1. zijn we gelijker geworden?
1.1. rationalisering
1.1.1. voordelen
1.1.1.1. verdere uitbouw van de wetenschap en daardoor een grotere mate van beheersing
1.1.1.1.1. rationele en efficiënte vormgeving van arbeidsorganisaties
1.1.2. nadelen
1.1.2.1. een wereld waarin ons bestaan als mens steeds meer dreigt te worden gecontroleerd
1.1.2.1.1. differentiatie in arbeidsverdeling die leidt tot enerzijds vervreemding van werknemers
1.2. individualistische prestatiemaatschappij
1.2.1. voordelen
1.2.1.1. veel aanbod voor een individu om zich verder te ontwikkelen voor meer maatschappelijke kansen
1.2.1.1.1. zelfstandig keuzes maken voor de inrichting van het leven bevrijdt de individu van verplichtingen
1.2.2. nadelen
1.2.2.1. onderschatten van het belang van factoren als etniciteit, geslacht en maatschappelijke afkomst voor iemands maatschappelijke kansen
1.2.2.1.1. toename van sociale ongelijkheid
1.3. kanttekeningen democratisering
1.3.1. de mogelijkheid die burgers hebben om machthebbers te controleren is verkleind
1.3.1.1. door toenemende democratisering kan besluitvorming meer legitimiteit krijgen maar duurt dan ook langer
1.3.1.1.1. deelnemers aan verschillende vormen van burgerparticipatie vormen in Nederland geen representatieve groep
1.4. ontwikkelingen democratisering
1.4.1. de uitbouw van de rechtstaat waardoor men voor het kunnen beschikken over goederen en diensten steeds meer afhankelijk is van anderen
1.4.1.1. ontstaan van de volksvertegenwoordiging
1.5. de rol van overheid voor verkleinen van sociale ongelijkheid is premies, belasting, uitkeringen en toeslagen
1.5.1. de overheid bemoeid zich meer dan vroeger
1.6. belang economisch kapitaal en sociaal kapitaal
1.7. arbeidsverdeling:
1.7.1. ontwikkeling
1.7.1.1. de productie van een bepaald goed of dienst geschiedt door individuen en/of organisaties die zich daarop hebben gespecialiseerd
1.7.2. invloed
1.7.2.1. het kunnen beschikken over goederen en diensten steeds meer afhankelijk is van anderen
2. het proces van het ordenen en systematiseren van de werkelijkheid met de bedoeling haar voorspelbaar en beheersbaar te maken
3. slot
3.1. 3 paradoxen van modernisering
3.1.1. zelfstandig versus verafhankelijk
3.1.2. generalisering versus pluralisering
3.1.3. rationeel versus emotioneel
3.2. ideologie van modernisering en universalisme
3.2.1. als niet alleen wordt gewezen op feitelijke veranderingsprocessen, maar er ook vanuit wordt gegaan dat deze veranderingsprocessen onvermijdelijk zijn en leiden tot vooruitgang. universeel is ervan uitgaat dat de traditionele verhoudingen geleidelijk aan, waar ook ter wereld, plaats zullen maken voor een overal gelijke modern westerse samenlevingsvorm
3.3. kritiek ideologie modernisering
3.3.1. de manier waarop de moderniteit wordt gerealiseerd afhankelijk is van de maatschappelijke en culturele (begin)condities waaronder innovaties plaatsvinden en en ook dat modernisering niet per se vooruitgang, iets positiefs, betekent
4. introductie
4.1. van traditioneel naar modern
4.1.1. staatsvorming, institutionalisering van politieke macht tot een staat
4.1.2. rationalisering, de overgang van een traditionele naar een rationele samenleving
4.1.3. individualisering, proces waarbij individuen hun zelfstandigheid kunnen vergroten
4.1.4. institutionalisering, proces waarbij regels vastgelegd worden, die het gedrag van mensen en hun onderlinge relaties reguleren
4.1.5. democratisering, proces van verandering door een grotere inspraak
4.1.6. globalisering, proces van uitbreiding van contacten en afhankelijkheden over landsgrenzen heen
4.2. modernisering
4.2.1. Het begrip moderne samenleving wordt gebruikt om een samenleving te beschrijven. Sociale en politieke processen die de moderne samenleving hebben vormgegeven zijn rationalisering, institutionalisering, individualisering en democratisering. Recentelijk is daar het proces van globalisering bijgekomen
4.2.1.1. ideologie van modernisering: er wordt gewezen op feitelijke veranderingsprocessen, maar er ook vanuit wordt gegaan dat deze veranderingsprocessen onvermijdelijk zijn en leiden tot vooruitgang
4.3. kenmerken moderne samenleving
4.3.1. politiek: macht is van overheid met de steun van burgers, grondrechten voor burgers en verzorgingsstaat.
4.3.2. economisch: gemengde economie, globaliseerde wereldmarkt, wereldwijde toegenomen welvaart, kenniseconomie
4.3.3. demografisch: een heterogene samenstelling van de bevolking (migratie) en urbanisatie
4.3.4. sociaal-cultureel: seculier, veel verschillende soorten bindingen sommige hechter dan andere, zelfontplooiing en persoonlijke autonomie, scheiding private sfeer en publieke sfeer
5. zijn we vrijer geworden?
