Omgevingsfactoren die leiden tot crimineel gedrag (mesoniveau)

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Rocket clouds
Omgevingsfactoren die leiden tot crimineel gedrag (mesoniveau) by Mind Map: Omgevingsfactoren die leiden tot crimineel gedrag (mesoniveau)

1. De Chicago School (Shaw & McKay)

1.1. (Sociaal)ecologische benadering

1.1.1. Elke groep een eigen logische plaats in de stad om te wonen

1.1.2. De criminaliteit ontstaat door de sociale ontwrichting (social disorganization).

1.1.2.1. Als de sociale cohesie verzwakt, verzwakt daarmee de sociale controle in een wijk.

1.2. De kern van de theorie van de Chicago School van stadsontwikkeling (zone-indeling)

1.2.1. Zone I (midden) Het centrale zakencentrum of de loop

1.2.2. Zone II 'overgangsgebied' veel kantoren en bedrijfspanden. Wonen weinig mensen

1.2.3. Zone III 'middenklasse'. Bescheiden appartementen en huizen voor arbeiders

1.2.4. Zone IV (residential zone). Wijk met duurdere appartementen en vrijstaande woningen

1.2.5. Zone V (voorsteden). Men werkt overdag in de stad en wonen in rustige buitenwijken.

2. Gelegenheidstheorie (Felson)

2.1. De omvang van criminaliteit wordt bepaald door drie factoren:

2.1.1. Aantal potentiële daders

2.1.2. Aantal aantrekkelijke doelwitten

2.1.3. Mate van toezicht op en de bescherming van de doelwitten

3. Theorie CPTED (Jeffrey)

3.1. Criminaliteit kan voorkomen worden door de inrichting van publieke ruimte

3.1.1. Bij de aanleg van pleinen en parken is het belangrijk om rekening te houden met zichtlijnen

3.1.2. Er moet rekening worden gehouden met de verlichting in de publieke ruimte

3.2. Gentrification (Ruth Glass)

3.2.1. Huizen worden opgeknapt om wijken aantrekkelijker te maken

3.2.2. Steeds meer welgestelden komen in arbeiderswijken wonen

3.2.3. Gentrification wordt bewust ingezet als instrument om de criminaliteit uit oude buurten weg te drukken

3.2.4. Een aantrekkelijk omgeving verlaagt het risico op criminaliteit

4. Stedelijke vernieuwing (Engbersen)

4.1. Stedelijk beleid heeft te weinig aandacht besteed aan structurele oorzaken van de sociale problemen.

4.1.1. Er moet aandacht komen voor het verbeteren van de sociaaleconomische positie

4.2. Sociale problemen in Nederland zijn steeds complexer geworden

4.2.1. Invloed van toegenomen immigratie

4.2.2. Postindustriële samenleving: Laaggeschoolde werknemers weinig kans meer hebben op een baan

4.2.3. Sterk geïndividualiseerde samenleving: Sociale banden zijn losser tussen burgers, familieleden etc.

5. Broken windows (Kelling & Wilson)

5.1. Eenmaal een verloederde wijk zijn mensen sneller geneigd om ook overlast te veroorzaken en de wijk verder te laten verloederen

5.2. In sommige wijken is meer verloedering en verloedering nodigt uit tot crimineel gedrag

5.3. Zero Tolerance

5.3.1. asociale gedragingen worden niet geaccepteerd en worden direct aangepakt

6. Sociale controle (Hirschi)

6.1. De mogelijkheden voor deviant gedrag ontstaan als de bindingen van een individu met de samenleving zwak of verbroken zijn.

6.2. Het plegen van criminaliteit kan worden weerhouden als bindingen met de maatschappelijke instituties sterk zijn

7. Proximale factoren

7.1. • Distale factoren: psychopathologie, persoonlijkheid, • Contextuele factoren: gezinshiërarchie, siblingsrelatie • Globale factoren: SES (sociaaleconomische status), inkomen/armoede, gezinsstructuur

7.1.1. Deze factoren zijn van invloed op het antisociale gedrag van het kind. Antisociaal gedrag van de ouders wordt vaak overgenomen door de kinderen.

7.1.1.1. Distale gezinsfactoren

8. Sociale bindingen

8.1. Instrumentele verklaring

8.1.1. Jongeren hebben elkaar nodig om een delict te kunnen plegen, dus de groep heeft een instrumentele functie. Het kan zorgen voor meer opbrengsten en een lagere pakkans.

8.2. Groepsverklaring

8.2.1. Crimineel gedrag ontstaat binnen de context van een groep door groepsdruk of doordat delinquent gedrag wordt beloond

8.3. Selectieve verklaring

8.3.1. Het delinquente gedrag ontstaat niet binnen de groep, maar soortgelijken zoeken elkaar op