaties op de wereld.

2.1.3. Een klas bestaat uit veel verschillende leerlingen. Deze leerlingen hebben allemaal verschillende leerstijlen. Visualiseren met een ondersteunend verhaal is een middel om in te spelen om verschillende leerstijlen

2.2. Personaliseren

2.2.1. Personaliseren kan een handig middel zijn om leerlingen zich te laten identificeren met een relatief onbekende situatie. Het is vooral nuttig wanneer er sprake is van een totaal andere context, dan de eigen wereld. Je kan hier leuke spelletjes bij bedenken, zoals een rollenspel.

2.3. Kwantificeren

2.3.1. Kwantificeren kan a.d.h.v. cijfers in grafische verwerkingen. Er zijn verschillende toepassingen. Het analyseren van beelden en cijfers is ook een belangrijke vaardigheid voor eind examenkandidaten

2.3.1.1. Staafdiagram

2.3.1.2. Lijndiagram

2.3.1.3. Blokdiagrammen

2.3.1.4. Infographic

2.3.1.5. Fact sheet

2.3.1.6. Stippendiagram

2.4. Actualiseren

2.4.1. Aardrijkskunde is als vak sterk verbonden met de actualiteit. Veel processen uit de onderwijsmodules zie je terug in het dagelijks nieuws. Met behulp van een digiboard, of uitgeprinte artikelen kun je de leerlingen laten zien dat Aardrijkskunde heel relevant is.

2.4.1.1. Bronnen voor actualiteiten

2.4.1.1.1. Het Journaal

2.4.1.1.2. Kranten

2.4.1.1.3. Tijdschriften

2.4.1.1.4. Youtube

2.5. Simuleren

2.5.1. Simuleren is het nabootsen van een werkelijke situatie. Dit kan bijvoorbeeld door het spelen van een spel.

2.5.1.1. Simulatiespel

2.5.1.2. Rollenspel

2.5.1.3. Games

2.5.1.4. Proefjes

2.5.1.5. Demonstraties

3. Bronnen P.147 en P. 152 -Handboek vakdidactiek

3.1. Soorten bronnen

3.1.1. Bronnen met een symboolkarakter

3.1.1.1. modellen

3.1.1.1.1. diagrammen

3.1.2. Bronnen met een handelingskarakter

3.1.2.1. Een rollenspel spelen

3.1.2.1.1. Een experiment uitvoeren i/d klas

3.1.3. Bronnen met een kijkkarakter

3.1.3.1. Foto

3.1.3.1.1. Film

3.2. Bronnen en de fasen van het leerproces

3.2.1. Bronnen zijn handig om de aandacht van leerlingen te krijgen en om de leerlingen te motiveren voor de les

3.2.2. Bronnen zijn nuttig ter ondersteuning van de klassikale les

3.2.3. Bronnen kunnen een waardevolle inbreng hebben bij de verwerkingsfase: Je kunt opdrachten maken rondom bronnen, zodat de leerlingen kunnen oefenen met de lesstof

3.2.4. Bronnen zijn ook zeer geschikt voor toepassingsopdrachten

3.2.5. Bronnen kunnen ingezet worden op toetsen. Je kunt er dan vragen bij zetten en de leerlingen iets laten verklaren. Vooral bij fysische toetsen is dit erg belangrijk.

3.3. Doelen van bronnen

3.3.1. Er zijn een hoop begrippen die leerlingen nog nooit zelf gezien hebben in het echt. Niet iedereen heeft ooit een vulkaan, of zelfs een berg gezien. Een plaatje van de opbouw van de aarde kan helpen om leerlingen een voorstelling van iets te laten maken.

3.3.2. Bronnen kunnen het denkproces activeren. Je kan de leerlingen stimuleren om de lesstof te verbinden aan bijvoorbeeld plaatjes. Dit is leuk om te doen met geografische begrippen!

3.3.3. Je kunt wereldwijde processen, zoals verwoestijning of immigratie hiermee verduidelijken.

3.3.4. Het vormen van een correcte beeldvorming over de ligging en lokalisatie van verschijnselen rondom de globe.

3.4. Soorten beeldende bronnen

3.4.1. Een natuurgetrouw beeld: Dit is een realistisch beeld van de werkelijkheid. Je kunt zelfgemaakte foto's inzetten, of beelden van Google Afbeeldingen lenen.

3.4.2. Een structuurgetrouw beeld: Dit is een eenvoudig beeld van de werkelijkheid. Zoals een geschetste meanderafsnijding.

