Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Deeldoel 1 by Mind Map: Deeldoel 1

1. Fysieke ontwikkeling

1.1. Volgende reflexen verdwijnen relatief snel

1.1.1. Snuffel- of zoekreflex

1.1.2. Loopreflex

1.1.3. Zwemreflex

1.1.4. Bijtreflex

1.1.5. Mororeflex

1.1.5.1. Bij schrik opent een baby zijn vingers en spreidt zijn armen en benen

1.1.6. Zuigreflex

1.1.7. Babinskyreflex

1.1.7.1. Tenen spreiden bij het wrijven over de voetzool

1.2. Grove motoriek

1.2.1. 7 maand: Zitten zonder steun

1.2.2. 8 maand: Staan met steun

1.2.3. 9 maand: Lopen met steun

1.2.4. 10 maand: Kruipen

1.2.5. 1 jaar: Enkel stapjes los lopen

1.2.6. 1;2 jaar: Goed lopen, soms al een bal naar voren schoppen

1.2.7. 1;6 jaar: Met hulp traplopen

1.2.8. 2 jaar: Leert springen en variaties daarop

1.3. 2 - 6 jaar

1.3.1. Wordt uitgebreid met toenemend verfijning zoals lopen, rennen en klauteren

1.3.2. Komen er meer mototische vaardigheden bij zoals: Huppelen, hinkelen schaatsen of zwemmen.

1.4. 6 - 12 jaar

1.4.1. Gaan volwassen sporten beoefenen

1.4.2. Spieren blijven ontwikkelen

1.4.3. Seks specifiek sporten waardoor verschillende groepen spieren zich beter ontwikkelen

1.5. Puberteit en adolescentie

1.5.1. Lichamelijke veranderingen

1.5.1.1. Bijvoorbeeld: Groeispurt, geslachtskenmerken en geslachtsrijpheid

2. Cognitieve ontwikkeling

2.1. 0 - 6 jaar (sensomotorische fase)

2.1.1. Kind leert door te kijken, luisteren, bewegen, proeven, ruiken en aanraken

2.1.2. Denken ontstaat door doen

2.1.3. Leven in de hier en nu wereld

2.1.4. Denken handelend

2.2. Mentale representaties (18 - 24 maanden)

2.2.1. Representaties

2.2.1.1. Kind gaat ergens een voorstelling van maken

2.2.2. Taalverwerving

2.2.3. Fantasie gebruiken tijdens het spelen

2.2.4. Indirecte imitatie

2.3. Pre-operationeel stadium (2-6 a 7 jaar)

2.3.1. Representatie wordt groter

2.3.2. Meer naar andere kijken

2.3.3. Egocentrisch denken neemt af

2.3.3.1. Denken meer aan de gevoelens van anderen

2.4. 6 - 12 jaar

2.4.1. Kind wordt schoolrijp

2.4.2. Tegenstellingsparen

2.4.2.1. Bij links hoort recht, bij vallen hoort opstaan.

2.4.3. Classificatie

2.4.3.1. Kind plaatst een opject plaatsen in een categorie. Bijv. Een grote roze olifant.

2.4.4. Wederkerigheid

2.4.4.1. "Kees is mijn broer, dus ik ben de zus van Kees"

2.4.5. Generalisatievermogen

2.4.5.1. Wat een kind geleerd heeft kan hij weer toepassen bij iets nieuws.

3. Sociale- en persoonlijkheidsontwikkeling

3.1. 0 - 6 jaar

3.1.1. Bowlby

3.1.1.1. Een beginnende gehechtheid

3.1.1.2. Feitelijke gehechtheid

3.1.2. +/- 8 maand

3.1.2.1. Ontwikkeld de angst voor vreemden

3.1.2.1.1. "Gaan vaak achter de verzorger staan"

3.1.3. 6 maand - 3 jaar

3.1.3.1. 6 - 8 maand

3.1.3.1.1. Differentiatiefase

3.1.3.2. 8 - 18 maand

3.1.3.2.1. Oefenfase

3.1.3.3. 1.5 - 2 jaar

3.1.3.3.1. Toenaderingsfase

3.1.3.4. 2 - 3 jaar

3.1.3.4.1. Consolidatiefase

3.1.4. Persoonlijkheid (2,5 jaar)

3.1.4.1. Ontdekken hun eigen wil, leert samen spelen

3.1.4.2. Nee fase op koppigheidsfase

3.1.4.3. Zindelijkheidsproblemen

3.1.5. Sociaal (3 jaar)

3.1.5.1. Parallelspel

3.1.5.1.1. Kinderen spelen naast elkaar, maar spelen niet samen

3.2. 6 - 12 jaar

3.2.1. Toenemende formaliteit in het sociale handelen

3.2.2. Kunnen interne voorstellingen maken van situaties

3.2.3. Groepsvorming en vrienden maken

3.2.3.1. Vaak zie je dat kinderen hier vaak worden buiten gesloten en dat heeft grote invloed.