Scheikunde

Scheikunde conceptmap

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Scheikunde Door Mind Map: Scheikunde

1. Stoffen

1.1. Moleculen

1.1.1. Verschillende atomen

1.1.1.1. Metalen

1.1.1.1.1. Metaal atomen

1.1.1.2. Moleculaire stoffen

1.1.1.2.1. Niet metaal atomen

1.1.1.3. Zout

1.1.1.3.1. Niet metaal atoom

1.1.1.3.2. Metaal atoom

1.1.2. Dezelfde atoom

1.1.2.1. Element

1.2. Ionen

1.2.1. Ontstaan ion

1.2.1.1. Elektron opnemen

1.2.1.1.1. Negatief ion

1.2.1.2. Elektron afstaan

1.2.1.2.1. Positief ion

1.3. Soorten ionen

1.3.1. Enkelvoudig

1.3.1.1. Ionen die uit één soort atoom bestaan

1.3.2. Samengesteld

1.3.2.1. Geladen deeltje dat uit meerdere atoomsoorten bestaat

2. Berekenen

2.1. Mol

2.2. Ph

2.2.1. Maat voor de relatieve sterkte van zuren en basen in waterige oplossing

2.2.1.1. pH of pOH

2.2.1.1.1. pOH = -log[OH-]

2.2.1.1.2. pH = -log[H+]

