1. Wonen vroeger
1.1. Van grot tot huis
1.1.1. prehistorie
1.1.1.1. eerste dorpen = sedentair, boeren
1.1.1.2. geen vaste woonplaats, ze trokken rond = nomaden
1.1.1.3. huis van hout, leem en stro
1.1.2. Oudheid
1.1.2.1. Rijke Romeinen: een villa: kleine ramen,kamers rond een centrale binnenplaats
1.1.3. Middeleeuwen
1.1.3.1. dorpen rond burchten en abdijen: eenvoudige huizen
1.1.3.2. dorp uitgegroeid tot stad: handel, goede bereikbaarheid over land en water
1.1.4. Nieuwe tijd
1.1.4.1. verschillende standen: adel in kasteel, kloosterlingen in de abdij, dagloners in een boerderij, ambachtslui in houten vakwerkbouw, kooplui in gildehuizen
1.1.4.2. Nieuwste tijd
1.1.4.2.1. arbeiders woonden in beluiken: smalle straatjes en kleine rijhuisjes + de rijke fabriekseigenaars in herenhuizen met alle luxe
1.1.4.2.2. eigen tijd
2. Hoe wonen wij?
2.1. Gesloten bebouwing
2.1.1. voorbeeld: rijwoning
2.2. open bebouwing
2.2.1. voorbeeld: villa, boerderij
2.3. halfopen bebouwing
2.3.1. voorbeeld: aan één kant open
2.4. laagbouw
2.4.1. voorbeeld: bungalow
2.5. hoogbouw
2.5.1. voorbeeld: flatgebouw, herenhuis
3. Hoe wonen elders?
3.1. klimaat
3.1.1. koude streken: dubbele muren en dubbele beglazing,....beter isoleren
3.1.2. zuiderse streken: dikke muren, witgekalkt, klein ramen,... om warmte buiten te houden