1. Field en desk research
1.1. Field research
1.1.1. Verzamelen van primaire gegevens
1.1.2. bv. enquête
1.2. Desk research
1.2.1. Verzamelen van secundaire gegevens
1.2.2. bv. bestaande databank
2. Single- en multicliëntonderzoek
2.1. Single client onderzoek
2.1.1. Eén opdrachtgever
2.2. Multicliëntonderzoek
2.2.1. Meerdere opdrachtgevers
2.2.2. Twee types:
2.2.2.1. Omnibusonderzoek
2.2.2.1.1. Onderzoekbureaus gaan zelf op zoek naar bedrijven
2.2.2.2. Syndicated research
2.2.2.2.1. Gemeenschappelijke studie door sectorverwante klanten --> geen concurrenten, maar wel dezelfde klanten bv. producent printers en producent papier
2.2.2.2.2. Duurder, maar wel kostvoordeliger
2.2.2.2.3. Voorbeeld: panelonderzoek (Nielsen en GFK)
3. Exploratief en conclusief onderzoek
3.1. Exploratief onderzoek: oriënteren probleem, verkenning terrein
3.2. Onderverdeling conclusief onderzoek:
3.2.1. Descriptief onderzoek
3.2.1.1. Proberen de markt te beschrijven in cijfers (meestal via enquête)
3.2.2. Verklarend onderzoek
3.2.2.1. Proberen meer inzicht te krijgen in het gedrag van de consument
3.2.3. Causaal onderzoek
3.2.3.1. Experimenten gebruiken om oorzaak-gevolgrelaties te ontleden
4. Kwantitatief en kwalitatief onderzoek
4.1. Kwantitatief onderzoek
4.1.1. Een hoeveelheid van iets in kaart brengen
4.1.2. Antwoord op "hoeveel" en "hoevaak"
4.2. Kwalitatief onderzoek
4.2.1. Meer inzicht krijgen in een bepaald onderwerp
4.2.2. Antwoord op "Waarom" en "Hoe"
5. Continu en ad-hoc onderzoek
5.1. Ad-hoc onderzoek
5.1.1. = Eénmalig onderzoek voeren
5.1.1.1. Vaak gebruikt bij lancering van product
5.2. Continu onderzoek
5.2.1. = Continu onderzoek voeren
5.2.2. "Monitorfunctie": houdt de markt in de gaten door steeds info te verschaffen over bv. marktaandelen, prijzen, ...