De 16e en de 17e eeuw

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
De 16e en de 17e eeuw Door Mind Map: De 16e en de 17e eeuw

1. Historische context

1.1. De hervorming

1.1.1. De Kerk had te veel macht

1.1.2. Kerkdiensten moesten in volkstaal gevoerd worden

1.1.3. Maarten Luther -> 95 stellingen van Wittenberg

1.1.3.1. Luther vertaalde de Bijbel naar het Duits.

1.1.4. Johannes Calvijn

1.1.4.1. Predestinatie

1.1.5. Drukpers zorgde voor snelle verspreiding van de ideeën van Luther en Calvijn

1.1.6. Door verschillende opvattingen ontstonden er burgeroorlogen.

1.2. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

1.2.1. Karel V werd heer van de Nederlanden en koning van Spanje, door de afkomst van hun ouders.

1.2.2. De Nederlanden bestonden uit zeventien gewesten

1.2.2.1. O.a. Brabant, Vlaanderen, Holland

1.2.3. Karel V streefde naar centralisatie en absolutistische heerschappij

1.2.3.1. Hij deed dit volgens de regels van de Kerk

1.2.4. Tijdens de heerschappij van Filips II nam het verzet tegen deze vorm van regeren toe

1.2.5. Willem van Oranje leidde het verzet tegen Filips II

1.2.5.1. Dit werd nog heftiger na de Beeldenstorm en nadat Alva naar de Nederlanden gestuurd werd om ketterij neer te slaan.

1.2.5.1.1. Dit resulteerde in de Tachtigjarige oorlog

1.2.5.1.2. Door de Opstand vielen de Nederlanden uiteen in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en een deel dat bij Spanje hoorde

1.2.5.1.3. Met de Vrede van Münster werd er een einde gemaakt aan de Oorlog

1.2.6. De oorlog was beëindigd, maar de tegenstellingen niet: er ontstonden twee groepen, de contraremonstranten en de remonstranten

1.2.6.1. Contraremonstranten volgden de leer van Calvijn en wilden vrede

1.2.6.1.1. Deze groep stond rondom Johan van Oldenbarnevelt

1.2.6.2. Remonstranten wilden de oorlog met Spanje voortzetten

1.2.6.2.1. Deze groep stond rondom stadhouder Maurits

1.3. Handel en welvaart

1.3.1. Door ontdekkingsreizen en daarmee de ontdekking van nieuwe gebieden kwam de overzeese handel op gang

1.3.1.1. Antwerpen was in eerste instantie de belangrijkste handelsstad, tot de val van Antwerpen.

1.3.1.1.1. Na deze val vestigde een groot aantal immigranten zich in Amsterdam

1.3.2. De naam 'Gouden Eeuw' is alleen van toepassing op de hoge middenklasse en elite, dit waren namelijk de groepen die profiteerden van de handel

2. Culturele context

2.1. Kennis en wetenschap

2.1.1. Wetenschap was tot nu toe gebaseerd op theologie

2.1.1.1. Ware kennis

2.1.1.1.1. Christiaan Huygens, Antonie van Leeuwenhoek en Hermanus Boerhave

2.1.2. Het empirisme kwam op: kennis wordt betrouwbaar door zintuiglijke waarneming

2.1.2.1. Rationalisme

2.1.2.1.1. John Locke, Francis Bacon, René Descartes en Baruch Spinoza

2.1.3. Onderzoek naar het heelal

2.1.3.1. Copernicus en Galileo GalileÏ

2.2. Humanisme

2.2.1. Theocentrisch naar antropocentrisch

2.2.1.1. Nog meer kritiek op de Kerk

2.2.2. Desiderius Erasmus

2.3. Renaissance

2.3.1. Wedergeboorte

2.3.2. Poging tot het doen herleven van de klassieke cultuur

2.3.2.1. Architectuur, kunst, literatuur

2.3.2.1.1. Bedoeld voor de elite

2.3.3. Florence

2.3.3.1. P.C. Hooft

2.3.4. Opleving mythologie

2.3.4.1. Translatio, imitatio en aemulatio

2.3.5. Leonardo da Vinci, Sandro Botticelli, Brunelleschi

2.4. Burgerlijke cultuur in de Republiek

2.4.1. Normen en waarden

2.4.1.1. 'Exempla contraria'

