Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Ecologie Door Mind Map: Ecologie

1. Factoren

1.1. Biotische factoren

1.1.1. Invloeden afkomstig van de levende natuur, soortgenoten, roofdieren, ziekteverwekkers.

1.2. Abiotische factoren

1.2.1. invloeden afkomstig van de levenloze natuur. temperatuur, licht, wind, zuurstofgehalte, regenval, mineralen & bodemgesteldheid.

2. aanpassingen bij dieren

2.1. water- en landdieren

2.1.1. waterdieren; het lichaam is gestroomlijnd. bij vissen is de huis bedekt met schubben en slijm. landdieren, stevige poten, een zwaar skelet.

2.2. poten van landzoogdieren

2.2.1. zoolgangers

2.2.1.1. lopen op de hele voetzool, ( apen en beren) zakken op drassige ondergrond niet zo gauw weg.

2.2.2. teengangers

2.2.2.1. lopen op de hele tenen ( katten, honden)

2.2.3. hoefgangers

2.2.3.1. lopen op de toppen van de tenen, 9 paarden, herten) ondervinden weinig weerstand van de bodem, kunnen alleen goed lopen op een harde bodem.

2.3. poten van vogels

2.3.1. veel vogels hebben 3 tenen naar voren en 1 teen naar achter. hierdoor kunnen ze zich goed vastklemmen aan takken.

2.3.1.1. roofvogels

2.3.1.1.1. hebben scherpe klauwen, net als uilen

2.3.1.2. loopvogels

2.3.1.2.1. hebben geen teen naar achteren

2.3.1.3. watervogels

2.3.1.3.1. hebben zwemvliezen tussen de tenen, denk aan eenden.

2.3.1.4. steltlopers

2.3.1.4.1. hebben lange hoge poten

2.4. de snavels van vogels

2.4.1. kegelsnavel

2.4.1.1. bij zangvogels die zaden eten

2.4.2. pincetsnavel

2.4.2.1. bij zangvogels die insecten eten

2.4.3. haaksnavel

2.4.3.1. bij roofvogels en uilen

2.4.4. priemsnavel

2.4.4.1. vogels die bodemdiertjes eten, steltlopers

2.4.5. zeefsnavel

2.4.5.1. bij vogels die kleine plantjes en diertjes uit het water zeven, bijv. eenden

3. successie

3.1. bij aanleg van een weg wordt vaak een groot terrein opgespoten met zand. als dit zand blijft liggen onstaat er in de loop van tijd een eigen ecosysteem, de eerste begroeiingen en diertjes wordt een pioniersecosysteem genoemd. een pioniersecosysteem heeft slechts weinig verschillende soorten dieren en planten. er vind een opeenvolging plaatst van verschillende planten- en diersoorten, dit noemen we successie. voorbeeld: 1. kale rots 2. pionierecosysteem; korstmossen, eronstaat en dun laagje bodem. 3. mossen en grassen. 4. lage struiken. 5. climasecosysteem; loofbos

4. Kringlopen

4.1. de koolstofkringloop

4.1.1. bij verbranding van dierlijke organische stoffen, glucose en organische stoffen komt koolstofdioxide vrij. dmv koolstofdioxide kan er fotosynthese plaatsvinden, en daardoor onstaat er weer glucose. en van glucose worden er weer plantaardige organische stoffen geproduceerd. als een dier sterft worden de organische stoffen afgebroken door bacterien en schimmels waardoor ook weer koolstofdioxide vrij komt.

4.2. de stikstofkringloop

4.2.1. in stikstof zit een belangrijke stof genaamd eiwitten, als bij een plant glucose word omgezet in eiwitten, is daar stikstof bij nodig. stikstof komt in de bodem voor in nitraat. nitraat is een voedingszout, dit nitraat wordt gebruikt bij de omzetting van glucose in plantaardige eiwitten. als eiwitten worden verbrand komt er ammoniakgas en ammonium vrij. ammonium is ook een voedingszout, uit ammonium kan nitraat worden gemaakt.

5. waterdoorlaatbaarheid vd bodem

5.1. de hoeveelheid water in de bodem bepaalt voor een belangrijk deel welke planten er wel en niet kunnen groeien. maar ook is belangrijk hoeveel water deze grond kan vasthouden.