2.2.1.2. Concentartie Zuur of Base

2.2.1.2.1. [H+] = 10-pH

2.2.1.2.2. [OH-] = 10-pOH

2.3. Juiste significantie

2.3.1. Hoeveelheid getallen in je eind-antwoord

3. Kennis

3.1. Correct gebruik binas

3.1.1. Zuren en basen (Tabel 49)

3.1.1.1. Linker colom is zuur

3.1.1.2. Rechter colom is base

3.1.2. Zuur-basa-indicatoren (Tabel 52 A)

3.1.3. Zouten in water (Tabel 45 A)

3.1.4. Formules en hun namen (Tabel 66 B)

3.1.5. Periodiek systeem

3.1.5.1. Metalen

3.1.5.1.1. Vakje zijn geel

3.1.5.2. Metalloïde

3.1.5.2.1. Vakje zijn blauw

3.1.5.3. Niet-metalen

3.1.5.3.1. Vakjes zijn rood

3.1.5.4. Verticaal

3.1.5.4.1. Groepen

3.1.5.5. Horizontaal

3.1.5.5.1. Perioden

3.2. Structuurformules

3.3. Molecuulformules

3.4. Systematisch naamgeven

3.5. Atomen

3.5.1. Atoomkern

3.5.1.1. Neutronen

3.5.1.1.1. Geen lading

3.5.1.2. Protonen

3.5.1.2.1. Positief

3.5.2. Elektronenschil

3.5.2.1. Elektronen

3.5.2.1.1. Negatief

3.6. Bindingen

3.6.1. Elektrovalentie

3.6.1.1. Ion-binding

3.6.1.1.1. Verschil elekgronegativiteit groter dan 7

3.6.1.2. Polair

3.6.1.2.1. Verschil elektronegativiteit groter dan 0,4 en kleiner dan 1,7

3.6.1.3. Apolair

3.6.1.3.1. Neutraal geladen molecuul (verschil elektronegativiteit kleiner dan 0,4)

3.6.2. Vanderwaalsbinding

3.6.2.1. Zwakke binding tussen moleculen (intermoleculair)

3.6.3. Waterstofbrug

3.6.3.1. Binding tussen OH en NH groepen (intermoleculair)

3.6.4. Metaalbinding

3.6.4.1. Binding tussen atomen (ionen) van zwak elektronegatieve elementen (moleculair)

3.6.5. Atoombinding

3.6.5.1. Binding tussen atomen doormiddel van gemeenschappelijke elektronenparen (moleculair)

4. Reacties

4.1. Oplosreactie

4.1.1. Neerslagreactie

4.1.1.1. Twee goed oplosbare zouten vormen samen een slecht oplosbaar zout

4.1.2. Oplossing

4.2. Verbrandingsreactie

4.2.1. Voornamelijk exotherme reacties tussen een brandstof en een oxidator waarbij warmte en licht ontstaat

4.3. Evenwichtsreactie

4.3.1. Een reactie die twee kanten op werkt, zulke reacties eindigen niet

4.4. Ontledingsreactie

4.4.1. Opsplitsen van een stof in samenstellende delen

4.5. Exotherm/Endotherm

4.5.1. Exotherm

4.5.1.1. Reactie waarbij energie vrijkomt, vaak in de vorm van warmte

4.5.2. Endotherm

4.5.2.1. Reactie waarbij energie ontrokken word van de omgeving

5. scheidingsmethoden

5.1. Filtreren

5.1.1. Het tegenhouden van onzuivere (grotere) deeltjes uit een mengsel

5.1.1.1. Filtraat

5.1.1.1.1. Overblijfsel

5.1.1.2. Residu (onzuiver deeltjes)

5.2. Bezinken

5.2.1. Mengsel van een vaste, niet-oplosbare stof en een vloeistof, de vaste stof zinkt naar de bodem

5.3. Indampen

5.3.1. Het verdampen van een oplosmiddel waardoor bepaalde stoffen uit een mengsel neerslaan (de droge vaste stoffen blijven altijd over)

5.3.1.1. kookpunt

5.3.1.2. kooktraject

5.4. Destillatie

5.4.1. Scheiding van vloeibare verbindingen op basis van kookpunt

5.4.1.1. destilaat

5.5. Extraheren

5.5.1. Vloeistof van bijvoorbeeld een vaste stof scheiden

5.5.1.1. extractiemiddel

5.6. Adsorptie

5.6.1. Het hechten van een niet vaste stof aan een vaste stof

5.6.1.1. adsorptiemiddel

5.7. Chromatografie

5.7.1. Een scheidingsmethode waarbij je vloeistof- of gasmengsels scheidt door ze met behulp van een (andere) vloeistof of gas over een adsorberende kolom te leiden

5.7.1.1. rf-waarde

6. Zuren & Basen

6.1. Zuur

6.1.1. Vloeistof met een pH-waarde onder de 7

6.1.1.1. zuur + H2O → H3O+ + zwakke base

6.1.1.1.1. Hoe hoger de concentratie H30+ hoe lager de pH

6.2. Base

6.2.1. Vloeistof met een ph waarde boven de 7

6.2.1.1. base + H2O → OH- + zwak zuur

6.2.1.1.1. Hoe hoger de concentratie OH- hoe hoger de pH

6.3. Sterk of zwak

6.3.1. Zuur

6.3.1.1. Sterk

6.3.1.1.1. Boven H30+

6.3.1.2. Zwak

6.3.1.2.1. Onder H3O+

6.3.2. Base

6.3.2.1. Sterk

6.3.2.1.1. Onder OH-

6.3.2.2. Zwak

6.3.2.2.1. Boven OH-

7. Evenwicht ontstaat als er een zwakke base of een zwak zuur reageert

8. Systematische naamgeving

8.1. Vertakt alkaan

8.1.1. alkylgroepen

8.1.1.1. stam + yl

8.2. alkenen

8.2.1. uitgaan is -een

8.2.2. plaats dubbele binding wordt aangegeven door een cijfer

8.2.3. algemene formule --> CnH2n

8.3. alkadieen

8.3.1. 2 dubbele bindingen in het molecuul

8.3.2. algemene formule --> CnH2n-2

8.4. alkynen

8.4.1. koolwaterstof met 1 drievoudige binding

8.4.2. uitgang is -yn

8.4.3. algemene formule --> CnH2n-2

8.5. cycloalkaan

8.5.1. voorvoegsel is cyclo-

8.5.1.1. algemene formule --> CnH2n

8.5.2. cycloalkenen

8.5.2.1. algemene formule --> CnH2n-2

8.6. aromaten

8.6.1. benzeenring

8.6.2. voorvoegsel is fenyl

8.7. stappenplan

8.7.1. 1. zoek de langste onvertakte keten -> de hoofdketen

8.7.2. 2. Beslis de zij-groepen (karakterieke groepen)

8.7.3. 3. Pak tabel 66D (binas) en kijk welke naam de hoofdketen heeft

8.7.4. 4. Benoem de uitgang (-aan, -een, -yn

8.7.5. 5. Benoem de zij-groepen (voor- of achtervoegsel)

8.7.6. 6. Bepaal de plaats van de zij-groep -> houdt de nummering zo laag mogelijk