3.4.3. Een analoog beeld: Voorbeelden van analoge beelden zijn bijvoorbeeld grafieken, tabellen, diagrammen, etc.

3.5. Analyse van bronnen

3.5.1. Lokaliseren

3.5.1.1. Je kunt de leerlingen vragen om te beoordelen waar het verschijnsel zich voordoet.

3.5.2. Beschrijven

3.5.2.1. In de praktijk betekend dit dat je de leerlingen bijvoorbeeld vraagt welke geografische begrippen je kunt koppelen aan de getoonde foto's.

3.5.3. Verklaren

3.5.3.1. Verklaren is ingewikkelder dan lokaliseren en beschrijven voor leerlingen. Dit levert bijvoorbeeld een vraag op zoals: Waarom het verschijnsel zich op de foto zich voordoet.

3.5.4. Beoordelen

3.5.4.1. Leerlingen beoordelen of het verschijnsel op de foto gewenst is.

3.5.5. Toepassen

3.5.5.1. Toepassen is het hoogste niveau. Het is een uitdaging om de kennis toe te passen in andere situaties. Leerlingen kunnen a.d.h.v. beelden gevraagd worden waar zich het verschijnsel nog meer voor doet.

4. Foto's & Films. P159 - P160 Handboek vakdidactiek AK

4.1. Foto's en beelden zeggen vaak meer dan duizend woorden en de meeste methoden m.b.t. aardrijkskundig onderwijs zijn ook voorzien van veel beeldmateriaal. Maar de foto's moeten wel aan een aantal eisen voldoen als je ze wilt inzitten in de klas.

4.1.1. Het fenomeen op de foto moet herkenbaar zijn

4.1.2. De foto dient zo actueel als mogelijk te zijn

4.1.3. Het helpt wanneer er referentiepunten te zien zijn, waarmee leerlingen afstanden op de foto kunnen inschatten

4.1.4. Er moeten meerdere vragen gesteld kunnen worden als je een foto laat zien. Het is weinig zinvol om een afbeelding te laten zien waarbij je een enkele vraag kan stellen.

4.1.5. Het is handig als er herkenbare elementen zitten in de foto die kunnen leiden tot een identificatie, zoals de aanwezigheid van mensen.

4.1.6. Ondertitels en evt. bijschriften kunnen al heel veel verraden en er voor zorgen dat leerlingen niet meer hoeven te analyseren, dus bij voorkeur een foto met zo weinig mogelijk info. Laat de leerlingen speuren!

4.2. Toepassingsvormen voor i.d. klas

4.2.1. Vragen bedenken en stellen

4.2.2. Alleen "Ja" en "Nee"

4.2.3. Wat zit er achter het frame?

4.2.4. Fotopuzzel

4.2.5. Opbouwen van een verhaal

4.2.6. Veranderende omstandigheden

4.2.7. Krantenkoppen schrijven

4.2.8. Praatballonnen

4.2.9. Echte achtergronden

4.2.10. Links en relaties

4.2.11. Memory

4.2.12. Vreemde eend in de bijt

4.2.13. Serie foto's van een plaats

4.3. Bronnen voor foto's

4.3.1. Google

4.3.2. Yahoo

4.3.3. Krantenknipsel

4.3.4. ANP

4.3.5. Corbis

4.3.6. Lineair

4.4. Cartoons

4.4.1. Een cartoon is een vaak grappige tekening die een mening bevat. Ze zien er in eerste instantie grappig uit, maar er ziet meestal een serieuze boodschap in. Hij is gemaakt door de tekenaar om de kijker zelf te laten nadenken over een actueel onderwerp naar keuze. Hierom is de cartoon uiterst geschikt om in te zetten in het onderwijs.

4.5. Grafieken en diagrammen

4.5.1. In het Aardrijkskundig onderwijs worden vaak blokdiagrammen gebruikt, omdat die een beeld geven van bijvoorbeeld een vulkaan. Je kan het op twee manieren inzetten, tijdens een uitleg, maar je kan de leerlingen zelf ook grafieken en diagrammen laten maken. Let er wel op dat de gegevens relevant, zijn kloppen en dat de schaalverdeling in orde is!

5. Multi sensorisch onderwijs

5.1. Multi sensorisch onderwijs speelt in op een aantal verschillende zintuigen (Handboek voor leraren P. 47):

5.1.1. Het gezichtsvermogen

5.1.1.1. Je kunt hier in op inspelen, door leerlingen beeldmateriaal te tonen, zoals filmpjes en plaatjes.

5.1.2. Het gehoor

5.1.2.1. Je kunt inspelen op het gehoor van lln door ze bijvoorbeeld muziek te laten beluisteren. Vervolgens kun je de lln de muziek laten koppelen aan bijv landen.

