Laten we beginnen. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Het gezin Door Mind Map: Het gezin

1. Gezinscultuur

1.1. Het kluwengezin

1.1.1. Verplicht ouders volgen

1.1.2. Geen eigen inbreng

1.1.3. Luisteren wil van de ouders

1.1.4. Veel liefde, gehoorzamen kind

1.1.5. Negatief: rebelleren, controle kind is zo groot, dat het kind bijna stikt. Hij kan zijn eigen identiteit niet ontplooien, de groep bepaalt zijn levensloop

1.2. Het loszand gezin

1.2.1. Geen regels, geen grenzen

1.2.2. Eigen wil van het kind

1.2.3. Weinig liefde van ouders -> interesse ontbreekt

1.2.4. Positief: zelfstandigheid

1.2.5. Negatief: geen veilige haven voor een kind. Hij kent binnen het gezin niemand die hij in vertrouwen kan nemen als hij een probleem heeft. Kan verkeerde kant opgaan doordat hij niet gecontroleerd word...

1.3. Het evenwichtige gezin

1.3.1. Evenwichtige balans tussen loszand en kluwengezin

1.3.2. Positief: Warme aandacht EN de kans om tot een eigen persoon uit te groeien

2. Nieuwe gezinsvormen

2.1. Kerngezin of traditioneel gezin

2.1.1. Twee volwassenen, man en vrouw, leven samen en hebben samen kinderen, van wie ze beiden biologische ouders zijn

2.2. Nieuw samengesteld gezin

2.2.1. Beide partners brengen kinderen mee in de nieuwe relatie

2.2.2. Soms zijn er ook nog kinderen uit de nieuwe relatie

2.3. Eenoudergezin

2.3.1. Een volwassene met kinderen, van wie hij/zij de biologische ouder is

2.4. Homogezin of lesbogezin

2.4.1. Twee mannen die samenleven en kinderen hebben, ofwel uit vorige heterorelatie ofwel geadopteerd, ofwel als pleeggezin ofwel via een draagmoeder

2.4.2. Twee vrouwen die samenleven en kinderen hebben, ofwel uit een heterorelatie, ofwel geadopteerd, ofwel als pleeggezin: ofwel is 1 van de 2 de biologische moeder door een zaaddonor

2.5. Generatiegezin of grootfamilie

2.5.1. Ouders en kinderen leven in een groter familieband

2.5.2. Opvoeding en verzorging worden ook door andere familieleden gedaan

2.6. Pleeggezin

2.6.1. Twee volwassenen die samen voor een korte of langere tijd voor kinderen zorgen. Geen van beiden is een biologische ouder, ze zijn wel sociale ouders

2.6.2. Kind kan op elk moment terug toegekend worden aan biologische ouders

2.7. Adoptiegezin

2.7.1. Twee volwassenen die samenleven en samen kinderen hebben, maar niet de biologische ouders zijn. Ze zijn sociale en juridische ouders

2.8. Co-ouderschap na scheiding

2.8.1. Partners delen na scheiding de zorg en opvoeding van hun kinderen. Ondanks de scheiding blijven ze toch een gezin om financieel, praktisch en emotioneel niveau

2.8.2. Ze kiezen ervoor geen nieuwe partner te krijgen of de nieuwe partner geen ouderrol toe te kennen en de nieuwe relatie ondergeschikt te maken aan het oude gezin

2.9. Mee-oudergezin

2.9.1. Een of twee volwassenen, met een eigen huishouden, verzorgen een deel van de tijd de kinderen en zijn nauw betrokken bij de opvoeding

2.10. Tienergezin

2.10.1. Een minderjarige ouder die de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van zijn of haar kind deelt, meestal met de eigen moeder of ouders

2.10.2. Het kind wordt voor een belangrijk deel opgevoed door de grootouder(s)

2.11. Woongroep

2.11.1. Het samenleven van een grotere groep volwassenen, eventueel met kinderen. Voorbeeld: studentenhuis

2.12. Polyaamgezin

2.12.1. Een man die samenleeft met meerdere vrouwen die kinderen hebben. De kinderen zijn allemaal verwekt door de man, maar hebben verschillende biologische moeders

2.13. Begeleid wonen/kindertehuis

2.13.1. Kinderen leven in een gezinsvervangende constructie, vaak met wisselende verzorgers of begeleiders

2.14. Latgezin

2.14.1. Twee volwassenen die niet samenwonen, maar wel een relatie en samen kinderen hebben

2.15. Ontstaan

2.15.1. Socio-culturele factoren

2.15.2. Andere ouders

2.15.2.1. Oudere ouders

2.15.2.2. Beide ouders werken

2.15.2.3. Ongehuwde ouders

2.15.2.4. Ouders van hetzelfde geslacht

2.15.2.5. Eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen

2.15.2.5.1. Eenoudergezin

2.15.2.5.2. Nieuw samengesteld gezin

2.15.3. Minder kinderen

2.16. Pedagogisch handelen

2.16.1. Stressvolle gebeurtenissen

2.16.2. Situatie duidelijk maken

2.16.3. Manier van ermee omgaan

2.16.4. Verwerken

3. Genogram

3.1. Voorstelling familiale banden

4. Primaire gezinsrelaties

4.1. Extended family (familie of grootfamilie)

4.2. Nuclear family of kerngezin (vader,moeder en kinderen)

5. Functies

5.1. Voortplanting

5.1.1. Vervangingsniveau: Om een bevolking op pijl te houden moet elke vrouw gemiddeld 2.1 kinderen baren

5.1.2. Om één man en één vrouw te vervangen zijn twee kinderen nodig

5.2. Opvoeding en socialisatie

5.2.1. Socialisatie is het doorgeven van cultuur

5.2.2. Waarden en normen meegeven aan kinderen

5.2.3. Verder reiken van socialisatie: de manier van kijken naar onze samenleving word meegegeven vanuit de thuissituatie

5.2.4. Groot deel van de opvoeding verschoven naar andere instellingen zoals kinderdagverblijven

5.3. Economische

5.3.1. Uitzonderlijk producent, er zijn uitzondering zoals kleine zelfstandigen

5.3.2. Consument: verdienen en uitgeven

5.3.3. Warm eten dat je krijgt, onderdak, kleren...

5.4. Beschermende of zorgende

5.4.1. Fysieke zorg

5.4.1.1. De eerste pleister kreeg je van je mama, de dokter kwam als je ouders je heel ziek vonden...

5.4.1.2. Streling, aanraking... Het toont aan dat je ouders er voor je zijn

5.4.2. Psychisch aspect

5.4.2.1. Ouders moeten er voor zorgen dat hun kinderen uitgroeien tot stabiele persoonlijkheden.

5.4.3. Gevolgen

5.4.3.1. Ouders zijn niet meer enige opvoeders, niet de enige die beschermen, die kinderen beschutting bieden, voedsel voorzien... De rol van het gezin is afgenomen.