Vuur en magneten onderzoeken

Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Vuur en magneten onderzoeken Door Mind Map: Vuur en magneten onderzoeken

1. vuur

1.1. een vlam heeft:

1.1.1. kern

1.1.1.1. blauw vuur, dicht bij de pit

1.1.2. mantel

1.1.2.1. geeft 't meeste licht

1.1.2.1.1. maar is niet zo heet

1.1.3. zoom

1.1.3.1. geeft weinig licht, zit om de mantel heen

1.1.3.1.1. maar is het heetst: 1400 graden

1.2. hoe verbrandt een kaars

1.2.1. 1

1.2.1.1. het kaarsvet smelt

1.2.2. 2

1.2.2.1. het gesmolten kaarsvet kruipt in de pit

1.2.3. 3

1.2.3.1. in de pit verdampt het gesmolten kaarsvet

1.2.4. 4

1.2.4.1. het verdampte kaarsvet verbrandt

1.2.5. 5

1.2.5.1. het verbranden smelt meer kaarsvet

1.2.6. 6

1.2.6.1. en dat gesmolten kaarsvet kruipt weer in de pit enz.

1.3. een vlam heeft 3 dingen nodig

1.3.1. brandstof

1.3.1.1. kaarsvet, hout benzine

1.3.2. warmte

1.3.2.1. je houdt er een lucifer bij, of 'n aansteker

1.3.2.1.1. "warmtebron"

1.3.3. lucht

1.3.3.1. anders stikt je vlammetje

1.4. blussen doe je door 1 van de drie benodigdheden weg te halen

1.4.1. geen brandstof

1.4.1.1. Bij bosbranden kappen ze bomen, zodat die niet meer kunnen verbranden

1.4.2. geen warmte

1.4.2.1. de boel afkoelen door er water op te spuiten, dat zie je de brandweer vaak doen bij grote branden: ze houden de omgeving van de brand "nat", maar dus eigenlijk koel.

1.4.3. geen zuurstof

1.4.3.1. zo verstik je een kaarsje in een pot waar je het deksel op doet, maar een schuimlaag doet 't zelfde. Die doek over de brandende pan verstikt het vuur ook.

2. magneten

2.1. Koeienmagneet

2.1.1. Koe eet iets scherps (spijker, schilmesje)

2.1.2. Koe krijgt koeienmagneet, slikt 'm in

2.1.3. al het ijzer klikt aan de magneet vast

2.1.4. in het slachthuis halen ze de koeienmagneet eruit

2.2. magneten trekken ijzer aan

2.2.1. ook op afstand

2.2.2. ook door sommige materialen heen (je tafeltje)

2.3. magneten hebben een noordpool en een zuidpool, net als de aarde

2.3.1. gelijke polen stoten elkaar af

2.3.2. ongelijke polen trekken elkaar aan

2.3.2.1. "opposites attract"

2.4. je kunt een magneet maken

2.4.1. electromagneet

2.4.2. magnetiseren

2.4.2.1. je "kamt" alle minimagneetjes dezelfde kant op

3. onderzoeken

3.1. je vraagt je af of iets waar is

3.2. je doet een proefje om te kijken of het zo is

3.2.1. zorg dat je proefje

3.2.1.1. eerlijk is

3.2.1.1.1. als je een kleine sterke magneet vergelijkt met een zwakke grote, dan zijn NIET alle kleine sterker

3.2.1.2. zorgvuldig is

3.2.1.2.1. als je bij de ene magneet paperclips onder elkaar hangt, en bij de andere naast elkaar, dan krijgt je verschillende uitkomsten

3.3. je kijkt naar 't resultaat van je proefje en trekt je conclusie