5.1. kenmerken modern gezin
5.1.1. tweevoudig kostwinnerschap
5.1.1.1. de vorming van een gezin is trager
5.1.1.1.1. religie kleine rol
5.2. sociale instituties
5.2.1. door de invloed van individualisering veranderen de sociale instituties omdat het individu zich in zijn denken en gedrag minder vanzelfsprekend en eenduidig door de conventies van deze instituties laat leiden
5.3. politieke stromingen over individualisering
5.3.1. confessionalisten
5.3.1.1. zij constateren dat ontwikkelingen als individualisering tot onbehagen leiden en vinden het van belang dat burgers betrokken zijn bij elkaar
5.3.1.1.1. liberalen
5.4. veranderingen in het vormingsvraagstuk
5.4.1. band tussen persoonlijke en collectieve identiteit is minder direct geworden
5.4.1.1. afhankelijkheid van sociale bidingenis afgenomen waardoor individuen meer ruimte hebben om zich te ontwikkelen
5.4.1.1.1. dwang tot zelfdwang neemt toe omdat je meer bezig bent met normaal te zijn tegenover andere mensen
5.5. kanttekeningen vorming individualisering
5.5.1. relatief grote vrijheid van de moderne mens
5.5.1.1. moderne flexibele persoonlijke identiteit is minder solide en stabiel dan de identiteit van mensen uit meer collectivistische samenlevingen
5.5.1.1.1. bevrijding van de afhankelijkheid van de natuur en een vergrote afhankelijkheid van de technologie
5.6. discussies gevolgen individualisering
5.6.1. levensstijlen als expressie van identiteit
5.6.1.1. consumptiemaatschappij
5.6.1.1.1. patchwork-identiteit
6. zijn we meer verbonden geworden?
6.1. kanttekeningen sociale cohesie
6.1.1. sociale cohesie is toegenomen ten gevolge van het afzwakken van maatschappelijke tegenstellingen, Individualisering leidt tot een groter beroep op uitkeringen
6.1.2. een hogere etnische diversiteit in de directe woonomgeving gaat gepaard met een lagere sociale cohesie
6.1.3. gevolgen van globalisering voor de nationale sociale cohesie zijn onduidelijk
6.1.4. sociale netwerken zijn voor individuen en groepen die daarvan deel uitmaken niet meer te overzien en niet meer te reguleren
6.2. veranderingen in het bindingsvraagstuk
6.2.1. sociale integratie
6.2.1.1. de toekenning van politieke en sociale rechten aan alle burgers en de uitbouw van een nationaal onderwijssysteem zorgden ervoor dat integratie van voorheen kansarme groepen werd bevorderd en er een nationale cultuur en identiteit ontstond
6.2.1.1.1. maatschappelijk middenveld
7. globalisering
7.1. processen globalisering
7.1.1. positief
7.1.1.1. groeiperspectief
7.1.1.1.1. mogelijkheden om economische ontwikkeling te realiseren
7.1.1.2. mondiale cultuurstromen kunnen nieuw leven inblazen in lokale culturen
7.1.1.2.1. wereldwijd bereik
7.1.2. negatief
7.1.2.1. overproductie en overconsumptie
7.1.2.1.1. verdere belasting van het milieu
7.1.2.2. toenemende verkwisting tegen te gaan
7.1.2.2.1. onderlinge afhankelijkheid aan het licht en leiden tot bijna wereldwijde economische stagnatie
7.2. politieke stromingen over globalisering
7.2.1. confessionalisten
7.2.1.1. eigen lokale gemeenschap van belang, verantwoordelijkheid ligt voor het samenleven en voor de zorg voor elkaar
7.2.2. liberalen
7.2.2.1. belangrijk om het particulier eigendom te bevorderen en ondernemerschap te stimuleren, europese samenwerking zien ze als een effectief middel om vrijheid, welvaart en veiligheid te vergroten
7.2.3. sociaaldemocraten
7.2.3.1. europese én internationale beweging die zich verzet tegen schending van mensenrechten, tegen onredelijke ongelijkheid van inkomen en macht, tegen armoede, tegen discriminatie en tegen de uitputting en vervuiling van het milieu
7.3. vijf gevolgen globalisering
7.3.1. maatschappelijke solidariteit
7.3.2. overheveling bevoegdheden
7.3.3. bedreiging oorspronkelijke culturen
7.3.4. mondiale economische verwevenheid
7.3.5. ecologische problematiek
7.4. vier tegenstellingen
7.4.1. meer aandacht voor profijt op korte termijn versus meer aandacht voor langetermijneffecten
7.4.1.1. verschillende standpunten ten aanzien van duurzaamheid in relatie tot de wenselijkheid en mogelijkheid van economische groei
7.4.2. verschillende houdingen en standpunten ten aanzien van de aard en het oplossend vermogen van de wetenschap en de technologie
7.4.2.1. verschillende betekenis die gehecht wordt aan de ongelijke verhoudingen die naar voren komen bij ecologische problemen
7.5. voorbeelden globalisering
7.5.1. economisch: er is meer internationale handel gekomen
7.5.1.1. juridisch: door de groei en het machtiger worden van multinationals is er sprake van supranationale handelsblokken
7.5.1.1.1. politiek: door internationale politiek is de betekenis van internationale samenwerkingsrelaties zoals de Verenigde Naties of de Europese Unie toegenomen