5.1.3. De reukzin

5.1.3.1. Door lln te laten ruiken aan goedjes kun je de opname in het langetermijngeheugen bevorderen.

5.1.4. De smaakzin

5.1.4.1. Het is vaak leuk en spannend om onbekende producten te proeven en het zorgt ervoor dat je iets sneller onthoud.

5.1.5. Tastzin

5.1.5.1. Middels een grabbelton kun je lln goed laten nadenken, over producten die ze wel kunnen voelen, maar niet kunnen zien.

5.2. Meervoudige intelligentie volgens Howard Gardner (Effectief leren P. 154):

5.2.1. Volgens Howard Gardner zijn er meerdere intelligenties. Heden ten dage besteed men op scholen over het algemeen aandacht aan enkele intelligenties, maar het loont om de overige intelligenties te ontwikkelen gedurende lessen. De volgende intelligenties bestaan volgens Howard Gardner:

5.2.1.1. Verbaal-linguïstisch: Gaat vooral over woorden en teksten. Kun je in lessen terug laten komen door lln bronnen te laten besturen, of te debateren.

5.2.1.2. Logisch mathematisch: Rekenen is hier een belangrijk onderdeel van. Fysische geografie leent zich op een aantal onderdelen goed voor rekenen, zoals het maken van een berekening over het afnemen van de temperatuur bij stijging.

5.2.1.3. Visueel-Ruimtelijk: Gaat over beelden. Je kunt deze intelligentie voeden, door de leerlingen ook beelden te tonen, zoals foto's en filmpjes van geografische verschijnselen.

5.2.1.4. Muzikaal-ritmisch: Leerlingen met een goed gevoel voor ritme en muzikale interesses kunnen baad hebben bij muzikale invloeden in de lessen. Op het gebied van sociale geografie en cultuur kun je hier veel mee, zoals bijvoorbeeld een spel waarin leerlingen volksliederen koppelen aan de vlaggen van landen.

5.2.1.5. Lichamelijk-kinesthetisch: Gaat over bewegen. Je kunt hiermee veel kanten uit, zoals fysieke les activiteiten. Je kunt geografische processen uitbeelden m.b.v. elkaar, zoals de loop van een rivier.

5.2.1.6. Naturalistisch: Deze intelligentie is bij uitstek geschikt voor aardrijkskunde, want dit vak gaat voor een groot deel over de natuur. Je kunt hier met veldwerk veel kanten mee op,zoals een excursie door de natuur.

5.2.1.7. Interpersoonlijk gaat over lln die sociaal zijn en graag samenwerken. Je kunt hier vele kanten mee op en samenwerken loont vaak, want leerlingen leren bijvoorbeeld uitstekend wanneer ze een ander iets uitleggen!

5.2.1.8. Intrapersoonlijke leerlingen werken liever individueel en in stilte. Je doet er goed aan om af te wisselen tussen groeps- opdrachten en individuele opdrachten.

6. Eigen omgeving

6.1. De eigen omgeving is zeer interessant voor de aardrijkskundelessen volgens Handboek vakdidactiek P. 234 - 239 want:

6.1.1. Het sluit aan bij de belevingswereld van de leerlingen, want ze groeien hier op en spenderen de vrije tijd in dit gebied.

6.1.2. Veel algemene geografische begrippen uit de lesmodule zijn van toepassing op de eigen omgeving. De Geo heeft in het 1 VWO boek zelfs een hoofdstuk besteed aan veldwerk in de eigen omgeving.