6. ecosysteem nederland

6.1. duinen

6.1.1. duinen zijn zandheuvels die door de wind zijn aangewaaid. in een duingebied zijn vaak verschillende stadia van successie te zien. 1. duinvorming door wind. 2. pionierscosysteem met o.a helm. 3. verschillende soorten kruidachtige planten. 4. duinstruweel 5. duinbos.

6.2. loofbos

6.2.1. op de bodem van een bos ligt strooisel. in het strooisel komen kleine dieren voor. dit bestaat uit gevallen takjes en bladeren. daarboven vormt zich een moslaag. daarboven weer de kruidlaag, en daarboven weer de struiklaag, bovenaan de boomlaag.

6.3. naaldbos

6.3.1. een naaldbos groeit veel sneller dan een loofbos. waar naaldbossen voorkomen zijn ze aangeplant, meestal voor de houtwinning.

6.4. heide

6.4.1. heide is een tussenstadium van successie.

6.5. plassen

6.5.1. plassen zitten aan het begin van successie. als de mens niet ingrijpt vindt er in plassen langzaam verlanding plaats. bij deze successie kunnen we 4 stadia aan planten groei onderscheiden. waterplanten, oeverplanten, moerasplanten en broekbos.

7. klimaatverandering

7.1. oorzaken

7.1.1. versterkt broeikaseffect

7.1.1.1. fossiele brandstofen

7.1.1.2. Milankovich

7.1.1.3. positieve terugkoppeling

7.1.2. ontbossing

7.1.2.1. CO2

7.1.2.2. verdroging

7.2. gevolgen

7.2.1. stijgende zeespiegel

7.2.1.1. landijs

7.2.1.2. uitzetting

7.2.1.3. stroomsurge

7.2.2. smeltende ijskappen

7.2.3. klimaatvluchtelingen

7.3. oplossingen

7.3.1. duurzame ontwikkeling

7.3.2. techniek

7.3.3. minder mensen

7.4. tijdperspectief

7.4.1. natuurlijke cyclus

7.4.1.1. zonne itensiteit

7.4.1.2. afstemt aarde zon

7.4.1.3. scheefstelling tollen

8. milieu

8.1. aarde

8.1.1. opwarming

8.1.2. CO2 uitstoot

8.1.3. mensen

8.1.4. dieren

8.2. speciale gebieden

8.2.1. noordpool

8.2.2. zuidpool

8.2.3. steppe

8.2.4. savanne

8.2.5. woestijn

8.2.6. hooggebergte

8.3. organismen

8.3.1. bomen

8.3.2. planten

8.3.3. schimmels

8.4. fabrieken

8.4.1. uitstoot

8.4.2. opwarming van de aarde

8.5. ontwikkelingen

8.5.1. elektrische auto's

8.5.2. medische ontwikkeling

8.6. poolkappen

8.6.1. smelten

8.6.2. diersoorten

8.7. evolutie

8.7.1. natuurlijke selectie

8.7.2. Charles Darwin

9. Voedselrelaties

9.1. voedselketen

9.1.1. een reeks soorten waarbij elke soort een voedselbron is voor de volgende soort. elke voedselketen heeft een plantensoort als eerste schakel.

9.2. voedselweb/net

9.2.1. een geheel van voedselrelaties in een ecosysteem

9.3. autotroof

9.3.1. is een organismen geen andere organismen als voedsel nodig heeft. ze hebben bladgroen, vertonen fotosynthese, kunnen organische stoffen maken uit alleen anorganische stoffen.

9.4. heterotroof

9.4.1. hebben geen bladgroen, hebben andere organismen nodig om in leven te blijven.

9.5. producenten

9.5.1. produceren energierijke, organische stoffen uit anorganische stoffen. ze zijn autotroof dus meestal planten.

9.6. consumenten

9.6.1. consumeren energierijke, organische stoffen. consumenten van de 1e orde worden gegeten door de consumenten van de 2e orde, die weer door consumenten van de 3e orde enz. ze zijn heterotroof, en zijn dieren.

9.7. reducenten

9.7.1. zetten de organische stoffen in dode resten van organismen om in anorganische stoffen. hierdoor komen er weer mineralen vrij voor de producenten. schimmels en bacterien zijn reducenten

10. piramides

10.1. piramide van aantallen

10.1.1. geeft van elke schakel van een voedselketen het aantal individuen weer.

10.2. piramide van biomassa

10.2.1. biomassa: het totale gewicht van alle energierijke, organische stoffen.

