BASISSCHOOLKIND

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
BASISSCHOOLKIND Door Mind Map: BASISSCHOOLKIND

1. -> Mogelijkh. om dubbelzinnig visueel materiaal in gedachten te HERSCHIKKEN

1.1. Vb: figuur & achtergrond omwisselen

2. Lichamelijke ontwikkeling

2.1. 1e strekking

2.1.1. Vet->spierweefsel

2.1.2. Hoofd heeft grootte 1/6 v. Lichaam

2.1.3. Langere armen&benen

2.1.4. Meer taille

2.1.5. Gezicht verandert

2.1.6. Bekken > schouders

2.1.7. Gespierder, sierlijker

2.1.8. Tandenwissel (lach verandert)

2.1.9. Groei basisschoolkind: 1,05. m ->1,50m

2.2. 2e strekking

2.2.1. Einde lagere school- begin puber

3. Perceptuele ontwikkeling

3.1. Elkind

3.1.1. 1) Perceptuele reorganisatie *

3.1.1.1. -> Zowel AFZONDERLIJKE DELEN als GEHEEL herkennen

3.1.1.1.1. 4-5 j: ziet enkel delen Vanaf 7j: delen & geheel

3.1.1.2. -> Vermogen om complexe afbeeld. met meerdere afzond.figuren SYSTEMATISCH en GEDETAILLEERD te scannen

3.1.1.2.1. Systematisch = Links->rechts & boven->onder

3.1.2. 2) Perceptuele schematisering

3.1.3. 3) Perceptuele exploratie

3.2. In staat zijn eigen waarneming te sturen/richten

3.3. Waarn=gedetailleerder+systematischer

3.3.1. Zoekstrategie ontwikkeld

3.3.1.1. Vb: denkspelletjes, zoek de verschillen

4. Seksuele ontwikkeling

4.1. lateniefase

4.2. minder openlijke belangstelling voor het lichaam

4.3. start verliefdheden

4.4. schuine moppen en rijmpjes met seksuele woorden

4.5. emoties intenser

4.6. heteroseksualiteit

4.7. rolgedrag

4.8. voortplantingsverhaal

4.9. belangstelling voor volwassen seksualiteit

4.10. opvallend preuts in de omgang

5. Motorische ontwikkeling

5.1. Jongens gemid.in voordeel motor.prestaties

5.1.1. Vb: gooien, springen

5.2. Vanaf 6j evenwicht-balanceren

5.3. Lichaamsbeheersing

5.4. Oog-hand coördinatie

5.4.1. Vb: mikken, slaan

5.5. Enfant Parfait

5.5.1. 10j perfecte beheersing lichaam

5.5.1.1. Vb: beweeglijk, alert, soepel

5.6. Motorische <-> sociaal-emotionele

5.6.1. Vb: Iets kunnen+waardering+erbij horen

6. Socio-emotionele ontwikkeling

6.1. in een groep omgaan met leeftijdsgenoten

6.1.1. de sociale voorkeur verschuift van ouders naar leeftijdsgenootjes

6.1.2. is een sociale leerschool

6.1.3. is een compensatie voor andere problemen

6.1.4. fungeren als spiegel

6.1.5. geeft meer zelfvertrouwen/zelfbeeld

6.1.6. geeft een gevoel van sociale aanvaarding

6.1.7. ontstaan van één-seksegroepjes

6.1.8. indaquente omgangsstijlen

6.2. vriendschap

6.2.1. vriend als ze samen dingen doen

6.2.2. kijken op naar hun vriend

6.2.3. accepteren elkaar zoals je bent

6.2.4. na basisschool einde vriendschap

6.2.5. GEEN VRIENDEN - NIET NORMAAL

6.3. pesten

6.3.1. agressief, anti-sociaal gedrag

6.3.2. verschillende partijen

6.3.3. pestkop wilt aandacht

6.3.4. zondebokverschijnsel

7. Tekenontwikkeling

7.1. • Stadium van het visueel realisme

7.1.1. = Geleidelijke toename aan realistische details, proporties en vormen. Kind beschikt m.a.w. over meer realiteitszin.

7.2. • Onnatuurlijke lichaamsvormen verdwijnen

7.3. • Eerste pogingen om in profiel te tekenen

7.3.1. hoofd en benen wijzen bepaalde richting uit maar romp wordt frontaal geschetst.

7.4. • Experimenteren met tekenen van beweging

7.5. • Tijd en ruimte in tekening. (vb mens max zo groot als deur van huis. Tijdstip van de dag komt ook aan bod, ’s ochtends, ’s avonds…)

7.6. • Creativiteit en fantasie teruggedrongen en realiteit primeert!

8. Morele ontwikkeling

8.1. Meeleven en meevoelen met concrete emoties van een ander

8.1.1. Later beschikt het over algemener inzicht.

8.2. Volgens Kohlberg: conventionele fase met wetten, afspraken en regels die bepalen wat het kind ‘moreel goed’ vindt.

8.3. gezaghebbende autoriteiten volgen!

8.4. Lijkt dat sommige volwassen niet verder komen dan dit stadium

9. Spelontwikkeling

9.1. Bewegingsspelen

9.1.1. Kan uitgroeien tot een hobby

9.2. Associatief en coöperatief spel

9.3. Groepsspel

9.4. Experimenteer- en constructiespelen

10. persoonlijkheidsontwikkeling

10.1. - Gebruiken vaak psychologische zelfbeschrijvingen - Verwijzend naar het eigen karakter - Maar met weinig relativering - Benadrukken hun vaardigheden in vergelijking met anderen - “ik kan het beste… van de klas” - Noemen van categorieën waartoe ze behoren - “Ik ben bij de scouts!” - Beschrijvingen variëren - Concreet: “ik kan al tellen tot 100!” - Algemeen en stabiel: “ik ben goed in rekenen!”