2.4.2. Schutterstuk

2.4.2.1. Stedelijke identiteit

2.4.2.1.1. Helpen bij het handhaven van de openbare orde

2.4.3. Rembrandt van Rijn

2.4.3.1. Symboliek

2.4.4. Genreschilderijen

2.4.4.1. Didactische functie

2.4.4.1.1. Vb. Jan Steen

2.4.4.2. Weergave van het dagelijks leven

2.5. Muziek

2.5.1. Kerkelijke muziek

2.5.1.1. Josquin des Prez

2.5.1.2. Hervorming zorgde voor muziek in de volkstaal

2.5.2. Wereldlijke muziek

2.5.2.1. Opera

2.5.2.1.1. Claudio Montiverdi

2.5.2.2. Jan Pieterz. Sweelinck

2.5.2.3. Jacob van Eyck

2.6. Classicisme

2.6.1. Renaissance --> Classicisme

2.6.2. Macht, glorie, rijkdom

2.6.3. Mauritshuis

2.6.4. Stadhuis van Amsterdam

2.6.5. "Nil volentibus arduum" (Niets is onmogelijk voor hen die willen)

2.6.5.1. Genootschap in Amsterdam

3. Literaire ontwikkelingen

3.1. Schrijver en publiek

3.1.1. Schrijvers --> elite van de stad

3.1.1.1. Opinievormers en volksopvoeders

3.1.1.2. Benadrukken van universele waarheden

3.1.2. Kleine oplage

3.1.2.1. Select publiek

3.2. Nederlandse Renaissanceliteratuur

3.2.1. Diepzinnig, raadselachtig, dubbelzinnig, vol mythologisch verwijzingen en woordspel

3.2.1.1. P.C. Hooft

3.2.2. Petrarkisme

3.2.2.1. Liefdesgedichten

3.2.2.1.1. Vaste kenmerken:

3.2.2.2. Petrarca (1304-1374)

3.3. Emblematiek

3.3.1. Een embleem bestond uit:

3.3.1.1. Een motto

3.3.1.2. Pictura

3.3.1.3. Subscriptio

3.3.2. Een embleem was de uitbeelding van een algemene waarheid

3.3.2.1. Sinepoppen (Roemer Visscher)

3.4. Didactische verhalen

3.4.1. Jacob Cats

3.4.1.1. Trou-ringh

3.4.1.1.1. Raamvertelling

3.4.2. Spannende, ontroerende verhalen met een morele les erin verwerkt.

3.5. Liederen en liedboeken

3.5.1. Zangcultuur

3.5.2. Petrarkische liefde

3.5.2.1. Bedoeld voor de jeugd

3.5.3. 'Groot Lied-boeck'

3.5.3.1. G.A. Bredero

3.5.3.1.1. Boertig (komisch)

3.5.3.1.2. Amoreus (liefde)

3.5.3.1.3. Aandachtig (religieus)

3.5.3.1.4. Nieuwe teksten bij bestaande melodieën (contrafactuur)

3.6. Sonnet

3.6.1. 13e eeuw in Italië

3.6.2. Populair door Petrarca

3.6.3. G.A. Bredero

3.6.4. Joost van den Vondel

3.6.5. Constantijn Huygens

3.6.6. P.C. Hooft

3.6.6.1. Liefdesklacht en mythologie

3.7. Ernstig en komisch toneel

3.7.1. Rederijkerskamers --> Nederduytsche Academie van Samuel Coster

3.7.1.1. Streven naar op klassieken gebaseerd toneel

3.7.1.2. Bredero

3.7.1.2.1. Spaanschen Brabander

3.7.1.3. Hooft

3.7.1.3.1. Warenar

3.7.2. Amsterdamse Schouwburg aan de Keizergracht

3.7.2.1. Opening door Gysbreght van Aemstel

3.7.2.1.1. Tragedie van Joost van den Vondel

3.7.3. Spiegelfunctie

3.7.3.1. exempla contraria

3.7.4. Stedelijke functie

3.7.4.1. Opinievorming

3.7.5. Muziek en zang speelden een grote rol

3.7.6. Kluchten

3.7.6.1. Stereotiepe domme boeren, oplichters

3.7.6.1.1. Vaste thematiek: bedrog of overspel

3.7.7. Morele lessen

3.7.7.1. Aristotelische tragedie

3.7.8. Komisch toneel bevatte bedrog, overspel, opschepperij, gierigheid en hypocrisie

3.7.8.1. Didactische functie

3.7.8.2. Renaissancekomedie ging terug naar de Oudheid

3.7.8.2.1. Warenar