10.3. de energiestroom in een ecosysteem

10.3.1. in elke schakel van een voedselketen verdwijnt er energie. het overgebleven deel van de energie word gebruikt als bouwstof, alleen dit deel kan als voedsel dienen voor de volgende schakel van de voedselketen.

11. populaties

11.1. de populatiegrootte is afhankelijk van biotische en van abiotische factoren. zoals beschikbare hoeveelheid voedsel, aantallen natuurlijke vijanden en de aanwezigheid van ziekteverwekkers. abiotische factoren vormen samen het klimaat. (temperatuur, licht, lucht water en neerslag etc.)

12. aanpassingen bij planten

12.1. aanpassingen bij planten aan de hoeveelheid licht

12.1.1. zonplanten: groeien het best bij veel licht. schaduwplanten: groeien het best bij weinig licht. voorjaarsbloeiers: op de bodem van een loofbos bloeien veel schaduwplanten vroeg in het voorjaar, doordat de hoeveelheid licht dan het grootst is.

12.2. aanpassingen bij landplanten in een vochtig milieu

12.2.1. veel huismondjes, opvlakkig gelegen huismondjes, grote platte bladeren, kale bladeren, een dun waslaagje om de bladeren, een zwak ontwikkeld wortelstelsel.

12.3. aanpassingen bij landplanten in een droog milieu

12.3.1. weinig huidmondjes alleen aan de onderkant van de bladeren, diepverzonken huidmondjes, kleine dikke bladeren, een dikke waslaag om de bladeren, soms opslag van water in de stengels, een sterk ontwikkeld wortelstelsel.

12.4. waterplanten

12.4.1. bij drijvende waterplanten zitten de huidmondjes aan de bovenkant van de bladeren, de stengels zijn slap, de stengels kunnen luchtkanalen bevatten.

12.5. klimplanten

12.5.1. hechtwortels, ranken.

13. voedselweb eik

13.1. een eik kan ook beschouwd worden als een ecosysteem.

14. uit het milieu

14.1. voedsel

14.1.1. door fotosynthese in planten steeds meer voedsel, dieren eten hiervan.

14.1.2. hiervan eten wij plantaardige of dierlijke voedingstoffen, het meeste van de landbouw.

14.2. zuurstof

14.2.1. wij hebben zuurstof nodig voor verbranding

14.2.2. zuutstof ontstaat door fotosynthese in planten, deze geven zuurstof af aan de lucht.

14.3. water

14.3.1. water is een belangrijke voedingsstofvoor in ons lichaam, we kunnen niet zonder.

14.3.2. het meeste water gebruiken we om te wassen en het toilet door te spoelen.

14.4. energie

14.4.1. we gebruiken energie om apparaten te laten werken.

14.4.2. met energie kunnen we onze huizen verwarmen en voedsel bereiden.

14.5. grondstoffen

14.5.1. van grondstoffen maken we producenten

15. Niveaus

15.1. Individu

15.1.1. 1 enkel organisme

15.2. populatie

15.2.1. een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied, die zich onderling kunnen voortplanten

15.3. levensgemeenschap

15.3.1. alle populaties die in een ecosysteem leven.

15.4. ecosysteem

15.4.1. een bepaald gebied waarbinnen de biotische en abiotische factoren een eenheid vormen.

15.4.1.1. denk aan, duingebied, een bos, een sloot en een heideveld,

16. milieuproblemen

16.1. bevolkingstoename

16.1.1. alle mensen hebben een huis nodig, en wegen om zich te kunnen verplaatsen, hierdoor verdwijnt veel milieu

16.1.2. omdat er steeds meer mensen bij komen is er steeds meer voedsel lnodig, waardoor er steeds meer grond voor landbouw nodig is.

16.2. manier van leven

16.2.1. doordat we zoveel brandstoffen gebruiken raakt onze energievoorraad op.

16.2.2. omdat men steeds meer elektrische apparaten is gaan gebruiken is er meer elektriciteit nodig, hierdoor worden veel brandstoffen verbruikt en komen er veel afvalstoffen vrij, die vervuilen het milieu.

16.3. grondstoffen

16.3.1. als machines apparaten worden weggegooid, komen ze bij het afvel, dit is schadelijk voor het milieu.

16.3.2. om alle apparaten en machines te maken zijn er veel grondstoffen uit het milieu nodig, hierdoor raken voorraden op.