6.1.3. Je kunt m.b.t. het schaalniveau vele kanten op: de directe omgeving, een straat, buurt, dorp/stad, etc.

6.1.4. Er spelen vaak maatschappelijke kwesties die interessant zijn voor aardrijkskunde, zoals arm en rijk.

6.1.5. Het behandelen van de eigen omgeving sluit aan bij een aantal kerndoelen van aardrijkskunde op het gebied van:

6.1.5.1. Kennis

6.1.5.2. Inzicht

6.1.5.3. vaardigheden

6.1.5.4. houdingen

6.2. Je volgens handboek vakdidactiek P.240 met veldwerk de fysische en sociale kant van aardrijkskunde belichten

6.2.1. Sociaal

6.2.1.1. Leerlingen kunnen interviews houden met bewoners

6.2.1.2. Leerlingen kunnen enquêtes organiseren in het projectgebied.

6.2.1.3. Leerlingen kunnen onderzoek doen naar bouwstijlen en bijbehorende perioden.

6.2.2. Fysisch

6.2.2.1. Grondboren

6.2.2.2. Determineren van grondsoorten

6.2.2.3. Kaartlezen

6.2.2.4. Onderzoeken van relief

6.3. Je kan de school ook als omgeving beschouwen en de lln hier veldwerk laten uitvoeren, bijvoorbeeld enquêtes

6.4. Er zijn verschillende soorten veldwerk volgens het Handboek Vakdidactiek Aardrijkskunde P. 243:

6.4.1. Het trajectmodel/fieldteaching

6.4.1.1. Je kunt met een fiets (of als de middelen toereikend zijn met de bus) langs een aantal locaties. De docent geeft tijdens deze reis uitleg over bijvoorbeeld het landschap. Je kunt het leerproces inzichtelijk maken, door opdrachten te verstrekken aan de lln.

6.4.2. Probleem/oplossend veldwerk

6.4.2.1. Leerlingen gaan onderzoek doen naar een bepaald probleem en doen dit volgens de wetenschappelijke methode: Vooraf nadenken over vragen.

6.4.3. Terreinmodel/fieldwork

6.4.3.1. De leerling gaat alleen of in een groepje op pad om data ter verzamelen en als belangrijk kenmerk is er na het onderzoek een oplevering van een product. Dit product kan bestaan uit afbeeldingen, middelen, grafieken, etc.

6.4.4. Het veldwerk heeft volgens het handboek vakdidactiek een aantal belangrijke doelen:

6.4.4.1. Affectieve: Er is vaak een samenwerking met andere leerlingen

6.4.4.2. Sociale: Voor bijvoorbeeld het uitvoeren van enquêtes en/of het houden van interviews moeten leerlingen contact maken met mensen.

6.4.4.3. Psychomotorische: Het uitvoeren van een grondboring vereist een zekere techniek.

7. De prefontale cortex uit Peters Westerveen P.334-337

7.1. Cognitieve vaardigheden

7.1.1. Probleemoplossend denken

7.1.2. analyseren

7.2. Non-cognitief

7.2.1. Samenwerken

7.2.2. luisteren

8. Spellen

8.1. Het spelen van spellen met leerlingen kent naast voordelen ook een aantal nadelen, aandachtspunten en een aantal zaken om rekening mee te houden:

8.1.1. Het kost relatief veel tijd om uit te voeren en om te ontwikkelen. Er gaat dus veel tijd in de voorbereiding zitten.

8.1.2. Een spel is competitief, soms kan dit te ver gaan.

8.1.3. Je dient te denken aan het klassenmanagement. Er moet ten alle tijden een veilig en ordelijk klimaat zijn.

8.1.4. Wat zijn de leerresultaten? Deze kunnen vaak wel aanwezig zijn, maar ze zijn moeilijk om te meten en om inzichtelijk te maken.

8.2. Voordelen van het spelen van spellen met leerlingen volgens Peter Westerveen 2010 P. 334-337:

8.2.1. Spellen spelen bevorderd de creativiteit

8.2.2. Zet leerlingen aan tot het maken van analyses

8.2.3. Vraagt soms om samenwerking en dwingt lln te luisteren naar klasgenoten

8.3. Leerspellen zijn nuttig want:

8.3.1. Je kunt hierdoor kennis opdoen

8.3.2. Spellen kunnen helpen om leerstof te herhalen

8.3.3. Je kunt de kennis toepassen (T van OBIT)

8.3.4. Voorbeelden van leerspellen die ik met lln kan spelen:

8.3.4.1. Kwartet

8.3.4.2. Domino

8.3.4.3. Memory

8.3.4.4. Puzzel

8.3.4.5. Triviant

8.4. Rollenspellen

8.4.1. Probleemsituatie (aanvullen met actoren!)

8.4.2. Standpunten

8.4.3. Belangen

8.4.4. Wat is de wenselijke uitkomst

8.4.5. Rollen

8.5. Simulatiespellen (dienen realistisch te zijn, zodat de werkelijkheid nagebootst is)

8.5.1. Beslissingen

8.5.2. Consequenties

8.5.3. Proces

8.5.4. Structuur

8.5.5. Tekenen

8.5.6. Theater