Scheikunde Hs 1 t/m 6.3

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Scheikunde Hs 1 t/m 6.3 Door Mind Map: Scheikunde Hs 1 t/m 6.3

1. Hoofdstuk 1

1.1. verschil natuurkunde en scheikunde

1.1.1. natuurkunde

1.1.1.1. houd zich bezig met de onomkeerbare veranderingen

1.1.2. scheikunde

1.1.2.1. houd zich bezig met de blijvende veranderingen

1.2. stofeigenschappen

1.2.1. brandbaarheid

1.2.2. geur

1.2.3. kleur

1.2.4. smeltpunt

1.2.5. kookpunt

1.2.6. enz.

1.3. gevarensymbolen

1.3.1. licht ontvlambaar

1.3.2. schadelijk

1.3.3. explosief

1.3.4. corrosief

1.3.5. giftig

1.4. Deeltjes model

1.4.1. iedere stof is opgebouwd uit moleculen

1.4.2. elke stof bestaat uit een soort molecuul

1.4.3. moleculen bewegen constant

1.4.4. moleculen trekken elkaar aan

1.5. fases

1.5.1. vast - solid - s

1.5.2. vloeibaar- liquid - l

1.5.3. gas - gaseous - g

1.5.4. oplossing - aqua - aq

1.6. zuivere stof / mengsel

1.6.1. bij een zuivere stof, blijft de temperatuur hetzelfde bij een faseverandering. Bij een zuivere stof verandert de temperatuur de temperatuur dus niet tijdens het smelten, stollen of koken. deze temperatuur noem je het smeltpunt, stolpunt of het kookpunt.

1.6.2. bij een mengsel  verandert de temperatuur wel tijdens een faseverandering . bij een mengsel verandert de temperatuur dus als de stof smelt ( stolt of kookt). Het temperatuursgebied waarin het mengsel zowel vast als vloeibaar is, heet het smelttraject.

1.7. Chemische rectie

1.7.1. proces waarbij beginstoffen verdwijnen en nieuwe stoffen ontstaan

1.7.1.1. verbranden van hout (hout ---> as + koolstof)

1.7.1.2. bakken van brood (deeg ---> brood)

1.7.1.3. zetten van koffie ( water + koffiepoeder ---> koffie)

2. Hoofdstuk 3

2.1. scheidingsmethode

2.1.1. manier waarbij verschillende soorten deeltjes bij elkaar worden gezocht

2.2. soorten scheidingsmethode

2.2.1. bezinken

2.2.1.1. gaat altijd samen met afschenken

2.2.1.1.1. scheidingsmethode die berust op het verschil in deeltjesgrootte                                                                                                                                   de grote deeltje zakken naar de bodem en de lichte deeltjes kunnen worden afgeschonken

2.2.2. filtreren

2.2.2.1. scheidingsmethode die berust op het verschil in deeltjesgrootte                                                                                                                            de grote deeltjes worden door het filter tegen gehouden en de kleine deeltjes gaan erdoorheen

2.2.3. indampen

2.2.3.1. oplossingen

2.2.3.1.1. Scheidingsmethode die berust op het verschil in kookpunten                                                                                                                                         de oplossing wordt verwarmt , het oplosmiddel verdampt en de vaste stof blijft over.

2.2.4. destilleren

2.2.4.1. oplossingen

2.2.4.1.1. scheidingsmethode die berust op het verschil in kookpunten.                                                                                                                                   het mengsel wordt verwarmt waarbij de stof met het laagst kookpunt verdampt, de damp wordt afgekoeld en condenseert , deze vloeistof wordt apart opgevangen .

