1. 9. Specificatie
1.1. Mesoderme formatie; animale & vegetatieve cellen
1.1.1. Stap 1: blastula
1.1.2. Stap 2: twee verschillende situaties
1.1.3. Resultaat:
1.1.3.1. Geen mesoderm
1.1.3.2. Mesoderm formatie
1.2. Vegetatieve cellen induceren mesoderm
1.2.1. Na inductie mesoderm verschillende structuren gevormd
1.3. Afgifte van juiste signalen is cruciaal
1.3.1. Bepalen van 'bestemming/lot'; welke cel wordt wat?
1.3.1.1. Cytoplasmic/autonome specificatie;
1.3.1.1.1. Cytoplasmatische verdeling van reguleringsmoleculen
1.3.1.2. Conditionele specificatie;
1.3.1.2.1. Interactie met buurcellen
1.4. Cytoplasmatische determinanten
1.4.1. Autonome specificatie
1.4.1.1. Ongelijke verdeling van (maternaal) RNA of eiwitten in het ei
1.4.1.2. Na klievingsdelingen verschillende cytoplasmatische determinanten die leiden tot verschillende genexpressie
1.5. Conditionele specificatie
1.5.1. Inducerende signalen vanuit buurcellen
1.5.1.1. 1. Signal molecule **(inducer)**
1.5.1.2. 2. Signal receptor
1.5.1.3. 3. Signal transduction pathway
1.5.1.4. 4. Induction gene expression
1.5.2. **Morfogen**; stoffen die op een concentratie afhankelijke manier de patroonvorming (op afstand) beïnvloeden. Meestal concentratie gradient door diffusie
1.5.2.1. Activeren/remmen genen
1.5.2.1.1. Signaal moleculen (eiwitten) activeren of remmen genexpressie
1.6. Speman Mangold Organizer
1.6.1. Signaal moleculen; specifieke differentiatie
1.6.2. **SMO** (Spemann-Mangold-Organizer): bepaalt de **Dorso-Ventrale-as**
1.7. Ongelijke verdeling van cytoplasmatische determinanten
1.7.1. Ontstaan Nieuwkoop centrum
1.7.1.1. Signaalmoleculen worden gescheiden door corticale rotatie; ontstaan van Nieuwkoop centrum
1.8. Vorming lichaamsassen
1.8.1. Nieuwkoop Centrum induceert de Spemann Mangold Organizer
1.8.1.1. 1. Animaal/vegetatief (maternale determinante; onbevruchte ei)
1.8.2. Assen gevormd door gradiënten van signaal moleculen
1.8.2.1. 2. Dorsaal/ventraal: bepaald door Spemann Mangold Organizer
1.8.2.2. 3. Anterior/Posterior; bepaald door inrollen (eerst is anterior, laatst is posterior)
2. 8. Genomische equivalentie (pluripotente cel)
2.1. Alle cellen bevatten gehele genoom (compleet DNA-materiaal)
2.1.1. Kloneren van embryo's
2.1.2. Splitsen van embryo's
3. Leer het overzicht!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!! Vanaf 8 deel 2
4. 7. Neurale lijst
4.1. "4e kiemblad" (amfibie)
4.2. Neurale lijst cellen; consequenties
4.2.1. Lancetvisje:
4.2.1.1. Geen multipotente 'ver' migrerende neurale lijstcellen
4.2.1.1.1. Geen 'echt' brein
4.2.1.1.2. Geen schedel
4.2.1.1.3. Geen 'echt' perifeer zenuwstelsel (PZS)
4.2.2. Ammocoetes (zeeprik)
4.2.2.1. Wel multipotente 'ver' migrerende neurale lijstcellen
4.2.2.1.1. Brein (3 delen; reuk-oog-oor/evenwicht)
4.2.2.1.2. Schedel
4.2.2.1.3. Perifeer zenuwstelsel (PZS) en kopzenuwen
5. 6. Organogenese
5.1. Somieten
5.1.1. Mesoderm derivaten
5.1.1.1. Lichaamsspieren (myomeren)
6. 5. Extra-embryonale structuren
6.1. Neurulatie (amfibie)
6.1.1. Derivaten somiet mesoderm:
6.1.1.1. **Sklerotoom:** wervels
6.1.1.2. **Myotoom**: lichaamsspieren
6.1.1.3. **Dermatoom**: dermis
6.2. Bij amnionten
6.2.1. The first extraembryonic membrane is the **yolk sac,** which is forming in the 5-day embryo
6.2.2. The mesoderm en ectoderm extend beyond the embryo to form the **chorion** and the **ambion**
6.2.3. **Telolecithal**: unequal distribution yolk (large egg)
6.2.4. **Isolecithal**: equal distribution yolk (tiny egg)