8.8. telwoorden

8.8.1. mono - een

8.8.2. di - twee

8.8.3. tri- drie

8.8.4. tetrs- vier

8.8.5. penta- vijf

8.9. karakteristieke groepen

8.9.1. halogeenverbindingen

8.9.1.1. altijd een zijgroep

8.9.1.2. als de zijgroep Cl aan het molecuul is dan heet de zijgroep chloor-

8.9.2. ethers

8.9.2.1. nooit een hoofdgroep

8.9.2.2. -C-O-C- groep

8.9.2.3. C-atoom uitsluitend H-atomen en/of alkylgroepen zijn. Gaat het om ethers die lijken op alkanen

8.9.2.3.1. alkoxyalkanen

8.9.3. alcoholen

8.9.3.1. koolstof verbinding waarin een -OH groep (hydroxylgroep) als groep voorkomt

8.9.3.2. gevormd door homologe reeks alkanolen

8.9.3.3. achtervoegsel -ol

8.9.3.4. voorvoegsel is hydroxy-

8.9.4. Fenolen

8.9.4.1. -OH groep als karakteristieke groep direct gebonden is met een benzeenring

8.9.4.2. achtervoegsel -ol

8.9.4.3. voorvoegsel hydroxy-

8.9.5. aldehyden

8.9.5.1. staat altijd aan het eind van de C-keten

8.9.5.2. C-atoom wordt meegeteld in de hoofdketen

8.9.5.3. achtervoegsel -al

8.9.5.4. Niet de hoofdgroep? -> voorvoegsel -oxo

8.9.5.5. -C=O groep

8.9.6. ketonen

8.9.6.1. aceton is een keton

8.9.6.2. tussen 2 C-atomen

8.9.6.3. achtervoegsel -on

8.9.6.4. Niet de hoofdgroep? -> voorvoegsel -oxo

8.9.6.5. -C=O groep

8.9.7. carbonzuren

8.9.7.1. C-atoom wordt meegeteld in de hoofdketen

8.9.7.2. achtervoegsel - zuur

8.9.7.2.1. is dat niet mogelijk? dan is achtervoegsel - carbonzuur

8.9.7.3. -COOH groep

8.9.8. Aminen

8.9.8.1. NH2 groep

8.9.8.2. is het de hoofdgroep? -> achtervoegsel - amine

8.9.8.3. voorvoegsel is -amino

8.9.9. Aminozuren

8.9.9.1. zowel amino- als een zuurgroep in het molecuul

8.9.9.2. binas tabel 67C1 structuurformules van aminozuur

8.9.10. Esters

8.9.10.1. Oliën en vetten zijn esters van glycerol en vetzuren

8.9.10.2. wordt ookwel alkylalkanoaat genoemd, maar niet als er een vertakking aanwezig is

9. periodiek systeem

9.1. groep 1: alkalimetalen

9.2. groep 2: aardalkalimetalen

9.3. groep 17: halogenen

9.4. groep 18: endelgassen

9.5. alle atomen zijn gerangschikt in het periodiek systeem.

9.5.1. massagetal is de som van het aantal protonen en neutronen in de atoomkern

9.5.2. de element zijn op atoomnummer geordend

9.5.3. Hier zie je het Periodiek Systeem

10. Bindingen

10.1. atoombindingen

10.1.1. apolair

10.1.1.1. elektronegativiteit kleiner dan 0,4

10.1.2. polair, de elektronen van de atoombinding verdelen zich over de elektronen. De ene atoom krijg meer elektronen dan het andere atoom

10.1.2.1. elektronegativiteit tussen 0,4 en 1,7

10.1.2.2. de atomen die de kleine lading krijgen heet partiële lading

10.1.3. covalente bindingen

10.1.3.1. dubbele bindingen

10.1.3.2. driedubbele bindingen

10.2. molecuulbindingen

10.2.1. Van der Waalsbindingen

10.2.1.1. aantrekkingskracht tussen moleculen

10.2.2. dipooldipoolbindingen

10.2.2.1. waterstofbruggen

10.2.2.1.1. NH of OH binding

10.2.3. kookpunt

10.2.3.1. bereken molecuulbindingen

10.2.3.1.1. destilleren

10.2.4. cyclische verbinding

10.3. ion-bindingen

10.3.1. binding tussen ionen

10.3.2. zouten

10.3.2.1. volume gas