Poëzie

Get Started. It's Free
or sign up with your email address
Poëzie by Mind Map: Poëzie

1. Rijm

1.1. Rijmklanken

1.1.1. Soort

1.1.1.1. Volrijm; klankovereenkomst van klinkers en medeklinkers

1.1.1.1.1. Bang - lang - zang - gang Rijp - pijp - lijp - knijp

1.1.1.2. Assonatie; klankovereenkomst van alleen de klinkers

1.1.1.2.1. Gaap - kraai - raam - daar Dier - wiel - riem - dief

1.1.1.3. Alliteratie; klankovereenkomst van alleen de beginmedeklinkers

1.1.1.3.1. De vlieg vloog vlak voor vele vogels

1.1.1.4. Rime riche; volledige overeenkomst van klanken aan het eind van twee regels

1.1.1.4.1. De weg die je volgt Is niet die die hij volgt

1.1.2. Plaats

1.1.2.1. Eindrijm; rijmklanken aan het eind van de versregel

1.1.2.1.1. In de tuin zit een specht Die veel eieren legt

1.1.2.2. Binnenrijm; binnen een versregel staan meerdere volrijmen

1.1.2.2.1. We legen verlegen naast elkaar te kijken nar de sterren die bewegen

1.1.2.3. Middenrijm; rijmklanken in het midden van twee opeenvolgende regels

1.1.2.3.1. We stappen de bus weer eens in, De volgende klus wacht ons weer op

1.1.2.4. Voorrijm; volrijm aan het begin van twee opeenvolgende zinnen

1.1.2.4.1. Lopend over sneeuw wit zand, Hopend op een nieuwe kans

1.1.2.5. Overlooprijm; laatste woord versregel rijmt op eerste woord volgende versregel

1.1.2.5.1. Wanneer we oud zijn Wijn onze kachel is

1.1.2.6. Dubbelrijm; eindrijm met twee rijmklanken

1.1.2.6.1. Wanneer de nood hoog is, De ladder te hoog is,

1.2. Rijmschema's

1.2.1. Drieregelige strofes

1.2.1.1. Verspringend rijm; a b c a b c d e f d e f

1.2.1.2. Kettingrijm; a b a b c b c d c d e d

1.2.2. Vierregelige strofes

1.2.2.1. Slagrijm; a a a a b b b b

1.2.2.2. Gekruisd rijm; a b a b c d c d

1.2.2.3. Omarmend rijm; a b b a c d d c

1.2.2.4. Gepaard rijm; a a b b c c d d

1.2.2.5. Gebroken rijm; a b c b d e f e

2. Dichtvormen

2.1. Sonnet; veertienregelig gedicht dat bestaat uit twee kwatrijnen en twee terzetten

2.2. Ballade; verhalend gedicht over liefdesleed en heldendaad

2.3. Ode; lofdicht aan een held

2.4. Hymne; lofdicht aan een God

2.5. Elegie; klaagzang waarin overledene wordt bezongen

2.6. Satire; spottend gedicht

2.7. Epigram; puntig, kort gedicht

2.8. Limmerick; vijfregelig gedicht met het rijmschema: a a b b a

2.8.1. Een vriend van mij uit Assen, Die wilde gaan verkassen, Ze trok het niet meer, Haar ogen deden zeer, Van het kijken naar de buurmans vreemde dassen

3. Stijlfiguren

3.1. Inversie; een zinsdeel anders dan het onderwerp of de persoonsvorm komt voorop

3.1.1. Morgen ga ik naar de markt

3.2. Tautologie; iets twee keer zeggen maar met andere woorden

3.2.1. Enkel en alleen

3.3. Pleonasme; de betekenis van het hoofdwoord wordt versterkt

3.3.1. Het groene gras

3.4. Hyperbool; overdrijven

3.4.1. Het heeft eeuwen geduurd

3.5. Enumiratie; opsomming

3.5.1. De premier was sloom, saai en slaapverwekkend

3.6. Antithese; tegenstelling

3.6.1. Door dik en dun

3.7. Paradox; schijnbare tegenstelling

3.7.1. Weinig alcohol kan te veel zijn

3.8. Eufeminisme; verzachtend uitdrukken

3.8.1. Hij is heengegaan

3.9. Understatement; verzachtend uitdrukken met als doel versterken

3.9.1. De Duitsers waren in 1940 in ons land niet welkom

3.10. Litotes; bevestiging door ontkenning

3.10.1. Dat was niet erg slim

3.11. Retorische vraag; een vraag waarop geen antwoord wordt verwacht

3.11.1. Lliggen we hier niet lekker?

3.12. Climax; toename van kracht of spanning

3.12.1. Lopen, snelwandelen, rennen

3.13. Anticlimax; afname van kracht of spanning

3.13.1. Schitterend, prachtig, mooi, best aardig

3.14. Parallellisme; herhalende zinsconstructie

3.14.1. Spreken is zilver, zwijgen is goud

3.15. Exclaminatie; uitroep

3.15.1. Lang zal hij leven!

3.16. Prolepsis; geïsoleerde vooropstelling

3.16.1. Soep, daar lust ik wel pap van

3.17. Ironie; vriendelijke spot

3.17.1. Je kletst me de oren van het hoofd

3.18. Sarcasme; harde spot

3.18.1. Je moet precies zó doorwerken, dan kom je er in elk geval

3.19. Cynisme; zeer harde spot

3.19.1. Ik zie dat je weer hard geleerd hebt. Jij wordt later vast professor.

4. Beeldspraak

4.1. Vergelijking met als

4.1.1. Zo sterk als een beer

4.2. Vergelijking zonder als

4.2.1. Het is hier een zwijnenstal

4.3. Metafoor

4.3.1. Zij heeft een hart van goud

4.4. Personificatie

4.4.1. De wind fluistert me toe

4.5. Metonymia

4.5.1. De vloot bestaat uit 14 zeilen

5. Thema

5.1. Het thema duid aan waar het gedicht over gaat

6. Enjambent

6.1. Soms lopen zinnen door in de volgende versregel van een gedicht. Dit heet enjambent.

7. Strofebouw

7.1. Distichon; strofe van twee regels

7.2. Terzine; strofe van drie regels

7.3. Kwatrijn; strofe van vier regels

7.4. Kwintet; strofe van vijf regels

7.5. Sextet; strofe van zes regels

7.6. Septet; strofe van zeven regels

7.7. Octaaf; strofe van acht regels