2.2.5. extraheren

2.2.5.1. gaat samen met filtreren

2.2.5.1.1. scheidingsmethode die berust op het verschil in oplosbaarheid van stoffen in een bepaald oplosmiddel                                                                                                                                   je hebt een mengsel van vaste stoffen dat je wilt gaan scheiden door te kijken welke stof wel en welke stof niet oplost                                                                                                           na extraheren wordt er vaak gebruik gemaakt van de scheidingsmethode filtreren, omdat een deel van de vaste stof in het mengsel niet is opgelost. door dit mengsel te filtreren haal je de niet opgeloste stof eruit en hou je het extractiemiddel met de opgeloste stof over

2.2.6. adsorberen

2.2.6.1. een zuiveringsmethode

2.2.6.1.1. een soort scheidingsmethode die berust op het verschil in aanhechtingsvermogen

2.2.6.1.2. adsorptiemiddel

2.2.6.1.3. actieve kool

2.2.6.1.4. adsorberen + filtreren

2.2.6.1.5. verschillen

2.2.6.1.6. hoe kleiner de stof (fijngemalen) is deste beter deze oplost / opneemt omdat het oppervlak groter is

2.3. concentraties berekenen

2.3.1. concentratie = hoeveelheid opgeloste stof / hoeveelheid mengsel × 100%

3. Hoofdstuk 2

3.1. verschillende soorten wateren

3.1.1. gedestilleerd water

3.1.2. grond water

3.1.3. oppervlakte water

3.2. werking zeep

3.2.1. schoonmaak middel dat wordt gebruikt tijdens het wassen of reinigen van voorwerpen

3.2.2. oplosmiddel

3.2.2.1. stof waarin een andere stof oplost

3.2.3. natuurlijke zepen

3.2.3.1. zepen gemaakt van plantaardige en dierlijke oliën en vetten

3.2.4. synthetische zepen

3.2.4.1. zepen die zijn gemaakt door mensen van aardolie

3.2.5. detergent

3.2.5.1. ander woord voor zeep

3.2.6. hydrofiele kop

3.2.6.1. waterlievend : kop zit graag in water

3.2.7. hydrofobe kop

3.2.7.1. watervrezend : staart gaat in de vetvlek

3.2.8. kalkzeep

3.2.8.1. een witte stof die ontstaat als natuurlijke zepen reageren met de kalk in het water

3.3. verzorging huid en haar

3.3.1. huid

3.3.1.1. crème

3.3.1.1.1. olie : houd de huid soepel

3.3.1.1.2. water : hydratatie en makkelijk afspoelbaar

3.3.1.1.3. emulgator : zorgt ervoor dat de olie en het water mengen

3.3.2. haar

3.3.2.1. shampoo

3.3.2.1.1. verwijdert vet en vuil

3.3.3. tanden

3.3.3.1. tandpasta

3.3.3.1.1. verwijderd tandplak,polijst en beschermd tanden

3.4. zure en basische schoonmaakmiddelen

3.4.1. hardheid

3.4.1.1. waarde die aangeeft hoeveel kalk er in het water zit

3.4.2. ketelsteen

3.4.2.1. kalkaanslag die ontstaat als water wordt verwarmd

3.4.3. zure schoonmaakmiddelen ph 0-6

3.4.3.1. schoonmaakmiddel tegen kalk

3.4.3.1.1. zoals zoutzuur of wc-eend

3.4.4. basische schoonmaakmiddelen ph 8-14

3.4.4.1. schoonmaakmiddelen tegen vet en olie

3.4.4.1.1. zoals ammoniak of soda

3.4.5. zure schoonmaakmiddelen bevatten vaak citroenzuur of mierenzuur.

3.5. zuurgraad

3.5.1. 0 = extreem zuur

3.5.2. 7 = neutraal

3.5.3. 14 = extreem basisch

4. Hoofdstuk 6

4.1. eigenschappen metalen

4.1.1. metaal glans

4.1.2. geleiden warmte

4.1.3. geleiden elektriciteit

4.1.4. makkelijk te vormen

4.1.5. Meestal grijs

4.2. winning ijzer / aluminium

4.2.1. winning ijzer

4.2.1.1. ijzererts is een gesteente in de grond dat een grote hoeveelheid ijzeroxide bevat wat wordt gesmolten in hoogovens                                                             ijzeroxide + cokes + zuurstof ---> ijzer + koolstofdioxide 2 Fe2O3 +6 C + 3 O2 ---> 4 Fe + 6 CO2

4.2.2. winning aluminium

4.2.2.1. bauxiet is een gesteente in de grond dat een grote hoeveelheid aluminiumoxide bevat.      het winnen van aluminium uit aluminiumoxide wordt gedaan met behulp van elektrolyse. Hiervoor moet de Aluminiumoxide eerst vloeibaar zijn.