6.2.5. **Yolk sac** (dooierzak) gevormd uit **hypoblast**
6.3. Bij vogels
6.3.1. The mesodermal and ectodermal layers fuse below the yolk so that the chorion lines the shell.
6.3.2. Mesodermal and endodermal tissues form the **allantois,** a sac for metabolic wastes
6.3.3. **Amnion**: direct om ebryo; voorkomt uitdroging, schokabsorptie
6.3.4. **Chorion**: buitenste vlies; bescherming en gaswisseling
6.3.5. **Allantois**: ontstaan uit einddarm, opslag afval en respiratieoppervlak
6.3.6. **Yolk sac** (dooierzak) gevormd uit dooierrijke cellen *of* gele dooier
6.3.6.1. Functie yolk sac: voeding, hematopoëse
7. mRNA & eiwitten
7.1. Regulatie genexpressie
8. 10. Homeotische (hox) genen
8.1. Hoxgen: sleutelregulator
8.1.1. Hox-genen coderen transcriptie factoren (homeodomein-eiwitten)
8.2. Hox-gen: Antennapedia (Antp):
8.2.1. Expressie in het 1e thorax segment
8.2.2. Induceert een 2e paar poten (activeert het 2e poot paar -> hox gen (homeotische) mutatie)
8.3. Identiteit segment -> patroonvorming langs de lichaams-as
8.3.1. Waar ontwikkelen ledematen
8.3.2. Hoe ontwikkelen lichaamssegmenten
8.4. Regulatie anterior-posterior as
8.4.1. Hox genen reguleren patroonvorming posteriore afbakening regio
8.4.2. Blokkeren Hox gen -> leidt tot verlenging regio
8.5. Hoxgen; reguleert expressie target genen
8.5.1. **Homeotische mutatie**: target gen op verkeerde plek actief
8.6. Homologie Hox genen
8.6.1. Evertebraten: 1 hox gen
8.6.2. Vertebraten: 4 hox genen
8.7. Colineariteit hox-genen
9. 1. Leerdoelen
9.1. De belangrijkste stadia van de ontwikkeling van een vertebraat herkennen
9.2. Kun je belangrijkste stappen van de ontwikkeling van het vertebraten bouwplan uitleggen
9.3. Kernbegrippen van de embryonale ontwikkeling beschrijven (specificatie/morfogen)
9.4. Globaal de inductie/regulering van de embryonale ontwikkeling (patroonvorming) uitleggen
9.5. Ken je kernbegrippen van inductie van embryonale ontwikkeling
9.6. Kun je (basaal) de patroonformatie in het lichaam uitleggen
10. Extra info
10.1. Leerstof
10.1.1. pg. 163-164 §8.3 “Cleavage and Early Development” (fig 8.8) pg. 175-177 “Deuterostomes Development” (frog, mammal, reptile only) pg. 178-181 §8.9 “Vertebrate Development” pg. 181-184 “§8.10 Development of Systems and Organs” pg. 169-170 "Cytoplasmic and Conditional Specification" pg 171-172 "Homeotic and hox genes"
10.2. Zelfstudie
10.2.1. pg. 159-160 §8.1 "Early Concepts: Preformation versus Epigenesis” pg. 167-168 "Mechanics of Development"
10.3. Bijbehorend practicum: E-L1
11. 2. Sleutel stadia ontogenie vertebraten (DEVO)
11.1. Bevruchting: fusie ei en spermacel (zygote)
11.2. Klieving: klievingsdelingen (blastocel)
11.2.1. **Mesolecithal:** gemiddelde dooiermassa ongelijk verdeeld
11.2.2. **Holoblastische** klieving: hele ei
11.2.3. **Blastocoel** = klievingsholte
11.2.4. Klievingsdelingen zijn afhankelijk van dooiermassa
11.2.4.1. Meroblastic; deel van ei heeft klievingen
11.2.4.2. Isolecithal: kleine dooiermassa gelijk verdeeld
11.2.4.3. Mesolecithal: gemiddelde dooiermassa ongelijk verdeeld
11.2.4.4. Telolecithal: zeer grote dooiermassa ongelijk verdeeld
11.3. Gastrulatie: vorming 3 kiemlagen (oerdarm) (vorming kiembladen)
11.3.1. Ectoderm
11.3.1.1. Oppervlakte ectoderm (epidermis)
11.3.1.2. Neurale buis (centrale zenuwstelsel)
11.3.2. Mesoderm
11.3.2.1. Chorda
11.3.2.2. Somieten (wervels, skelet + spieren, dermis, delen schedel)
11.3.2.3. Intermediair mesoderm (nieren en geslachtsapparaat)
11.3.2.4. Lateraal mesoderm (coeloombekleding, circulatie systeem gladde spieren darmtractus)
11.3.3. Endoderm
11.3.3.1. Bekleding maagdarmkanaal
11.3.3.2. Bekleding luchtgeleidingssysteem longen
11.3.3.3. Lever en pancreas
11.3.3.4. Testis en ovarium
11.4. Organogenese: vouwingen vorming organen 'buis in buis'
11.5. Groei: bereiken van adulte vorm
12. 3. Sleutel stadia evolutie (EVO)
12.1. Eencellig
12.2. Meercellig: cel differentiatie (functies)
12.3. Diploblast: gastrovasulaire holte
12.3.1. Ectoderm
12.3.2. Endoderm
12.3.3. EVO-DEVO: vroege gemeenschappelijke voorouder; diploblast
12.4. Triploblast: vorming oerdarm
12.4.1. Ectoderm
12.4.2. Mesoderm
12.4.3. Endoderm
12.5. 'Quadruplo'blast
12.5.1. Neurale lijst
12.6. **Pharyngula stadium**
12.6.1. o.a. kieuwspleten, somieten, hart, staart
13. 4. Mens: innesteling van blastocyst (dag 8).
13.1. Trophoblast
13.1.1. Voeding embryo
13.2. Embryoblast (inner cell mass) vormt een ovale plaat van 2 cellagen dik: blastodisc
13.2.1. Epiblast (amnion ectoderm)
13.2.2. Hypoblast (yolk sac endoderm)