Pluriforme Samenleving

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Pluriforme Samenleving Door Mind Map: Pluriforme Samenleving

1. Les 1: Pluriforme Samenleving

1.1. Cultuur: Alle normen, waarden en andere aangeleerde (cultuur)kenmerken die de leden van een groep of samenleving met elkaar gemeen hebben en dus als vanzelfsprekend beschouwen.

1.1.1. Culturele diversiteit: Diversiteit = verscheidenheid, culturele diversiteit = een verscheidenheid aan culturen.

1.2. Nature-Nurture: Nature-aanhangers vinden dat ons gedrag het meeste bepaald wordt door onze genen. Denk aan aangeboren eigenschappen zoals lichaamsbouw, ritmegevoel, seksuele voorkeur en agressiviteit. Nurture-aanhangers denken dat ons gedrag het meeste wordt bepaald door wat we aangeleerd hebben gekregen vanuit onze omgeving.:

1.2.1. Pluriforme samenleving/multiculturele samenleving: Multicultureel = veel culturen Pluriform = veelvormig Een multiculturele samenleving is dus een samenleving met veel culturen. Een pluriforme samenleving is een samenleving met allerlei culturen/samenstellingen.

1.3. Allochtoon/Autochtoon: Allochtoon = Iemand die zelf, of van wie tenminste één van zijn ouders in het buitenland geboren is. Autochtoon = Iemand die woont in het land waar hij/zij en zijn/haar ouders geboren en opgegroeid zijn.

2. Les 4: Botsende culturen:

2.1. Samenlevingsmodellen: Segregatie, integratie, assimilatie: Samenlevingsmodellen zijn manieren waarop men met cultuur omgaat in de samenleving. Segregatie = verschillende culturele groepen leven langs elkaar heen en behouden hun eigen cultuur. Integratie = Wanneer de nieuwe cultuurgroep zich gedeeltelijk aanpast aan de dominante cultuur en gedeeltelijk eigen cultuurkenmerken behoud. De dominante cultuur past zich aan door cultuuruitingen van de nieuwe sub-cultuur te accepteren en soms over te nemen. Assimilatie = Wanneer een nieuwe cultuur zich volledig aan moet passen aan de dominante cultuur en eigen cultuurkenmerken verdwijnen of zelfs verboden worden.

2.1.1. e dominante cultuur en eigen cultuurkenmerken verdwijnen of zelfs verboden worden.

2.2. Cultuurrelativisme vs cultuuruniversalisme: Cultuurrelativisme = Een visie die er vanuit gaat dat alle culturen gelijkwaardig zijn en dat de ene cultuur niet beter is dan de andere. De visie gaat er vanuit dat je alle cultuurkenmerken van andere culturen moet respecteren en accepteren. Cultuuruniversalisme = Een visie die er vanuit gaat dat er bepaalde normen en waarden zijn die voor iedereen zouden moeten gelden. Hierin zijn westerse culturen vaak de standaard, maar dit hoeft niet. Een terrorist kan ook een cultuuruniversalist zijn.

2.3. Clincher

3. Les 2: Cultuur en socialisatie

3.1. Socialisatie/cultuuroverdracht: Cultuuroverdracht = het leren van cultuur, een ander woord voor socialisatie. Socialisatie = het proces waarbij iemand de waarden, normen en andere cultuurkenmerken van een samenleving of groep aanleert. Socialisatie vindt plaats door imitatie van anderen en informatie over de cultuur.

3.2. Sociale controle en sancties: Sociale controle = de manier waarop mensen andere mensen stimuleren zich aan de geldende normen te houden. Sociale controle zorgt voor orde, zekerheid en rust in de samenleving Sancties = Een manier van belonen of straffen bij sociale controle. Positieve sancties stimuleren mensen zich verder aan de normen te houden door beloningen te geven bij goed gedrag. Negatieve sancties bestraffen het afwijken van de geldende norm. Sancties kunnen formeel zijn - vanuit geldende regels of het gezag – of informeel – vanuit mensen onder elkaar.

3.3. Socialiserende instituties: Instellingen, organisaties en collectieve gedragspatronen waarmee de cultuuroverdracht in een samenleving plaatsvind. Bijvoorbeeld gezin, school, werk, sport. Collectieve gedragspatronen zijn gemeenschappelijke gebeurtenissen zoals feestdagen maar ook ‘het weekend’ en ‘verkiezingen’.

4. Les 3: Migratie

4.1. Motieven om te migreren: Politieke motieven = wanneer mensen vertrekken omdat de politieke situatie in het land niet veilig is voor hen. Dit kan zijn door oorlog, geloofsovertuiging, seksuele voorkeur, etc… Economische motieven = Wanneer mensen uit hun land vertrekken om ergens anders financiële kansen te krijgen. Bijvoorbeeld gastarbeiders en kennismigranten. Sociale motieven = Wanneer mensen vertrekken om te trouwen, een gezin te starten of juist met hun gezin herenigd te worden. Push-factoren = redenen om uit een land te vertrekken Pull-factoren = redenen om naar een specifiek land toe te gaan (en niet naar een ander land)

4.2. Migrantengroepen: Groepen mensen die gelijktijdig uit een land vertrekken of in een land aankomen. De belangrijkste groepen die je moet kennen: Turken, Marokkanen, Surinamers, Antillianen, Nederlands-Indiërs, Chinezen, Afghanen, Irakezen, Syriërs, Somaliërs. Je moet hiervan weten waarom ze naar Nederland kwamen en wanneer. Zie ook de uitlegdocumenten en de prezi. Immigratie = ergens naartoe gaan. Emigratie = ergens uit vertrekken.

4.3. Vluchteling: Iemand die vanuit politieke redenen migreert en die onder het verdrag van Geneve de vluchtelingenstatus heeft gekregen.

5. Internalisatie: Het automatiseren van gedragspatronen zoals van je verwacht wordt. Zoals eten met bestek, zindelijk worden, etc.

6. Sociale indentiteit: Identiteit = wie jij bent. Je hebt hierbij verschillende rollen, zoals leerling, zoon/dochter, broer/zus of vriend/vriendin. Sociale identiteit = Wanneer je bij een groep hoort en je hiermee identificeert. Je voelt je dan ook aangesproken als er over die groep gesproken wordt en spreekt ook namens de groep.