10.2. Vriendjes worden gekozen op basis van eigenschappen

10.2.1. Belangrijk: wederzijds vertrouwen

10.2.2. Ze gaan steeds langer en intensiever met leeftijdsgenoten om

10.2.3. Gevolg: ze gaan zichzelf meer vergelijken met hen

10.3. Verdere vorming genderidentiteit

10.3.1. - Meest belangrijke periode waarin kinderen oefenen wat in hun cultuur past voor een jongen of meisje

10.4. Kind wordt geconfronteerd met psychologisch conflict tussen vlijt en minderwaardigheid

10.4.1. Kind staat voor de opdracht om kennis en vaardigheden op te doen

10.4.2. (leren lezen, schrijven en rekenen)

10.4.3. Indien succes: kind voelt zich competent => vlijt

10.4.4. zelfzekerheid stijgt, het kind beantwoordt aan de verwachtingen

10.4.5. Indien geen succes: => minderwaardigheidsgevoelens

10.4.6. weinig vertrouwen in eigen capaciteiten

10.5. Om het conflict tussen vlijt en minderwaardigheid op te lossen

10.5.1. heeft het kind behoefte aan leerkrachten die het met enthousiasme en geduld

10.5.2. inwijden in de kennis en vaardigheden,

10.5.3. heeft het kind behoefte aan ouders die vorderingen met warme aandacht volgen

10.5.4. heeft het kind behoefte aan de steun van leeftijdsgenoten

11. schoolse onwikkeling

11.1. Schoolrijpheid = In hoeverre is het kind bij het binnentreden van de basisschool in staat om zich, zonder overdreven moeite, in te voegen in het schoolse gebeuren?

11.2. Drie schoolse vaardigheden

11.2.1. Leren lezen

11.2.1.1. - Eerst moet het kind leren spellend lezen = het onderscheiden en vervolgens laten samenvloeien van bij de letters horende klanken - Daarna moet het kind leren herkennend lezen: = woorden waarmee hij vertrouwd is in één oogomslag lezen - Het uiteindelijke doel is begrijpend lezen = een techniek die het kind automatisch kan hanteren om bij de inhoud te komen van een tekst

11.2.1.2. algemene vaardigheden

11.2.1.2.1. Een woordenschat beschikken

11.2.1.2.2. Concentratievermogen hebben

11.2.1.2.3. Lezen doet op een bepaalde manier beroep het geheugen

11.2.1.2.4. Aan regels kunnen houden

11.2.1.2.5. Het niveau van visuele discriminatie

11.2.1.2.6. (letters verschillen vaak slechts op detailpunten van elkaar, bv i,l,j)

11.2.1.3. specifieke vaardigheden

11.2.1.3.1. - Taal als een systematisch patroon van klanken

11.2.2. Leren schrijven

11.2.2.1. algemene vaardigheden

11.2.2.1.1. Taalbeheersing

11.2.2.1.2. Motivatie om te leren

11.2.2.1.3. Geestelijk en emotioneel evenwicht

11.2.2.1.4. Zintuigen

11.2.2.1.5. Concentratie

11.2.2.2. specifieke vaardigheden

11.2.2.2.1. Ruimtelijke oriëntatie

11.2.2.2.2. Lichaamsbesef

11.2.2.2.3. Fijne motoriek

11.2.2.2.4. Vormonderscheidingsvermogen

11.2.2.2.5. Oog-handcoördinatie

11.2.2.2.6. Grove motoriek

11.2.2.2.7. Laterisatie (duidelijke voorkeur voor linker- of rechterhand)

11.2.2.2.8. Gevoel voor ritme

11.2.2.2.9. Automatiseren van bewegingen

11.2.3. Leren rekenen

11.2.3.1. Getalbegrip is de basis voor alle wiskundige inzicht en rekenkundig handelen

11.2.3.1.1. Wat is er nodig voor getalbegrip?

12. Cognitieve ontwikkeling

12.1. Concreet operationele stadium

12.1.1. Gedachtenhandelingen

12.1.2. Verdwijnen van denkproblemen

12.1.2.1. Reversibel denken

12.1.2.2. Meerdere aspecten

12.1.2.3. Fixatie op toestand en proces

12.1.2.3.1. Conservatienotie

12.1.2.4. Positie van een ander innemen

12.1.2.5. Classificatietaken

12.1.2.5.1. 5 jaar

12.1.2.5.2. 7 jaar

12.1.2.5.3. Seriatie

12.1.3. Magisch denken

12.1.3.1. Onderscheid tussen echt en fantasie

12.1.4. Geheugen

12.1.4.1. Associatief

12.1.4.1.1. Goed memoriseren

13. Taalontwikkeling

13.1. Struikelblokken

13.1.1. Articulatie

13.1.2. Passieve en lange zinnen

13.1.3. Vreemde uitdrukkingen

13.2. 5 jaar

13.2.1. Metalinguïstisch bewustzijn

13.3. 5-9 jaar

13.3.1. Afleren taalverwerving

13.3.2. Beheersen volwassenentaal