4.3. soorten metalen

4.3.1. edel

4.3.1.1. reageert niet met water en zuurstof

4.3.1.1.1. goud

4.3.1.1.2. zilver

4.3.1.1.3. platina

4.3.2. onedel

4.3.2.1. reageert wel met zuurstof en water

4.3.2.1.1. ijzer

4.3.2.1.2. koper

4.3.2.1.3. tin

4.3.2.1.4. lood

4.3.3. zeer onedel

4.3.3.1. reageren extreem heftig met water en zuurstof

4.3.3.1.1. Natrium

4.3.3.1.2. Lithium

4.3.3.1.3. Kalium

4.4. Legeringen

4.4.1. mengsel van metalen

4.4.1.1. amalgaam

4.4.1.1.1. een speciaal soort legering                                Van een metaal met kwik

4.4.1.2. Roestvast staal

4.4.1.2.1. er wordt chroom en soms oom nikkel toe gevoegd zodat het ijzer niet gaat roesten

4.4.1.3. Brons

4.4.1.3.1. Brons heeft een heel laag smeltpunt waarddoor je het makkelijk in een vorm kunt gieten

4.4.1.4. messing

4.4.1.4.1. kranen en waterleidingen worden vaak gemaakt van messing. messing is heel hard

4.5. Metaal als grondstof

4.5.1. metaalertsen, zoals ijzererts en bauxiet, zijn niet-vernieuwbare grondstoffen. de natuur kan deze stoffen niet opnieuw maken

4.5.2. aluminium recyclen kost veel minder energie omdat je geen gebruik hoeft te maken van  elektrolyse

4.5.3. koper wordt momenteel zo veel gebruikt dat er nauwelijks genoeg koper is in de kopermijnen . dit heeft als gevolg dat koperafval geld waard is

5. Hoofdstuk 4

5.1. verschil verbranding / ontleding

5.1.1. * verbranding : een chemische reactie met zuurstof als beginstof

5.1.1.1. verbranding van hout

5.1.1.2. roesten van ijzer

5.1.2. * ontleding : proces waarbij 1 beginstof verdwijnt en er meerdere reactie producten ontstaan.

5.2. soorten ontledingsreacties

5.2.1. thermolyse

5.2.1.1. ontleding d.m.v. warmte

5.2.2. fotolyse

5.2.2.1. ontleding d.m.v. licht

5.2.3. elektrolyse

5.2.3.1. ontleding d.m.v. elektriciteit

5.3. moleculen / atomen / elementen

5.3.1. atomen

5.3.1.1. kleinste deeltjes waaruit moleculen zijn opgebouwd

5.3.1.2. 103 soorten atomen in periodiek systeem

5.3.1.2.1. Natrium

5.3.1.2.2. koolstof

5.3.2. moleculen

5.3.2.1. de kleinste deeltjes die alle stofeigenschappen bevatten

5.3.3. elementen

5.3.3.1. ander woord voor atoomsoort Blz. 83

5.3.4. Coëfficiënt / index

5.3.4.1. Coëfficiënt voor formule

5.3.4.2. index in formule

5.3.4.3. ! kloppend maken !

6. Hoofdstuk 5

6.1. volledig voldoende zuurstof en brandstof

6.1.1. H2O

6.1.2. CO2

6.2. onvolledig te weinig zuurstof

6.2.1. C

6.2.2. CO

6.2.3. CO2

6.2.4. H2O

6.3. verschijnselen bij een brand

6.3.1. vlammen

6.3.2. rook

6.3.3. vonken

6.3.4. as

6.4. bij blussen neem je een van de voorwaarde weg die nodig zijn voor vuur

6.4.1. branddriehoek

6.5. zure regen

6.5.1. SO2 en NO2 vermengen zich met de wolken  en worden zwavelzuur en salpeterzuur en dan valt daqt weer naar beneden.

6.5.1.1. schadelijk voor planten, kalksteen

6.6. broeikas gassen

6.6.1. voornamelijk koolstofdioxide en stikstofoxide

6.7. biobrandstoffen

6.7.1. gemaakt van plantenresten , er komt geen CO2 meer bij omdat de planten die CO2 al eerst hadden opgenomen