Diabetes Mellitus

Maak een Begin. Het is Gratis
of registreren met je e-mailadres
Rocket clouds
Diabetes Mellitus Door Mind Map: Diabetes Mellitus

1. Betekenis: stoornis in de stofwisseling ten gevolge van een absoluut of een relatief tekort aan insuline

2. Ontstaan/factoren: Erfelijkheid/ auto-immuniteit(= antilichamen tegen de insuline producerende bètacellen/ Beschadiging van de pancreas/ Leeftijd

3. Normaal waarde bloedglucoseconcentratie ligt tussen de 3,5- 7 mmol/l

4. Insuline zorgt ervoor dat glucose weer verdwijnt uit het bloed

4.1. Insuline wordt gemaakt door de bètacellen gelegen in de eilandjes van Langerhans in een pro-insulinevorm

4.1.1. Stijgt de glucosewaarde, dan wordt de alvleesklier geprikkeld tot loslaten, waarbij pro-insuline overgaat in insuline

4.1.1.1. Daarnaast worden bij het resorberen van glucose in de ingewanden al hormonen aangemaakt die via het bloed de alvleesklier sneller stimuleren tot afgifte van insuline

5. Diabetes Mellitus Type 1: Type 1 maakt je lichaam geen insuline aan. De glucose in je bloed wordt hierdoor niet opgenomen in je lichaam en het bloedsuikergehalte wordt dan te hoog

5.1. Diatbetes Mellitus Type 2: Type 2 maakt je lichaam nog wel insuline aan, maar niet voldoende. Of soms doet de insuline zijn werk gewoon niet goed.

6. Insuline wordt na afgifte aan het bloed gebonden aan een receptor op het celmembraan van cellen die insulinegevoelig zijn

6.1. Gevolg: De doorgankelijkheid van de celmembraan wordt bevorderd voor -> glucose/ enkele aminozuren/ kalium. Spier- en vetcellen hebben insuline nodig om glucose de celmembraan te laten passeren

6.1.1. Metabole processen in de cel worden beinvloed, zoals: opbouw van vet in de vetcel/ opbouw van glycogeen en eiwit in de spier en levercel/ afremmen van glycogenolyse, gluconeogenese en ketonlichaamvorming in de lever/ afremmen van de vetafbraak in de vetcel

6.1.1.1. Glycogenolyse = ontleding tot glucose. Gluconeogeneses = vorming van glucose. Ketonlichaamvorming = een chemische verbinding die het lichaam maakt als vet moet worden afgebroken als gevolg van tekort aan koolhydraten (suikers)

6.1.1.2. Insuline is dus in feite een anabool hormoon: het bevordert de opbouw van het lichaam

7. Symptomen: polyurie(=vermeerdering urinelozig)/ polydipsie(=verhoogd gevoel van dorst)/ moeheid/ verhoogde gevoeligheid voor infecties/ amenorroe(=afwezigheid, uitblijven menstruatie)/ impotentie(=geen erectie)/ slecht zien/ polyfagie(=vraatzucht) en desondanks vermagering

8. Complicaties: artherosclerose(=(slag)aderverkalking)/ micro-angiopathieen(=ziekte van kleine bloed- en lymfevaten) Retinopathie(=beschadiging van het netvlies. Nefropathie(=nierziekte)/ neuropathieën(=zenuwziekten)

9. Diabetische coma's: ketoacidotisch coma en non-ketotisch hyperosmolair coma

9.1. Ketoacidotisch coma: kan voorkomen bij patienten bij wie diabetes nog niet is vastgesteld en bij niet goed geregelde diabetici. hyperglykemie(=hoge bloedglucosespiegel) en acidose(=verzurig) aanwezig. De patient hyperventileert (Kussmaul-ademhaling) en de lucht heeft een acetongeur.

9.2. Non-ketotisch hyperosmolair coma: wordt vooral bij ouderen gezien. Ontstaat langzaam -> stresssituatie kan op een bepaald moment de coma doen doorzetten. Klachten: polyurie en dehydratie. Optreden cerebrale verslechtering(= verslechtering in de hersenen), patient lijkt dement. Verzuring treedt niet op, en er is dus geen sprake van Kussmaul-ademhaling.

10. Risicofactoren: overgewicht (obesitas) en zwangerschap

11. Diagnostiek/onderzoek: vaststellen bloedglucosewaarde/ glucose waarde urine/ glucosetolerantie test (GTT)

12. Behandeling: BELANGRIJK: Bloedglucosewaarden tussen de 3,5 en 8 à 9 mmol/l houden. Voeding/ antidiabetica/ vermageren(bij een BMI >25/ regelmatige controle ogen, nieren en voeten/ bloeddrukcontrole

13. Bijwerking medicatie: Voor alle antidiabetica geldt dat men voorzichtig moet zijn bij lever- en nierfunctie stoornissen

13.1. Werking medicatie: er is kort- en langwerkende insuline